Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

De geschiedenis van de gilden van Rotterdam

Op onze site kun je al diverse keren iets tegenkomen over de gilden van Rotterdam. Tijd om nu eens een aparte serie verhalen te wijden aan de geschiedenis van de gilden van Rotterdam. Maar zoals gebruikelijk op onze site eerst wat citaten uit verschillende verhalen waarin we al aandacht hebben besteed aan de gilden, aldus onze Search Engine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Gilden of Gilde en klik op ENTER

Veel over de gilden van Rotterdam is beschreven door o.m. de volgende 3 stadsarchivarissen van Rotterdam:

ungerpt

1861 - 1904

Johan Hendrik Willem J.H.W. Unger

archivaris van Rotterdam

1883 - 1904

LINK

wiersumpt

Stadsarchivaris E. Wiersum

1904 - 1935

LINK

hazewinkelportret

Hendrik Cornelis Hazewinkel

archivaris van Rotterdam (1935 - 1961)

LINK

Wiersum schreef zelfs ooit in 1928 een apart boek over de gilden van Rotterdam, met als titel

Uit het Rotterdamsche Gildewezen

en dat boek heeft Aad ademloos gelezen en was uiteindelijk de aanleiding voor dit verhaal.....

Citaat uit dit verhaal:

De chirurgijn in vroeger dagen

.....dit verhaal is later uitgebreid met informatie over het Barbiers en Chirurgijns gilde van Rotterdam.....



Citaat uit dit verhaal:

De geschiedenis van de Groote of St. Laurenskerk



Citaat uit dit verhaal:

1 April 1572 Van Den Briel trok Bossu naar Rotterdam



Citaat uit dit verhaal:

Het oude Schotse (en Waalse) Kerkje, de St. Sebastiaanskapel van Rotterdam



Citaat uit dit verhaal:

De Doelen van het St. Joris Gilde in het oude Rotterdam



Over het ontstaan van de gilden is het volgende te vertellen:

Kooplieden vormden een koopmansgilde, wevers een weversgilde, bakkers een bakkersgilde. Allemaal verenigingen van mensen die hetzelfde beroep uitoefenden.

De doelstellingen van deze gilden waren: elkaar bijstaan, je vak hooghouden, samen kerkdiensten bijwonen, samen feestvieren, weduwen en wezen van je collega's helpen.

De koopmansgilden zijn de oudste. Ze bestonden al in de Romeinse tijd en zelfs de Germanen kenden ze al. Deze koopmansgilden vormden opslagplaatsen en winterkwartieren op gemakkelijk bereikbare plaatsen bij rivieren en baaien. Zo'n opslagplaats was bijv. Dorestad, in de buurt van het tegenwoordige Wijk bij Duurstede. Verder trokken ze in grote karavanen van jaarmarkt naar jaarmarkt, om zich zo tegen overvallen te beschermen.

Later, in de elfde en twaalfde eeuw, ontstonden de versterkte steden. Daar woonden nogal wat handwerkslieden, zoals bijvoorbeeld timmerlieden en smeden. Ook die groepen van handswerklieden sloten zich aaneen. Zij vormden de ambachtsgilden.
De leden van zo'n ambachtsgilde waren te onderscheiden in: bazen, knechts en leerjongens. Je kon niet zoo maar lid worden van een gilde. Wie wilde toetreden, moest voldoen aan bepaalde eisen. Die eisen stonden nog niet direct vast bij het ontstaan van deze gilden. Ze werden pas later nauwkeurig omschreven.

Wie tot een gilde wilde toetreden, moest eerst een leerstuk aan het bestuur van dat gilde laten zien. Een soort proefwerk als bewijs dat men zijn vak verstond. Als het leerstuk werd aanvaard, kon men in dienst treden als leerknaap of leerling.

Om een stap verder te komen in het vak, moest men weer een werkstuk maken. Een moeilijker werkstuk dan het eerste. Als ook dit aan de gestelde eisen voldeed, ken men zich gezel noemen.

Het zwaarste examen moest men afleggen om meester van het gilde te worden. Hiervoor vroeg het gildebestuur een werkstuk dat waarlijk de naam meesterstuk verdiende. Was men er in geslaagd zo'n meesterstuk te maken en was het door het bestuur aanvaard, dan kon men zich meester noemen.

Zo'n meester mocht zich zelfstandig vestigen. Hij kon dan een eigen bedrijfje beginnen, bijv. als meester timmerman of als meester kleermaker. Bij die eigen bedrijfjes was de werkplaats tevens winkel. Er zijn nog heel wat meesterstukken te bewonderen in musea, oude stadhuizen en oude gildehuizen.

Onderling waren er natuurlijk verschillen tussen de verschillende gilden en ook kon het per stad verschillen. Bovendien veranderden de eisen in de loop der tijd. Om een bepaald vak uit te oefenen, moest men wel altijd lid van een gilde zijn. Je mocht dus nooit zoo maar doen of laten wat je wilde. Ook de meester was aan regels gebonden. Zo mocht hij meestal niet meer dan twee leerlingen aannemen.
Tegenwoordig zou je het een beetje kunnen vergelijken met het franchise systeem, een keten van bedrijven voert centraal een aantal taken uit, maar de deelnemers zijn zelfstandige ondernemers. Vroeger zou zoo'n keten dan wel er voor gezorgd hebben, dat andere ketens zich niet konden vestigen....

De werktijden waren in de Middeleeuwen erg verschillend, zowel van plaats tot plaats als van gilde tot gilde. In het algemeen echter viel de werktijd tussen zes uur 's morgens en acht uur 's avonds. Op zon- en heiligendagen werd er niet gewerkt.
Heiligendagen zijn dagen waarop een heilige wordt herdacht, bijv. St. Laurens:



De leerlingen moesten in de regel leergeld betalen. Loon ontvingen zij meestal niet. Het was het voordeligst om bij je vader in de leer te gaan. Was dat niet mogelijk, dan ging de leerling vaak in de kost bij zijn baas. Er waren ook leerlingen die van de ene baas naar de andere trokken. De leertijd varieerde heel sterk, afhankelijk van het vak. De een hoefde maar een half jaar te leren, de ander wel vier volle jaren.

Wie na het maken van een meesterstuk werd aangenomen bij het gilde, moest entreegeld betalen. Het was ook de gewoonte dat de nieuwe meester een groot feest gaf ter ere van de behaalde titel.

In Rotterdam werden de wijzigingen van de keuren van de Gilden (de verordeningen) afgeroepen vanaf de trappen van het Stadhuis, vanouds de plaats waar alle officiele mededelingen werden gedaan. Het voltallige gilde moest dan op een bepaald tijdstip verplicht aanwezig zijn.

En natuurlijk mag dan ook dit niet ontbreken, uit ons Patriotten verhaal :



Denk nu niet, gilden dat was iets uit de Middeleeuwen, niets is minder waar. Pas in de Patriotten tijd werd de basis gelegd voor de opheffing van de Gilden die uiteindelijk pas tijdens de grote bestuurlijke reorganisaties in de jaren 1805 - 1815 ook daadwerkelijk werd uitgevoerd.
Na 1813, toen uiteindelijk Het Koninkrijk der Nederlanden, aanvankelijk samen met het huidige Belgie, werd opgericht, werden sommige gilden, ook in Rotterdam, weer, laten we maar zeggen, gereanimeerd, maar de tijd had hen ingehaald.....
Als basis voor de opheffing van de gilden kan o.m dit fragment dienen uit ons Patriotten verhaal :

Stadsarchivaris Hazewinkel heeft over de geschiedenis van de gilden van Rotterdam ooit nog het volgende geschreven:

Het grootste gedeelte van de in land- en waterstadbedrijven werkzame ambachtslieden, neringdoenden en kleine industrielen bleef tijdens de Republiek als vanouds in gilden georganiseerd.

In de meeste gildekeuren komen de elementen, die de economische en sociale structuur der burgerij van een Hollandse stad in de voor-kapitalistische periode bepaalden, min of meer volledig tot uitdrukking: aan de ene kant de nivelleringstendens, die handhaving van een gelijkmatig kleinbedrijf beoogde, o.a door een scherpe begrenzing van de werkingssferen der ambachten en neringen onderling, door het scheppen van waarborgen voor een passend levensonderhoud voor alle gildebroeders en door kwalitatieve en kwantitatieve reglementering der productie, aan de anderen kant de gildedwang, zich openbarend in wering van beunhazen en onderkruipers, in ventverbod, verplichte leertijd, het afleggen van de meesterproef en de eis van het bezit van burgerrecht.

Tal van gilden hadden bovendien een belangrijke sociale functie door de verplichting tot onderlinge steunverlening bij ziekte, ouderdom of overlijden. Gedurende de Republiek bleef, zelfs in een havenstad als Rotterdam, waar het handelskapitalisme zich vrij kon ontwikkelen, het gilde de aangewezen organisatievorm voor de voorziening in locale behoeften.

De gilden hadden de bevoegdheid, hun interne aangelegenheden zelf te regelen. Maar het handhaven van tucht en orde op de vergaderingen was voor de hoofdlieden vaak een moeilijke taak. De broeders van sommige gilden sprongen nogal eens uit de band en waren dan niet te regeeren.

In 1644 moest de overheid tussenbeide komen en stelde ze een reglement van orde op, dat desgewenst op de bijeenkomsten van elk gilde kon toegepast worden.
In de eerste plaats was het verboden te vloeken en te zweren, ook mochten de gildebroeders elkaar niet te lijf gaan; de boete werd berekend al naar gelang het bij schoppen of slaan was gebleven, er bloed was gevloeid of messen getrokken waren.

Verboden was het smijten met kannetjes en flessen, datse buylen ofte breken, verboden ook het verontreinigen van de gildekamer tengevolge van een overmatig gebruik van spijzen of sterke drank; een ander artikel stelt de gildebroeder strafbaar, die meer dranck stort, dan hij met sijn hoedt kan bedecken.
En tenslotte mochten de vergaderingen niet gebruikt worden om er handel te drijven, lof of bodt van koopmanschap te doen, zooals men het toen uitdrukte.

In 1709 gingen er stemmen op voor een samenvatting der over de hele linie van de overheidsbemoeiing in de loop der jaren uitgevaardigde keuren

Het was vooral de stadspensionaris, Mr. Isaac van Hoornbeeck, die hiervoor ijverde

hoornbeekpt

1626

Mr. Isaac van Hoornbeeck

Van 1692 - 1720 Stadspensionaris van Rotterdam

LINK

erna Raadpensionaris van Holland

8 April besloot de Vroedschap, om de verspreide ordonnantien in een generale keur te begrepen, naar de onderwerpen in verschillende hoofdstukken te verdelen

Het oorspronkelijk plan om de bestaande keuren in ordre en extensie te behouden, werd op instigatie van Van Hoornbeeck in 1712 opgegeven, in plaats daarvan zou de pensionaris ze aan een algehele herziening onderwerpen.
In het najaar van 1714 was hij met zijn arbeid zoo goed als klaargekomen: de ontwerp-keur met de bijbehoorende memorie was vastgesteld en voor het grootste gedeelte gedrukt en zou aan alle belanghebbenden worden toegezonden, voorzoover dit niet reeds was geschied.

Daar er niet veel schot in de zaak kwam, beklaagden de hoofdlieden der gilden zich herhaaldelijk over het lange traineren.
De Vroedschap was zelf overtuigd van de omslachtigheid der gewone methode van besoigneren en rapporteren in deze materie: de commissarissen van de Weth waren immers al met hun taak klaar en het wachten was alleen nog maar op de gereetheyt van dese vergaderinge. Ze verenigde zich daarom met een voorstel om haar bedenkingen vóór een bepaalde termen te formuleren, ten einde de pensionaris in de gelegenheid te stellen de woordvoerders van het college alsdan van repliek te dienen.

Zoo kwam het, dat de Generale Keure ende Ordonnantie der stad Rotterdam bij stukjes en beetjes het licht zag en eerst in 1730 compleet was.
De na dat jaar uitgevaardigde keuren zijn niet systematisch, maar chronologisch gerangschikt en als supplement aan de Generale keur toegevoegd. De stof is verdeeld over 9 boeken en in 5 banden verenigd.

Het tiende boek, is over twee banden verdeeld, waarvan de eerste twee hoofdstukken bevat: één betreffende eet- en drinkwaren en één over kleding en ander deksel.

Het eerste hoofdstuk bestaat uit acht onder-afdelingen

  1. wijn en brandewijn
  2. brouwerijen
  3. herbergen en tapperijen
  4. haring, vis, vismarkten
  5. brood, koren, meel, grutterswaren
  6. vlees, spek, poelierswaren
  7. boter, kaas, melk
  8. groente, fruit


Het tweede hoofdstuk behandelt achtereenvolgens al wat op lakenen en ververijen op vlas en linnenmanufacturen en op kleren, hoeden, schoenen enz. betrekking heeft.

De drie laatste hoofdstukken van het tiende boek zijn alle in tweeen verdeeld. Hoofdstuk III is gewijd aan de bouwbedrijven, voorzoover deze resp. hout of steen bezigen; hoofdstuk IV aan bewerking van metalen, zoowel van die, welke van een keur worden voorzien als van ijzer en koper, terwijl in hoofdstuk V alle ordonnantien zijn opgenomen over neringen en ambachten, die in geen andere rubrieken kunnen gerangschikt worden.

En toen kwam dus een schitterend overzicht van hopelijk alle gilden van Rotterdam, eens kijken hoeveel het er nu zijn:



Aad schreef ooit: Iedere stad had er meerdere, Rotterdam had er zoo'n 50, aldus Aad's telling, zal ik ooit nog wel eens gaan opsommen...., nu, het waren er dus 69

En toen kwam er een dilemma, om over al deze gilden iets te beschrijven, dat gaat natuurlijk niet en dus werd besloten tot het volgende:

Stadsarchivaris Wiersum heeft een mooie kollektie prenten van de gilden van Rotterdam bijeengebracht, die hebben we allemaal ingescand hieronder, staat er een link bij, dan vertellen we er iets meer over, zoo niet, dan komt het ooit nog eens zoover of niet, helaas....

En dan beginnen we met het gilde van de Boekverkopers, waar het overgaat in de onderstaande prent dat vind je terug in het desbetreffende verhaal:

gildeboekverkopers

Over het Gilde der Boekverkopers

LINK

gildeapotheek

Het Gilde der Apothekers van Rotterdam

LINK

gildebakker

Het Gilde der Bakkers van Rotterdam

LINK

gildebarbier

Het Gilde der Barbiers van Rotterdam

LINK

.......via dezelfde link ook het verhaal van het Chirurgijns gilde van Rotterdam......

gildeblikslager

Het Gilde der Blikslagers van Rotterdam

gildebontwerkers

Het Gilde der Bontwerkers van Rotterdam

gildegoudzilversmid

Het Gilde der Goud- Zilversmeden van Rotterdam

gildehoedenmakers

Het Gilde der Hoedenmakers van Rotterdam

gildehoutdraaiers

Het Gilde der Houtdraaiers van Rotterdam

gildekleermakers

Het Gilde der Kleermakers van Rotterdam

gildekruideniers

Het Gilde der Kruideniers van Rotterdam

LINK

gildeloodgieter

Het Gilde der Loodgieters van Rotterdam

gildemanufactuur

Het Manufacturen Gilde van Rotterdam

gildeschoenmaker

Het Gilde der Schoenmakers van Rotterdam

gildesmid

Het Gilde der Smeden van Rotterdam

gildetingieter

Het Gilde der Tingieters van Rotterdam

gildevleeschhouwer

Het Gilde der Vleeschhouwers (Slagers) van Rotterdam

LINK




We ontvingen de volgende reaktie:

Op uw site vond ik een hele verhandeling over de Rotterdamse Gilden. Allemaal prachtig.

Met verbazing trof ik niet een naam van mijn voorvader aan, ooit 16 x tot hoofdman gekozen van het gilde van de beeldhouwers.

Deze Balthazar Maijstre leefde van 1728 tot 1803. De tekeningen van zijn hand liggen o. a. in het Scheepvaartmuseum R’dam en ook in Amsterdam.

De beeldwerken hadden betrekking op de sier, bijvoorbeeld aan achtersteven en voorplecht, van de schepen van de admiraliteit.

Er is een boek waarin dit uitgebreid beschreven wordt, te weten:

“Kunst op het water” van drs. J. C, A. Schokkenbroek en drs. C. E. Zonnevylle – Heyning. ( ISBN 90-6011-941-x.)

L.N. Maijstre





Klik hier voor de overige Rotterdamse geschiedenis verhalen op onze site,
een kleine selektie slechts....





Terug naar Aad's homepage, met links naar al zijn verhalen







Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

29 Augustus 2007