|
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen) |
Terug naar het Engelfrieten overzicht |
|---|
| Naar beneden |
|---|
Ben je op zoek naar nog meer informatie over Delfshaven op onze site, klik dan op deze link en / of op deze link.
Bij deze laatste link ook een verhaal over Piet Heyn
In 1389 kreeg de stad Delft van
Graaf Aelbrecht van Beieren
toestemming om een eigen scheepvaartverbinding met de Maas te graven langs Overschie. Aad heeft er al ooit eens een verhaal overgeschreven, klik maar even op deze link.
Deze scheepvaartverbinding, de Delfshavense Schie, mondde uit in de Maas, ter hoogte van waar nu ongeveer Schiemond is. Op de plaats waar Schielands Hoge Zeedijk door deze vaarweg werd doorsneden werd een
sluis
gebouwd. Daar vestigden zich vissers, enige handelaren en wat handwerkslieden en zo ontstond, ver van de stad Delft, haar eigen Delfs-haven.
De nederzetting kreeg weliswaar een Raadhuis, doch dat was slechts een dependance van dat in Delft.
De eerste havens welke werden gegraven waren: de Kolk oftewel de
Aelbrechtskolk
en de Oude Haven die nu de naam
Voorhaven
heeft.
In 1451 werd de Nieuwe Haven, nu
Achterhaven
aangelegd.
In de daarop volgende jaren groeide Delfs-haven verder, echter deze groei stagneerde - net als in Rotterdam - tijdens de zogenaamde Hoekse en Kabeljauwse twisten. In 1488 werd Delfshaven zelfs volkomen geplunderd door troepen van Jonker Frans van Brederode. Ook hier heeft Aad een verhaal overgemaakt, linkje....
Delfs-haven kwam er gelukkig weer bovenop en groeide verder. Zelfs zo voorspoedig dat de moederstad Delft, na voor een deel door brand te zijn verwoest, bang werd dat Delfs-haven haar boven het hoofd zou groeien.
In Delfshaven kwam een verbod om nog meer nieuwe huizen te bouwen, alsmede verdere bedrijfsvestiging toe te laten.
Ook Delfshaven zelf viel ten prooi aan de vlammen en wel in 1591. Daarbij verbrandden nogal wat huizen; deze waren namelijk merendeels van hout.
Delft trok daarna de beperkende maatregelen in en verplichtte Delfshaven voortaan stenen huizen te bouwen.
In 1601 liet Delft opnieuw toe dat er schepen werden gebouwd en gerepareerd; één van de belangrijkste inkomstenbronnen van de nederzetting.
Inmiddels was op 27 november 1577 in de Kerkstraat een jongen geboren met de naam Piet Heyn. Van jongs af aan heeft hij het aan de stok gehad met de Spanjaarden. Zijn wraak was uiteindelijk zoet, want in 1628 overmeesterde hij, varend onder de vlag van de Westindische Compagnie, in de baai van Matanzas te Cuba, de Spaanse Zilvervloot.
Na zijn dood op 20 juni 1629 (hij sneuvelde tegen de Duinkerkse kapers), werd hij op 4 juli in de Grote Kerk te Delft bijgezet in een graftombe.
In 1871 werd een standbeeld voor hem onthuld door koning Willem III en de straat waar hij geboren was werd omgedoopt in Piet Heynstraat.
In 1985 werd het beeld gedraaid, onzen Piet kijkt nu weer uit over het water van de Achterhaven.......waar blijven m'n Spanjolen ???
Klik hier voor ons verhaal Ook Nederland kende zeerovers, kapers en piraten
Een ander feit waardoor Delfshaven internationale bekendheid kreeg, was de komst van de
Pilgrim-fathers
in 1620. Deze voeren met hun scheepjes van Leiden naar Delfshaven en scheepten zich in op de Speedwell. Met dit scheepje voer men naar Engeland.
Omdat de Speedwell niet voldoende zeewaardig was voor de oversteek over de Atlantische Oceaan, stapten zij over op de Mayflower en daarmee maakten zij de zeereis naar het verre Amerika.
Aan de Pilgrim-fathers dankt Delfshaven nog steeds zijn
Pelgrimskerk
Niet alleen de Spanjaarden bezorgden Delfshaven kwade uren, (klik maar weer even naar dit verhaal), want tijdens de Tachtigjarige Oorlog kwamen ook de Geuzen wel eens binnenvallen en ook die plunderden het plaatsje van tijd tot tijd. Voortaan moest het zich met verdedigingswerken of Schansen omringen. Hier komen de nog bestaande namen van Schans en Noordschans vandaan.
Tot 1638 nam de haringvangst in betekenis toe en groeide de vloot sterk. Mede daarom was al eerder de Achterhaven aangelegd en in 1601 de Buizenwaal. In 1638 vertrokken echter tien bezitters van haringbuizen met circa veertig schepen naar Rotterdam (Leuvehaven). Dit had verregaande gevolgen voor de toenmalige werkgelegenheid. En..., zoals pas later bleek, voor de ontwikkeling van de stad Rotterdam eveneens.
Er was ook walvisvaart vanuit Delfshaven en daardoor kwamen in de buurt Schoonderloo traanrokerijen. Aan de Buizenwaal vestigden zich een scheepstimmerwerf van de
Verenigde Oostindische Compagnie
(VOC link) en een
Zeemagazijn
Dit laatste werd in 1746 door brand verwoest. Men was bang dat er buskruit lag en durfde niet dichtbij te komen om te blussen. Toen men dat uiteindelijk wel deed, was het al te laat.
Er waren veel aan de scheepvaart verwante bedrijven in Delfshaven te vinden en men kwam vaak werklui te kort. Zodoende ontstond er een trek van de omringende polders naar de nederzetting, vooral in de bloeitijd van de VOC
Aan het eind van de zeventiende eeuw ontstond de brandewijnindustrie in Delfshaven. In 1795 telde het stadje 32 branderijen en in 1824 vestigde er zich de bekende firma Henkes (van het ooievaartje), waarvan 'de Henkespanden' aan de Voorhaven getuigen.
Er kwamen vijf moutmolens: de Distilleerketel (op het Middenhoofd), de Waakzaamheid (bij de Buizenwaal), het Vertrouwen (Schans), de Hoop (Watergeusstraat) en de Graankorrel (Noordschans), waarvan nog slechts twee stompen (aan Schans en Noordschans) en een herbouwde Distilleerketel over zijn. Ook de vele houtzaag- en korenmolens zijn alle verdwenen.
Eén van de weinige nog bekende gildes is dat van de Zakkendragers. Zij vergaderden in een deel van het kraanhuis, waarin de kraan stond voor de sluisdeur van de sluis tussen Kolk en Achterwater.
In 1836 werd de sluis buiten gebruik gesteld en dichtgemetseld en daarna het Achterwater gedempt. Het kraanhuis draagt nu de naam Zakkendragershuisje en herbergt een tingieterij.
In 1740 en de jaren daarna ontstond een zandplaat voor de haveningang van de Maas voor Schiemond, de Ruigeplaat. Telkens opnieuw moest men deze plaat weggraven, omdat de scheepvaart ernstig werd belemmerd. Mede daardoor nam de betekenis van Delfshaven als havenplaats steeds verder af.
Direkt na de Franse inval verklaarde Delfshaven zich op 28 mei 1795 zelfstandig. Maar Delft pikte dit niet en trok die verklaring in 1803 weer in. Uiteindelijk moest dit toch - onder druk van de Fransen - opnieuw worden toegelaten en in 1825 ontving Delfshaven
stadsrechten.
Inmiddels is het dan met de welvaart aldaar gedaan, net als in Rotterdam. De VOC was opgeheven in 1792 en ook de brandewijnindustrie stortte in.
Tezamen met de terugloop in de scheepvaart en visserij zorgde dit voor vele werklozen. Delfshaven vroeg dan ook in 1841 door Rotterdam te worden geannexeerd. Die grote nabuur voelde daar toen echter niet veel voor; men had al problemen genoeg en dan nog zoo'n stelletje werkloze armoedzaaiers erbij zag men niet zo zitten.
Wel breidde Rotterdam na 1850 uit op het grondgebied van Delfshaven, in wat we nu het Oude Westen noemen.
In 1886 annexeerde Rotterdam Delfshaven uiteindelijk toch; puur uit eigen belang. Rotterdam had grote behoefte aan grond voor stadsuitbreiding, haven aanleg en industriële vestiging. Vanaf dan behoort Delfshaven bij Rotterdam, tezamen met Schoonderloo, Coolpolder, Bospolder en de omliggende buurtschappen.
De naam Delfshaven leeft voort in die van de wijk, welke slechts een deel van het vroeger zo omvangrijke grondgebied betreft.
In Groot Rotterdam, AD 1930, vonden we nog, tot slot, dit heerlijk stukje proza, met heel veel informatie verstopt in een enorme woordenbrei, maar Aad, schrijver dezes, kan hier zoo van genotteren....dus lees maar lekker mee, joh :
EEN WEINIG BEKEND STADSDEEL
Nu vooral de laatste jaren overal in onze stad het oude voor het nieuwe moet wijken, nu zooveel oude huisjes gesloopt zijn en smalle straatjes opgeruimd, wordt het aantal interessante plekjes, die nog van vroeger dagen spreken, steeds geringer. Toch weet ik nog zoo'n plekje, zoo'n echt brokje antiek, vlak tegen de moderne stad aan, dat daar nog ligt te droomen van lang vergane glorie. Des te interessanter is mijn plekje, omdat zoo veel Rotterdammers het niet kennen, want wie er niets noodig heeft, die komt er niet.
. Doch laat ik kort en duidelijk zeggen wat ik bedoel. Het oude stadsdeel waar ik eens ben gaan kijken, ligt op Delfshaven en het bestaat uit de Voorstraat, Aelbrechtskolk, Voorhaven, Piet Heynstraat, Piet Heynsplein, en enkele andere oude straatjes en stegen. Wanneer je zoo loopt op den Binnenweg, waar het druk is, of op den Schiedamscheweg, waar het ook druk is, dan kun je je nauwelijks voorstellen, dat zoo dichtbij, zoo vlak naast de electrische tram en de luxe auto's zich een plekje heeft weten te handhaven, dat eigenlijk een paar honderd jaar bij zijn tijd ten achter is gebleven. Maar zodra ben je niet in de Voorstraat, of je vergeet de electrische tram en de luxe auto's, zelfs al mocht je er een hebben.
De naam Voorstraat zelf heeft al iets solide ,,ouds" Het is zoo'n gemoedelijk primitieve aanduiding, zooals die vroeger bij voorkeur gebruikt werden de voor-dit, de achter-dit, de middenhier en de bovendaar. Het is maar 'n klein straatje, doch aan het eind ervan staat een knus oud gebouwtje,
dat het jaartal 1653 draagt en vroeger, blijkens 'n opschrift, gebruikt werd door de leden der Zakkendragers-Vereeniging. Ook 't wapen van Delfshaven komt er op voor, een haring en eenige korenaren, zinnebeelden der vroegere welvaart van Delfshaven de harigvisscherij en de jeneverstokerij.
.Boven op het huisje, in een torentje, hangt de brandklok en menigmaal zal deze de Delfshavenaars bij nacht en ontij te hoop hebben geklept Ook nu nog is het huisje de brandweer dienstig, want de Zakkendragers hebben het ontruimd en het verschaft thans onderdak aan spuit 35. Het huisje staat met één zijde aan het water, en ook van af den overkant gezien ligt het schilderachtig
.Ook aan de Aelbrechtskolk zelf staan nog enkele gezellig ouderwetsche huisjes, waarop ook weer het reeds genoemde wapen te zien is Langs een politiebureau, dat ook in stijl is, en het oude kerkje komt men dan aan de brug, vanwaar men een aardig gezicht heeft op het hoog-omwalde water. Hier is de Piet Heynstraat, die echter toen Piet Heyn op 27 November 1577 geboren werd, Kerkhofsteeg heette naar het kerkhof, dat bij de zooeven vermelde kerk behoorde.
Geboortehuis van onzen Piet
Klik hier voor ons verhaal Het eerste standbeeld van Piet Hein / Heyn was een sneeuwpop
Ook de Piet Heynstraat is (evenals Piet Heyn zijn naam) maar klein. De geboorteplaats van den grooten admiraal is aangegeven en wel door 'n gevelsteen, waarop staat Geboorteplaats van den Lt Admiraal Pieter Pieterszoon Heyn, 17 November 1577.
Het huisje is echter niet in zijn oorspronkelijken toestand bewaard gebleven, want een tweede steen vermeldt, dat de eerste steen (van het huisje natuurlijk) gelegen werd in 1871. Ook het wapen van den populairen "kwajongen", een kraai waarover een helm, is in den gevel van het huis aangebracht. Verder biedt het straatje weinig belangwekkends. Wij loopen het daarom uit en komen op het Piet Heynsplein, dat oorspronkelijk "Plantage" heette, doch later ter eere van den grooten burger verdoopt werd, tevens omdat de naam Plantage in Rotterdam al voorkwam en er dus licht verwarring zou kunnen ontstaan toen Delfshaven ophield een zelfstandige gemeente te zijn en in 1886 met Rotterdam vereenigd werd.
Bepaald mooi kan ik het Piet Heynsplein met zijn plantsoentje niet vinden, doch het heeft iets karakteristieks. Ook hier spreken een paar oude geveltjes van lang vervlogen tijd, en dan het standbeeld van den grooten Delfshavenaar staat er.
Ik loop er eens omheen om de opschriften te lezen, die nu eenmaal bij een standbeeld hooren. Aan de voorzijde staat een Latijnsche spreuk Argentum Auro utrumque Virtuti Cedit Ja, dat was waar in die dagen Het zilver wijkt voor het goud en beide wijken zij voor dapperheid, maar het komt mij voor, dat ook dit wel een beetje veranderd is. Dat van het zilver en het goud is ook nu nog wel waar, maar dapperheid alleen, daar koop je niet veel meer voor tegenwoordig
Intusschen, Piet Heyn was dapper, daaraan zal wel niemand twijfelen en zijn heldendaden zijn daar om van zijn dapperheid te getuigen Onwillekeurig komen mij de belangrijkste heldenfeiten uit het leven van den grooten zeeheld voor den geest, hoe hij, geholpen vooral door W C de With, de Spaansche Zilvervloot veroverde en haar schatten naar Holland bracht, waar hij den dank oogstte van de West-Indische Compagnie, die er wel bij voer.
Piet Heyn kreeg zijn deel van de Spaansche "Matten", terwijl hem tevens een gouden keten werd aangeboden.
Ik denk verder aan zijn strijd tegen de Duinkerkers, de zeeroovers, bij welke gevechten hij op 20 Juli 1629 het leven liet.
Ik ga even zitten op de bank, die voor het standbeeld staat, om een paar notities voor mijn artikel te maken, en mijn oog blijft rusten op de robuste gestalte, die daar als levend op haar voetstuk staat.
Ik zie den fijnen kanten kraag, de keten die hem om den hals hangt en den bevelhebbersstaf, dien hij in de rechterhand houdt.
Een goed standbeeld vind ik het, dat wel niet op een heel grootsche, maar toch in elk geval op de juiste plaats staat. Want wat de omgeving betreft kan Piet Heyn zóó van zijn voetstuk stappen en vragen :
Hoe zit het nu eigenlijk met die Duinkerkers, maken die lui het jullie nog steeds zoo lastig?
Maar hij moet niet verder gaan dan de Voorstraat, want daarbuiten heerschen geen Piet Heynsche toestanden meer en hij zou uitroepen "Wat is dat alles veranderd", hij zou knipperen met de oogen en mompelen ,,lk ga eigenlijk toch maar liever terug naar mijn pleintje"
Terwijl ik zoo zit te philosofeeren, hebben zich een paar jochies vrij onzacht naast mij gezet. Twee ervan kijken nogal onbescheiden naar wat ik zit te schrijven "Zeker een buitenlander", zegt er een, die niet gewoon is, dat Rotterdammers zooveel aandacht aan Piet Heyn schenken.
Ik zeg niets en dat versterkt hen in hun meening dat ik "maar een vreemde" ben. Zij maken een paar opmerkingen, die niet erg vleiend voor mij zijn en uit vrees, nog meer te hooren, laat ik maar gauw merken, dat ik 'n waschechte Hollander ben.
"Moesten jullie eigenlijk niet op school zijn?"
"Eigenlijk wel," glundert de oudste
Ik krijg schik in het geval, want ik merk, dat het ras der Delfshavensche kwajongens nog niet uitgestorven is
"Weet je wat daar staat?" vraag ik, op het standbeeld wijzend
"Piet Heyn", roep er een
"Jawel, maar daaronder?"
"Dat is Spaansch," zegt een ander, wien de Spaansche Zilvervloot parten speelt
"Neen, het is Latijn. En weet je wat het beteekent?
Argentum, wat is dat?"
,,Agenten" zegt hij met iets van ontzag in zijn stem.
Ik laat het maar zoo....
"En Auro?" "Aurore'" "En Utrumque?"
Maar daar zit hij toch even mee
"IJs" zegt hij dan voorzichtig, alsof hij niet zeker van zijn zaak is Maar dan schiet hij er zelf om in den lach en zijn vriendjes grijnzen mee, Zij voelen, onbewust misschien, hoe geestig het jochie was
Maar met zilver, goud en dapperheid valt niet te spotten en met een ernstig gezicht geef ik een verklaring van de spreuk.
Of zij mij begrepen hebben, betwijfel ik.
Ik breng dan het gesprek op Piet Heyn zelf en van hem zijn zij aardig op de hoogte.
Maar zoodra begin ik niet over het standbeeld, of de grapjes zijn niet van de lucht. Ik wijs op den Admiraalsstaf, dien Piet Heyn in de hand houdt
"Wie weet wat dat is?"
Doch zij weten het niet, en het interesseert hun niet ook, want met een gezicht van hou-nou-eens-op-met-dat-gezanik zegt een van hen "Een punktroller" en zij knijpen elkaar van de pret
Heel groot is het respect niet van de moderne kwajongens voor den "kwajongen" van toen. Maar ik weet nu. wat ik weten wil en ik stap op, ga naar huis om mijn artikel te schrijven.
Even kijk ik nog achter mij, waar in de Achterhaven vele schepen liggen. Dan ga ik weg, loop langzaam het pleintje af, de Piet Heynstraat door, en zoo terug langs het oude kerkje en den antieken zonnewijzer. Ik probeer te zien, hoe laat het is. Als ik het goed heb, twee uur, maar als ik dan vergelijk met mijn horloge, blijkt het bij drieen te zijn. Doch mijn horloge heeft mij nog nooit in den steek gelaten en dus is de zonnewijzer van slag af, of zit het misschien in den zomertijd?
Ik loop maar door, de Voorstraat uit, en ik sta op eens weer midden in de twintigste eeuw. Even knipper ik met de oogen, doch ik ga maar niet terug, want het voetstuk is al "bezet "
Echt tot slot nog wat karakteristieke foto's :
De Erfsebrug in de jaren '20
De Havenstraat in de jaren '50
Rechts op de foto : de Twentsche Bank in de Havenstraat
Hier heeft jarenlang Maarten, de broer van Alie gewerkt
Maarten wist altijd alles over Rotterdam
We kregen de volgende reaktie :
Allereerst complimenten voor de Engelfriet website. Een must voor elke Rotterdammer of import Rotterdammer zoals ik. :)
Wat een hoop informatie! Vooral de pagina's over de vroege geschiedenis van Rotterdam, en in het bijzonder Delfshaven, spreken mij erg aan. De persoonlijke schrijfstijl maken het ook erg prettig leesvoer. Een weblog avant-la-lettre!
Ik woon hier sinds 1980 (geboren en getogen in Gorkum) en pas sinds ik de website voor Scheepswerf 'De Delft' (www.dedelft.nl) maak ben ik me echt gaan interesseren voor de bijzondere geschiedenis van Delfshaven. Jouw kennis en beeldmateriaal waren daarbij een goede hulp. Ook had ik nu de juiste clou's om verder te zoeken op het web.
Eerst heb ik de informatie gebruikt voor de Delfshaven-pagina op de website van 'De Delft' maar nu ben ik aan een aparte site begonnen. Daarop heb ik, behalve van ducumentatie die heb gevonden in de drie jaar dat ik vrijwilliger bij 'De Delft' ben, ook dankbaar van materiaal van jouw website gebruik gemaakt. Bij deze wil ik je dus bedanken voor het online zetten van zoveel informatie.
Ik volg het goede voorbeeld op http://www.xs4all.nl/~jgsmits/delfshaven/
Met vriendelijke groet,
Joop Smits
Van Paul van Heel ontvingen we deze zeer fraaie prent van Delfshaven uit 1760, of we er iets over konden vertellen:
Deze fraaie prent werd gemaakt door Georg Balthasar Probst (1732-1801).
Volgens Aad zit het zoo:Wie het beter weet, mag het zeggen....
- Rechts van de haven het Zeemagazijn van de VOC, zie de prent hierboven
- Die molen heet gewoon de Oude Koren Molen, de Oude Koren Molen staat er nog steeds, zie een van de foto's hierboven
- Dat wapen moet van de gemeente Delft zijn, want daar hoorde Delfshaven bij
Weer van die geweldige Joop Smits ontvingen we deze 2 prenten:
De Aelbrechtskolk in 1850
En bij de volgende prent heeft iemand zich vergist, dus we hebben deze prent ook maar in ons verhaal over de geschiedenis van Overschie geplaatst:
Straatje in Delft, straatje in Overschie zul je bedoelen
LINK
Ook nog even deze aanvulling v.w.b. de recentere geschiedenis van Delfshaven:
De schijnbaar Oud-Hollandse ophaalbrug die de Aelbrechtskolk van de Voorhaven scheidt is, ondanks de naam Piet Heyn brug pas gebouwd in 1873. De ijzeren construktie van de Piet Heyn Brug in Delfhaven werd in 1873 vervaardigd door metaalwarenfabriek L.I. Enthoven & Co uit Den Haag.
Voor de jenever in de distilleerderijen was graan nodig, dat werd gemalen in moutmolens. ln de omgeving van de haven zijn nog twee monumentale rompen van dergelijke molens te vinden.
Deze jenever industrieën waren zwaar vervuilend en zorgden voor voortdurend brandgevaar. Delft en Rotterdam wilden ze daarom niet binnen hun muren hebben. De enkele branderijen die in Rotterdam gevestigd waren, werden verplaatst naar Delfshaven en Schiedam. In 1795 telde Delfshaven maar liefst 32 branderijen. Aan de randen van de haven verrezen enorme windmolens voor het malen van de ontkiemde graankorrels, oftewel mout.
Na de Franse tijd werd Delfshaven zelfstandig. Helaas voor Delfshaven zette zich juist een periode van economische neergang in. De VOC was immers opgeheven en de brandewijnindustrie was op zijn retour. De haven verzandde.
Een vriendelijk verzoek aan Rotterdam, in 1841, om het verarmde stadje te annexeren, werd beleefd maar beslist afgeslagen.
Een kleine halve eeuw later bedacht Rotterdam zich echter. De uitgestrekte polders die Delfshaven omringden, waren wel erg aanlokkelijk. De groei van de Rotterdamse haven was in de tweede helft van de negentiende eeuw in een stroomversnelling geraakt door de aanleg van de Nieuwe Waterweg en de ontwikkeling van het Ruhr gebied in Duitsland.
Met de groei van de haven was de bevolking spectaculair toegenomen. In de polders van Delfshaven kon Rotterdam nu mooi zijn arbeiderswijken bouwen. Het betekende het begin van een tweede industriële bloeiperiode voor Delfshaven als deelgemeente van grote broer Rotterdam. Uit deze laatste tijd dateren dus de meeste Delfshavense monumenten.
|
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker .... |
| Terug naar de top |
|---|