Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

Een verhaal geschreven in 1943 :
De Admiraliteyt / Admiraliteit op de Maze

Prachtige OCR verhalen uit een van onze boeken, Aad vindt het heerlijk om ze te lezen, hopelijk jullie ook ....enne let niet op kleine OCR foutjes

admiraliteitshuismaze

Admiraliteitshof of Zeekantoor van de Admiraliteit op de Maeze

Haringvliet, hoek Spaanse Kade
gebouwd in 1644 in plaats van het Prinsenhof als vestigingsplaats

rechts de brug over het Haringvliet en de Ooster Oude Hoofdpoort (
link)

agnietenklooster

Het Agnietenklooster aan de Botersloot, ook wel Prinsenhof genoemd,

want tijdens het beleg van Leiden verbleef prins Willem van Oranje in het St. Agnietenklooster van Rotterdam, veilig voor het land "tussen" Rotterdam en Leiden dat onder water was gezet.

rotterdam1574

De omgeving van Rotterdam onder water i.v.m. het Ontzet van Leiden (1574)

(link1 en link2, onderaan het verhaal)


Het woord nu aan 1943 :

In de Sint Laurenskerk bevonden zich de praalgraven van verschillende bekende Hollandsche admiraals. Die werden er niet begraven, omdat ze Rotterdammers waren, althans niet in de eerste plaats. Hun werd er een laatste rustplaats toegewezen, aangezien Rotterdam de zetel was van de Admiraliteyt op de Maeze, het machtige lichaam, dat in de oorlogstoebereidselen van de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden van het begin af aan een uiterst belangrijke rol heeft gespeeld. Deze rol begon tijdens het beleg van Haarlem en bij dat van Leiden. Toen werd te Rotterdam een vloot van platboomde schepen uitgerust, die over het onder water gezette land naar Leiden voer. En In den strijd, welken de Watergeuzen na de inneming van Den Briel in de mondingen der Zuidhollandsche rivieren tegen de Spanjaarden voerden, was Rotterdam eveneens een krachtig steunpunt geweest.

Andere steden hadden inmiddels ook flink meegedaan en toen de Prins van Oranje het zeewezen begon te organiseeren, lag het niet direct voor de hand, dat Rotterdam er de zetel van zou worden. In 1575 werd de Admiraliteyt van Zuid-Holland ingesteld, tegelijk met die van Noord-Holland. De Admiraliteyt van Zuid-Holland stond van het begin af het meest in aanzien en genoot dan ook zekere ancienniteitsrechten. Delft weigerde de Admiraliteyt binnen zijn muren en in zijn haven. Redenen waren, dat de haven te klein was en men in het deftige, stille stadje ongaarne ruw scheepsvolk zag. In die dagen waren de matrozen en zeesoldaten niet bepaald brave jongens en ze konden flink te keer gaan.

leicester

Robert Dudley

Graaf van Leicester

1532 - 1588

Intusschen kwam er door den dood van den Prins van Oranje een stilstand in de organisatie van het zee-wezen en de in onze vaderlandsche geschiedenis eerder beruchte dan bekende graaf van Leicester, die ons in naam van de Engelsche koningin te hulp kwam, maar meer kwaad dan goed stichtte, bracht een reorganisatie tot stand, waardoor voor langen tijd een versnippering teweeg werd gebracht, die meermalen noodlottige gevolgen heeft gehad. Hij vestigde nl. drie centrales voor het bestuur van 's lands zeezaken, een te Rotterdam, een te Hoorn en een te Veere, Hieruit mag worden afgeleid, dat onze stad sinds 1586 zetel van de Admiraliteyt op de Maeze is geweest.

admiraalhof

Admiraliteitshof of Zeekantoor van de Admiraliteyt op de Maeze direkt achter de Ooster Oude Hoofdpoort

De Admiraliteyt was niet alleen belast met het bouwen, uitrusten en bemannen van oorlogsbodems, maar zorgde ook voor het innen der in- en uitvoerrechten en het convoieeren van de handelsschepen en was in zekeren zin het centrum van handel en scheepvaart, in zooverre de overheid er officieel bemoeienis mee had. Officieus kon men er bij het personeel terecht, als men bepaalde faciliteiten wilde verwerven.

De Admiraliteyt op de Maeze werd aanvankelijk in het z.g. Prinsenhof gevestigd, het voormalige Agnietenklooster. Rotterdam, de snel opkomende stad, wist haar te behouden, hetgeen een geluk was, omdat ze zeer tot den bloei van den handel bijdroeg. De Admiraliteyt liet den smokkelhandel op de landen van den vijand, voornamelijk België, oogluikend toe en Rotterdam profiteerde daarvan ten zeerste. Terwijl Piet Heyn de Spaansche Zilvervloot veroverde, had zijn vader, kapitein van een koopvaarder, rustig handel met de Spanjaarden gedreven. Vermoedelijk is het Van Oldenbarnevelt, de bekwame raadspensionaris, geweest, die Rotterdam is blijven verdedigen als zetel van de Admiraliteyt van de Maeze.

In 1597 zag Rotterdam zich bij de voorloopige regeling van het zeewezen, die enkele eeuwen zou blijven voortbestaan, als zetel van het voornaamste marine-college van den lande gehandhaafd. Het liet direct een arsenaal bouwen op de plaats, waar later de marinierskazerne zou komen. Op de Hoogstraat verrees een geschutgieterij, terwijl de Admiraliteytswerf, waar de oorlogsschepen gebouwd moesten worden, flink verbeterd en uitgebreid werd. De terreinen van de Admiraliteyt op de Maeze lagen aanbeide kanten van het Haringvliet.

Na den eersten Engelschen oorlog heeft Johan de Witt het arsenaal ofwel tuighuis flink laten vergrooten. Johan de Witt wordt beschouwd als de vader van de Nederlandsche marine. Hij gaf ook den stoot tot de oprichting van het corps mariniers, de "Jongens van Johan de Witt". Dit werd opgericht in 1664, toen de tweede Engelsche oorlog was uitgebroken, en een gedeelte van het corps is direct te Rotterdam in garnizoen gelegd.

Dat deze mariniers niet voor de matrozen onderdeden en Delft in het gelijk stelden, blijkt wel hieruit, dat te hunnen behoeve bij de Oostpoort een galg, een wip en een houten paard werden opgesteld, strafwerktuigen van niet bepaald zachtzinnige allure. Vooral in de gloriedagen van Johan de Witt heeft de Admiraliteyt op de Maeze veel gepresteerd. De beste en grootste oorlogsschepen van de roemrijke Holland-sche vloot werden er gebouwd, o.a. De Ruyters vlaggeschip, de "Zeven Provinciën", en andere bekende schepen, als de "Eendracht", "Ridderschap", "Delft", "Gelderland",, Groot Hollandia" etc.

Niettegenstaande de geweldige krachtsinspanning, door de Admiraliteyt ontplooid, ging ze toch in beteekenis achteruit, doordat het rijkere Amsterdam zich beijverde, om het van Hoorn naar deze stad overgeplaatste college den voorrang te geven.Weliswaar bleef de Admiraliteyt op de Maeze de hoogste in rang, maar het kon toch gebeuren, dat een De Ruyter zich, zooals bij de vlootvoogden te doen gebruikelijk geweest was, niet te Rotterdam vestigde, maar te Amsterdam, niettegenstaande hij de oudste vlootofficier was en Rotterdam er dus eigenlijk recht op had, hem binnen zijn muren te zien. In plaats van De Ruyter kwam Kortenaer hier als vice-admiraal. Beiden werden na korten tijd luitenant-admiraal, maar De Ruyter bleef uiteraard grooter aanzien genieten.

Tot in de dagen van Frederik Hendrik, aldus Dr C. te Lintum in "Rotterdam in den loop der eeuwen", en tot in de dagen van Tromp, die een van Rotterdams populairste burgers werd, had de Admiraliteyt op de Maeze haar voorrang weten te behouden. Wat Tromp aangaat, de Rotterdammers hebben eens bij een Engelsche koopvrouw, die kwaad van hem gesproken had, de ruiten ingegooid, zoo populair was hij hier.

Overigens zijn tal van bekende vaderlandsche namen met haar verbonden. We noemden reeds Kortenaer. Zeer zeker mogen niet vergeten worden Witte de With, de onstuimige, Wassenaar van Obdam en Aert van Nes.

Rotterdam heeft De Ruyter slechts nu en dan binnen zijn muren gezien, o.a. in het laatst van September 1666, toen hij "sieck uitte vloot gebracht werd van de koorts", na den tweeden slag bij Duinkerken. Er zijn echter herhaaldelijk sterke Hollandsche vloten van Rotterdam uit naar zee getrokken, om daar Hollands naam door vriend en vijand te doen eerbiedigen. Heel wat Rotterdammers hebben zich als zeeman of als marinier door de Admiraliteyt laten aanwerven. Het Burgerweeshuis is een poos overvuld geweest met de weeskinderen van Rotterdamsche zeelieden, die in den tweeden Engelschen oorlog gesneuveld waren.


pieterpauluspt

Raad en Advocaat-Fiscaal bij de Admiraliteit op de Maze

Pieter Paulus

1753 - 1796

Aad voegt er aan toe :

Op een terrein aan het Boerengat was de scheepswerf (Tuighuis) van de Admiraliteyt op de Maeze gevestigd, na een brand herbouwd en herdoopt tot Rijkswerf, tot de komst van de spoorwegen.

boerengatadm

De scheepswerf van de Admiraliteyt op de Maeze aan het Boerengat

Aanvankelijk werd het Maasstation gepland op de plaats van de Ooster Oude Hoofdpoort die alvast werd afgebroken (zie de laatste link), de plannen wijzigden zich, want het Maasstation kwam op het terrein van de Rijkswerf..........

In het Arsenaal van de Admiraliteyt op de Maeze aan het Oostplein werden vanaf 1869 de Mariniers ondergebracht tot 14 mei 1940.

spinolaprent

Ambrosio Spinola

1569 - 1630

van 1603 - 1628 bevelhebber van het Spaanse leger in Vlaanderen

De Spaanse Kade dankt haar naam trouwens aan de doorreis van de Spaanse markies Ambrosio Spinola (1569-1630). Spinola werd op 31 januari 1608 met een groot gevolg en met andere onderhandelaars over het 12-jarige bestand in de 80-jarige oorlog, op doorreis van Dordrecht naar Den Haag door het Rotterdamse stadsbestuur plechtig ontvangen en ingehaald. Hij kwam over het ijs en zette op het Hoofd of Oude Hoofd het eerst voet aan wal. Dit gedeelte van het Oude Hoofd werd vanaf omstreeks 1637 Spaansekade genoemd.

mauritsspinola

Met 190 ijssleden kwam Spinola via bevroren rivieren naar Dordrecht
Op 6 februari 1608 werd Spinola (rechts), reizend in 8 koetsen, in Rijswijk bij de Hoornbrug ontvangen door Maurits (links)

Aan de doorreis van Spinola dankte Rotterdam het huis met de mooie naam "De Gecroonde Spinola" op de hoek van de Spaansche Kade

spinolahuisje

spinolahuisjekleur

De Roobrug over de Nieuwe Haven en de Spaansche Kade met het huis 'De Gecroonde Spinola'

Van Jeroen van Dael ontvingen we deze fraaie prent van een olieverf schilderij waarop het Spinolahuisje a.d. Spaansekade Rotterdam door J.G. Smits staat afgebeeld

spinolahuisjespaansekadejgsmits

Ook nog wat informatie over de hoeveelheden hout die nodig waren voor al die grote houten schepen:

Het hout voor de schepen van de Republiek kwam uit Duitsland en Noorwegen. Het hout uit Noorwegen kwam uit Maerdö en Flekkerö of zoals de toenmalige schippers zeiden 'Mardou en Vlekkeren'.

De vraag naar hout moet reusachtig zijn geweest. 2000 eikenbomen van meer dan 100 jaar oud waren nodig om een linieschip van zeventig vuurmonden te kunnen bouwen.

De Republiek was al snel zo goed als ontbost, dus import was noodzakelijk. Boomstammen werden via speciale luiken ingeladen en geruild tegen laken, wijn, tabak of aangekocht, waarbij 'dry boter­vaetjes vol rijcxdaelders' wonderen deden. Gemiddeld sleepten deze Noordvaar­ders 250 miljoen kilogram per jaar aan.

De meeste boomstammen gingen naar Amsterdam, waar de grote veilingplaats voor ongezaagd hout was. Vlakbij, in de Zaan, ontstond sinds 1595 de kern van de scheepsbouw. Cornelis Corneliszn, afkomstig uit Uitgeest, had hier in 1595 de door hem uitgevonden houtzaagmolen in gebruik gesteld. Spoedig groei­de het aantal houtzaagmolens in de Republiek uit tot 250.

Over de organisatie van al die verschillende Admiraliteitskamers in de Republiek kan nog het volgende worden samengevat:

Een aantal verschillende havens waren uitgekozen als vestiging voor de beide handelscompagnieën (VOC en WIC) en als zetel van de admiraliteit.

In de late Middeleeuwen hadden de Habsburgers voor de gehele marine van Holland, Zeeland en Vlaan­deren één admiraliteit op het oog, namelijk in Veere, maar toen de Opstand een­maal was uitgebroken, kwam deze er niet.

Het vlootbestuur werd gedecentrali­seerd in maar liefst vijf havens: Rotterdam, Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen (dit roteerde... ), Middelburg en Dokkum (na 1645 Harlingen). Op één kamer in Middelburg na waren de handelscompagnieën wel alle in Holland gevestigd, na­melijk in Delft, Rotterdam, Enkhuizen, Hoorn en Amsterdam. De inzet van het vlootwapen was uiteraard een zaak van de Staten-Generaal in Den Haag.

Door de groei van de scheepvaart en door de toenemende omvang van de zee­schepen werden de middeleeuwse havens spoedig te klein. Groot is dan ook het aantal havenuitbreidingen in Zeeland, de Maasmond en het Zuiderzeegebied.

Tussen 1560 en 1588 werden acht havens vergroot; tussen 1588 en 1625 tweeën­twintig en tussen 1626 en 1646 nogmaals acht havens.

Een groot deel hiervan lag aan de monding van een grote rivier, maar aangezien geen enkele riviermonding een diepgang had van meer dan tien voet konden zeeschepen slechts via geulen en alleen met hoogwater hun aanlegplaatsen bereiken.

Over de corruptie valt nog dit te vertellen:

Enkele grotere en kleinere misstanden en schandalen hebben in de jaren 1620 en 1630 tot openbare discussies geleid. Op aansporing van de Staten van Hol­land werd in 1621 de financiële administratie van de admiraliteiten van Rotter­dam en Amsterdam onderzocht. En op 26 september 1626 konden Haagse toeschouwers op straat genieten van de aanblik van vier admiraliteitsraden, de advocaat-fiscaal en de vendumeester van Rotterdam, die twee aan twee vastge­bonden uit de Gevangenpoort naar de rechtszaal werden overgebracht om hun vonnis te horen.
Hun straffen liepen uiteen van levenslange opsluiting tot ge­vangenisstraf van enkele jaren of verbanning. De geldboetes lagen tussen 14.000 en 74.000 gulden, maar werden later verlaagd.

Geruchten over allerhande vreemde praktijken hadden al enige tijd de ronde gedaan en ten slotte hadden de Staten-Generaal in 1625 een officieel gerechtelijk onderzoek doen instellen. De zaak was zo geheim mogelijk gehouden en in de resoluties van de admiraliteits­raad van de Maze wordt er geen melding van gemaakt. De zes veroordeelden, bijna allen behorende tot de regentenstand, hadden zich aan een groot aantal vergrijpen schuldig gemaakt en wel fraude en verduistering van de ergste soort. Zij hadden, met medeweten van sommige personeelsleden, rekeningen voor niet-gemaakte uitgaven opgesteld, goedgekeurd en vervolgens zelf geïnd. Met name op de werf en in het kantoor voor de inning van de convooien en licen­ten waren talloze malversaties gepleegd. Veel belastende documenten hadden de heren tijdig verbrand.

Kort na het proces hekelde Joost van den Vondel (1587 - ­1679) in zijn gedicht de Roskam (1628) het gedrag van de bestuurders als volgt:



Als voorbeeld de Schiedammer (...) Joost Adriaansz van Coulster. Joost Adriaansz van Coulster was van lage komaf, maar na zijn verhuizing van Schiedam naar Rotterdam maakte Joost Adriaansz van Coulster een snelle sprong omhoog op de maatschappelijke ladder. Eerst voer Joost Adriaansz van Coulster als koopvaardijschipper, ontplooide hij allerlei handelsactiviteiten en zette Joost Adriaansz van Coulster de bierbrouwerij ' De Oranjeboom' op.

In 1624 trad Joost Adriaansz van Coulster toe tot de vroedschap en werd hij tot schepen geko­zen. Het jaar daarop verruilde Joost Adriaansz van Coulster het stadhuis voor het Prinsenhof en in de vol­gende vijfentwintig jaar zou hij tussen beide gebouwen heen en weer blijven gaan. Van het admiraliteitsbestuur was Joost Adriaansz van Coulster lid in 1625-1628, 1631-1634, 1640 - ­1643 en in 1649 en burgemeester was hij meestal in de tussenliggende jaren: 1629, 1630, 1635, 1636, 1645 en 1646. Daarnaast bekleedde Joost Adriaansz van Coulster enkele kleinere functies. Van Coulster woonde op stand midden in het havenkwartier en zette zijn rederij en andere zakelijke bezigheden naast zijn bestuurlijke functies ge­woon voort. Eind 1625 volgde hij zijn stadgenoot Jan Jansz Kalff in de admira­liteit op, die in oktober was overleden, juist op tijd om de gevangenschap en de veroordeling te ontlopen die zijn vier naaste collega's zouden ondergaan. Kalff had ook tot de verdachten behoord.

Van Coulster werd in 1625 direct belast met het onderzoek binnen de admi­raliteit naar de fÎaude en andere verkeerde praktijken. Het bracht hem weldra zelf in grote problemen, want zijn brouwerij met alle toebehoren, met inbegrip van het graan, brandde tot de grond toe af. De schade werd op zeventigduizend gulden geschat. Men vermoedde dat de brand was aangestoken door 'vrunden van de­zelve gecondemneerde raeden tot een revenge gepleeght'. Op voorspraak van Frederik Hendrik en de stad Rotterdam en ook 'ten reguarde van de beswaer­lijcke huyshoudinge van thien kinderen' werd in 1627 door de Staten van Hol­land aan Joost Adriaansz van Coulster vrijdom van alle imposten gegeven op alles wat met de herbouw van de brouwerij te maken had en wel voor drie jaar achtereen.

Over de nu niet meer voor te stellen grootte van de Staatse Vloot halen we even dit citaat uit ons Armada verhaal erbij:






We kregen de volgende reaktie:

Bij dit stukje over de Admiraliteit aan den Maeze ontbreekt een foto van het tuighuis!

Het is wel in de verte te zien op de onderste aquarel van Gerrit Groenewegen maar er is ook een foto van, de bovenste prent.

Er is overigens nog een aquarel van de heer Groenewegen waarop het tuighuis en de scheepswerven goed te zien zijn, zie de middelste prent.

Bedankt voor het plezier wat ik beleef aan uw website.

Rein van der Veer

tuighuisrijksentrepotrms

Het voormalige Tuighuis
op de foto, vlak voor de fatale brand gemaakt, deed het dienst als Rijksentrepot,
niet te verwarren met wat in dit verhaal staat

groenewegtuighuis

groenewegtuighuis2




We kregen de volgende vraag van Roland van Witteveen:

Ik heb met genoegen uw verhaal over de admiraliteiten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gelezen.
Op en bij de tegenwoordige grens van N.Brabant en België staan nog een aantal grenspalen uit 1662.

Op onze site hebben we ook dit verhaal:

De geschiedenis van de grens van Nederland

Een foto gaat hierbij:

Kunt u mij misschien vertellen wat de betekenis is van de drie P's die op het wapen zijn afgebeeld?

grenspaal

DOUANEPAAL

Van de Admiraliteit van de Maze uit 1662

hier langs de weg Budel - Hamont / Achel vond

heffing van convooien en licenten plaats

We gaan ons best doen om dat uit te zoeken en dus gaan we wat hulp zoeken en hopelijk vinden via het Historisch Museum van Rotterdam.

Citaat uit ons verhaal over de geschiedenis van de grens van Nederland:






We kregen ook de volgende reaktie:

Met belangstelling heb ik uw website over de Admiraliteit Op de Maze gelezen. Ik ben zelf bezig met een ‘studie’ van de admiraliteiten.

Is het iedereen bekend dat Rotterdam weer over een admiraliteits werf beschikt waar een linieschip wordt herbouwd t.w. De Delft ?

De werf bevind zich aan de Schiehaven, verdere info op

http://www.dedelft.nl

Henk Bras




onsrdamlogo

www.onsrotterdam.nl

Jaargang 29, (4), 2007

En dan verschijnt er een geweldig artikel geschreven door Jacq van der Meer, gepubliceerd in Ons Rotterdam (29e Jaargang, No 4, 2007) ook over

De Admiraliteit op de Maze

wat wij, met toestemming van Jacq, hieronder integraal mogen weergeven, waarvoor onze grote dank:

Vele aspekten in het onderstaande verhaal zijn ook geheel of gedeeltelijk terug te vinden op deze site:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Den Briel / Leiden en klik op ENTER

Sommige dingen gebeuren soms per ongeluk. Nadat in het begin van de opstand tegen Spanje ter land bij Heiligerlee en op de Mookerhei zware nederlagen waren geleden, namen de Watergeuzen in 1572 min of meer bij toeval Den Briel in. Veel steden in Holland kozen daarna de zijde van de Prins, onder meer (zij het na enige aarzeling) Rotterdam. Toen de Prins en de Staten in 1574 in Rotterdam waren in verband met pogingen tot ontzet van Leiden, werd een begin gemaakt met het organiseren van de verdediging van Holland te water. Teneinde Leiden te ontzetten werd bijna geheel Zuid Holland onder water gezet, onder meer door het doorsteken van de Schielandse Hoge Zeedijk. Een vloot, uitgerust door de equipagemeester Nicolaas Joostenz. de Bye vertrok onder bevel van Louis de Boisot in september vanuit Rotterdam naar Leiden, waarna de Spanjaarden in oktober het beleg opbraken.

In 1575 zetten de Spanjaarden een tegenoffensief in, waarbij Oudewater, Schoonhoven en de schans bij Krimpen door hen werden veroverd, zodat Rotterdam ernstig gevaar begon te lopen. Rotterdam was in feite de spil van het verzet tegen Spanje en moest tot iedere prijs voor de prins behouden blijven. De stad lag zowel strategisch als economisch zeer gunstig aan de waterwegen naar zee en had bovendien een infrastructuur die het mogelijk maakte om oorlogsschepen te bouwen en uit te rusten.
Teneinde te voorkomen dat de Spanjaarden over water Rotterdam zouden aanvallen werd in 1575 een Admiraliteitscollege opgericht. De Gedeputeerden van de zaken der Admiraliteit vestigden zich te Rotterdam en de ontvanger aldaar trad op als Ontvanger-generaal der Admiraliteit. De Vroedschap van Rotterdam besloot in 1588 de brouwerij van het voormalige St. Agnietenklooster (het Grauwezusterhuis) aan de Admiraliteit te verhuren 'tot beter gerieff van heur geschut'. Het bestaan van deze admiraliteit is kortstondig geweest. Reeds in 1579 ontstonden er financiële problemen die tot opheffing van de Admiraliteit leidde.

Het duurde tot 1581, eer er een landelijke reorganisatie tot stand kwam waarbij een Admiraliteit te Rotterdam gevestigd bleef.
Er kwam een instructie tot stand, waarbij onder andere de aanstelling van kapiteins,de beveiliging van de zee en de rivieren, inning der konvooien en licenten en jurisdictie in buit- en prijszaken werden geregeld.
Al spoedig bleken de Staten die te Delft vergaderden, aan deze stad de voorkeur gaven voor de vestiging van de Admiraliteit, maar Delft bedankte vriendelijk voor de eer. Het idee van ruw, dronken en slecht betaald scheepsvolk, dat, wanneer het loon weer eens te laat werd betaald zou kunnen gaan muiten, was een te groot schrikbeeld. Ook was de ligging van Delft ten opzichte van de grote rivieren niet optimaal.

Enkele jaren later, in 1585 werd de toestand bestendigd. Er kwam nu een provinciale Raad van Admiraliteit die bestond uit de admiraal en zes gedeputeerden van de steden. De voornaamste taak was prins Maurits bij te staan, teneinde een zo groot mogelijk tegenwicht te bieden ten opzichte van de positie van Robert Dudley, graaf van Leicester, die door de Britse koningin Elisabeth naar Nederland was gestuurd om, na de dood van Oranje, leiding te geven aan de opstand tegen Spanje.

leicester

Robert Dudley

Graaf van Leicester

1532 - 1588

De verovering van de Nederlanden zou de Spaanse vloot immers in staat stellen vandaar uit Engeland aan te vallen. Dat de nood hoog was moge blijken uit het feit dat Engeland een leger(tje) van slechts 5000 man stuurde onder conditie dat te Den Briel, Vlissingen en Fort Rammekens een sterk Brits garnizoen zou komen en dat de graaf van Leicester hier gouverneur zou worden, in wezen souverein. De regentenklasse wist door een aantal politieke manoeuvres te bewerkstelligen dat Leicester in de praktijk weinig of niets te vertellen had. Desondanks reorganiseerde deze in 1586 de admiraliteit zodanig dat er drie Admiraliteiten kwamen en wel te Veere, Rotterdam en Hoorn, onder toezicht van de Raad van State.

De Rotterdamse Admiraliteit, voluit het


geheten hield haar vergaderingen in het Prinsenhof aan de Botersloot.

prinsenhof

1574

Het Prinsenhof van Rotterdam

waar tijdens het Beleg van Leiden, Willem van Oranje verbleef

Tot overmaat van ramp werd Willem van Oranje ernstig ziek en werd verpleegd in de Doelen:

LINK

We dienen hier te beseffen dat er geen strikte scheiding bestond tussen koopvaardij- en oorlogsschepen. Onder een Admiraliteit ressorteerden dus een groot aantal kantoren die zich met zaken bemoeiden die onder de koopvaardij vielen, zoals bijvoorbeeld het innen van rechten, de uitgave van paspoorten, en registratie van alle goederen die werden in- en uitgevoerd.

Tegen het einde van de zestiende eeuw had alleen de Admiraliteit op de Maze het toezicht over niet minder dan 53 van dergelijke kantoren. De geïnde gelden werden aangewend ter bescherming van de koopvaardij- en oorlogsvloot.

De toestand zoals die in 1586 was ontstaan, scheen toch niet ideaal te zijn, want er volgden diverse reorganisaties, bedoeld om de samenwerking met de andere admiraliteiten te bevorderen. In 1593 kwam de leiding van het krijgswezen te water te berusten bij de Raad van State en de admiraal-generaal. In 1597 werd de definitieve structuur van de admiraliteiten door de Staten Generaal vastgesteld. We kenden toen vijf admiraliteiten: de van de Maas, van Amsterdam, van Zeeland, van Friesland en het Noorderkwartier.

De reorganisatie van 1593 hield in dat Prins Maurits werd belast met de leiding van alles wat de scheepvaart en de oorlog ter zee betrof. Tot aan de opheffing van de admiraliteiten in 1795 bleef de structuur van 1597 gehandhaafd.

Welke invloed heeft de Admiraliteit op het Rotterdam van die dagen gehad? Om te beginnen had men veel mensen nodig: voor de bemanning van de vloot, voor de scheepswerven, voor de administratie (53 kantoren!) en waar volk is, is er handel. Verder was, zoals eerder vermeld de oudste admiraliteit gevestigd in het voormalige Agnietenklooster aan de Botersloot. Behalve over een artilleriehuis beschikte men daar ook over een gevangenis, gezien het niveau van de scheepsbemanningen wellicht geen overbodige luxe.

Na de sloop van het Prinsenhof was men in begonnen met de bouw van het Arsenaal aan de noordoosthoek van de Nieuwe Haven. Dit gebouw deed dienst tot 1660, waarna het werd gesloopt en er op dezelfde plaats een nieuw kantoor der Admiraliteit verrees. Het moet worden gezegd dat dit gebouw iets van de luister der Admiraliteit uitstraalde. Boven de hoofdingang was een fronton met twee gekruiste ankers met daarin drie P's, de afkorting van het motto: Pugno Pro Patria: ik strijd voor het vaderland. Evenals het gebouw aan het Prinsenhof werd ook dit gebouw de Admiraliteitshof genoemd. Het werd in 1844 afgebroken.

In 1662 verrees een tweede Arsenaal tegenover de Oostpoort.

Op de Hoogstraat kwam te midden van woonhuizen een geschutgieterij, want zaken zoals woongenot en milieuvervuiling stonden nog niet hoog op de agenda.

oostplmarinierskaz

De Marinierskazerne aan het Oostplein

LINK

Het tweede arsenaal werd in 1701 voor een deel door brand verwoest, waarna herbouw volgde. Toen het complex aan het eind van de achttiende eeuw aan vernieuwing toe was, werd de architect Giudici in de arm genomen, die in 1783 de modernisering ter hand nam. In dit geval kunnen we rustig over herbouw spreken.

Geen vloot kan zonder scheepswerven en in Rotterdam kwam er dus aan het einde van de zestiende eeuw aan het oosteinde van de Nieuwe Haven een werf, waar de schepen voor 's Lands vloot werden gebouwd. Toen de Nieuwe Haven werd doorgegraven naar het Buizengat moest de werf worden verplaatst, en na 1689 was de werf gelegen aan de zuidzijde van het Buizengat. En daar werden oorlogsbodems gebouwd waarvan de namen ook vandaag de dag nog bekend in de oren klinken. De beroemdste, de 'Zeven Provinciën', maar ook de 'Eendracht' en de 'Ridderschap' verwierven zich roem in de vele oorlogen ter zee.

Uiteraard beschikte de Admiraliteit ook over een eigen lijnbaan, die even buiten de Oostpoort van 1697 tot 1847 dienst heeft gedaan.

Zoals reeds vermeld betekende 1795 het einde van de Admiraliteiten. Er was in de Republiek een jarenlange discussie geweest tussen de landprovincies die vooral een sterk leger wilden en de zeeprovincies die aan een leger weinig boodschap hadden en een zo sterk mogelijke vloot wensten.

Wat men dan kan verwachten gebeurde ook: zowel op het leger als op de vloot werd bezuinigd zodat in 1795 de grote dagen van Tromp en de Ruyter voorgoed voorbij waren. Toen in 1781 tijdens de Vierde Engelse zeeoorlog admiraal Zoutman bij een onbetekenend treffen met de Engelse admiraal Parker de overwinning claimde, was dit aanleiding tot een bijna hysterisch eerbetoon. Weliswaar was men na 1771 begonnen de sterkte van de vloot op te voeren, maar het bleek in de praktijk moeilijk deze vloot met deskundige manschappen en vooral deskundig kader te bemannen.
In 1797 kregen we hiervoor de rekening gepresenteerd toen een waarlijk niet zwak Nederlands vlooteskader onder admiraal De Winter bij Kamperduin door een Engelse vloot onder admiraal Duncan vakkundig in de pan werd gehakt. Het klinkt ongelooflijk, maar pas drie dagen voor de slag was door de Nederlandse bevelhebber en diens kapiteins geoefend op het varen in kiellinie...

Keren we echter terug naar roemrijker tijden voor de Admiraliteit op de Maze. Na admiraal Michiel de Ruyter, de eerste man van de Amsterdamse admiraliteit, was Witte de With namens de Rotterdamse admiraliteit vice-admiraal. Nadat deze in 1659 was gesneuveld werd hij als zodanig opgevolgd door Kortenaer.

Helaas kent de geschiedenis van de Admiraliteit op de Maze ook enkele negatieve feiten. In 1626 werd in Den Haag een proces gevoerd tegen enkele leidende figuren van de Admiraliteit. De regentenklasse had zich gaandeweg in de leiding van de Admiraliteit genesteld en had, onder meer door valse declaraties, zichzelf verrijkt. De straffen waren niet mals, gevangenisstraffen tot levenslang en (voor die dagen) enorme geldboetes.

Toen op 30 juli 1855 de NRS-spoorweg vanuit Utrecht Rotterdam bereikte, had de Marine in Rotterdam niet veel meer te zoeken, afgesneden van de rivier door de spoorweg langs de Maas. Bovendien vergde het al veel geduld om vanuit Rotterdam de open zee te bereiken, zodat de Marine noodgedwongen naar Hellevoetsluis verhuisde. Op het terrein van de voormalige marinewerf kwam een entrepot, waarmee in feite de laatste banden tussen Rotterdam en de Marine werden doorgesneden. Alleen het Korps Mariniers hield Rotterdam als thuisbasis.

Eerst na 1945 kwam een ander stukje Marine naar Rotterdam, toen de onderzeedienst intrek nam in de door de Duitsers gebouwde snelbootbasis aan de Waalhaven. Dit duurde tot 1961, in welk jaar de nieuwe onderzeebootbasis in Den Helder gereed was en de duikboten zich aldaar bij de rest van de vloot voegden.
Alleen het Korps Mariniers herinnert vandaag de dag aan het verleden als Rotterdam-Marinestad.





Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

5 Maart 2008