Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

Han Nijgh (1873 - 1948), hoofdredacteur van de NRC

Geschreven in 1949

De eerste der beide sprekers bij de teraardebestelling van H. Nijgh, die op de begraafplaats Crooswijk te Rotterdam plaats vond en die naar de wens van de gestorvene in alle eenvoud geschiedde - vergeleek de figuur van de man, die 32 jaar lang directeur der Vennootschap De Nieuwe Rotterdamse Courant was geweest, bij wijze van contrast met die van Koning Joram uit het Oude Testament, die "heenging zonder begeerd te zijn". Mensen als deze Joram worden niet begeerd. Zij worden zelfs niet versmaad. Zij zijn als degenen, wier dolende zielen de Italiaanse dichter Dante aantreft in het voorportaal der hel: de lieden "zonder lof of blaam".
De dode zielen, die nooit geleefd hebben en die daarom ook niet sterven kunnen zoals een levend mens sterft. Die zelfs de hel weigert, want de bozen daar zouden naast hen enige glorie ontvangen, en die gedoemd zijn eeuwig zinloos voortgejaagd te worden in een door hen zelve geschapen leegheid. H. Nijgh ging niet heen zonder begeerd te zijn: kleurloos, leeg, anoniem.

Hij heeft geleefd. Zijn eigen leven naar de aard van zijn eigen persoonlijkheid. Deze man leefde zo spontaan, zo onmiddellijk uit het centrum van zijn persoonlijkheid, dat men zich niet kan voorstellen, hoe het anders met Nijgh had kunnen zijn. Hij reageerde instinctief, prompt; soms merkwaardig lucide, soms kinderlijk naief, maar altijd als "Nijgh".

Door zijn eigen tempo meegesleept, kon hij geweldig uitvallen, rauw en soms kwetsend en onbillijk, om even later de man tegen wie het ging hartelijk op de schouders te kloppen of een vriendelijkheid aan te doen, want rancuneus kon hij niet zijn.
Daarvoor reageerde hij in alles te primair. En ieder die maar een paar minuten in zijn gezelschap verkeerde, moest de indruk krijgen hoe hij tegenover een bundel energieën stond van merkwaardige vitaliteit, welke laatste wel een uitlaat moest vinden.
En die vond óók. In de sport, als hij in zijn jonge jaren, in de dagen van Feith en Engelberts en Adrian, zich wijdde aan de wielersport, of, later, als automobilist en jager.

In zijn arbeid voor het Nederlandse perswezen en de NRC in het bijzonder. In zijn vele commissariaten van allerlei ondernemingen. In zijn kunstliefde en kunstbescherming. En ook in de gulle wijze, waarop hij anderen - want dan was hem geen moeite teveel - verraste met een aardige attentie of mede liet aanzitten aan die levensdis, die voor hem zo rijkelijk gedekt scheen.

Natuurlijk leeft "Han Nijgh" in Rotterdam in de eerste plaats voort als directeur van de NRC De krant van Nijgh, werd deze wel genoemd, hoewel volkomen ten onrechte, want bevoegdheden van directie en hoofdredactie waren zo streng mogelijk gescheiden.

Daar op de NRC kon men hem vinden - als geen andere besognes hem elders riepen; dikwijls tot diep in de nacht, het forse lichaam met de kop die aan die van een Japanse oorlogsgod deed denken, breeduit in zijn stoel vóór zijn bureau in de directeurskamer. Daar werden de technische en commerciële belangen van de krant besproken, terwijl hij dan meestal, het hoofd naar het raam gewend, quasi achteloos luisterde om even later een belangrijke beslissing te nemen of een gevat antwoord te geven, zoals die medewerker moest incasseren, die er zich tegenover hem op beriep, dat noodlijdende bladen hem beter betaalden dan de NRC en te horen kreeg: Daarvoor zijn ze ook noodlijdend

Op die plek, wel eens schertsend de grot van Han genoemd, ontving hij een ieder. Want hij had een warm hart voor de krant, waaraan zijn naam historisch was verbonden en die hij om loffelijke redenen van persoonlijke eerzucht mede op peil wilde houden.

Die warmte straalde ook uit over het technische personeel, waarvoor hij een zwak had en over de redactie, zijn "staf" zoals hij haar noemde, waarvoor hij respect koesterde, wat hij ook niet voor de buitenwereld verzweeg. Dat gevoel van verbondenheid met de krant verliet hem nooit, zelf niet in zijn laatste dagen, toen hij nog maar een schaduw was van wat hij was geweest.

Eens kwam hij toen te vallen vóór het gebouw van de NRC Een medelijdende voorbijganger haastte zich om hem op te helpen. Het eerste wat Nijgh hem vroeg was: Ben je ook van de krant? En toen de man verbaasd, nee zei, kreeg hij te horen: Nou, waar bemoei je je dan mee?

Bovendien stak in Nijgh zelf een "journalist" maar, o, die Nederlandse taal! en dus kon hij het werk van een goed journalist waarderen en hoogachten. Aan één ding had hij een hardgrondige hekel: aan vleierij. Hij kon zelf best wat hebben en vergaf gauw; maar strooplikkerij bleef hem een gruwel. Evenals alle kleinzielige achterbaksheid en gekuip.

Intussen: makkelijk heeft hij het niet gehad in zijn directoraat. Hij voerde dat "tussen twee oorlogen". De wereldgeschiedenis ging met schokken en in grote beroeringen. De in zevenmijlslaarzen voortschrijdende techniek oefende een revolutionerende invloed op de pers. Oude gebruiken, voorstellingen, ideeën en dogmata op geestelijk en sociaal gebied werden doorbroken. Die schokken moest Nijgh in zijn technische en commerciële leiding opvangen en verwerken. Dat heeft hij gedaan naar zijn beste weten en kunnen, met een open oog voor de eisen van een nieuwe tijd, nooit het oude verdedigend alleen omdat het oud was.

Zorgen, zware zorgen heeft hij gekend, met name het aanbreken der crisisjaren, maar met zijn niet te blussen vitaliteit en organisatorische gaven heeft hij gestreden voor het heil van zijn krant. Diezelfde gaven maakten hem tot een leidende persoonlijkheid in de Vereniging van dagbladdirecteuren en deden het Algemeen Nederlands Persbureau tot stand komen, voornamelijk Nijgh's schepping en een brok arbeid van belang.

Rotterdam en Nijgh blijven in één adem genoemd. Hier woonde en arbeidde hij. Hier werkte hij ook voor het algemeen belang als voorzitter van De Rotterdamse Ambachtsschool, als penningmeester van het Algemeen verbond van verenigingen voor veilig verkeer, als voorzitter van de afdeling Rotterdam van het Nederlandsen Kunstverbond.
Hier maakte hij van zijn fraai huis aan de Westersingel een kunstmuseum, hier leefde zijn voorgeslacht en werd hij met zijn robuuste bezige gestalte een bekende figuur in het stadsbeeld.

Is al dit bovenstaande nu H. Nijgh? Zo min een gedetermineerde bloem de levende bloem gebleven is. Toen H. Nijgh werd begraven, was de aula vol belangstellenden, mensen van allerlei rang en stand, in allerlei kwaliteit daar aanwezig. Hij ging niet heen „zonder begeerd te zijn", en dat was, omdat hij méér was dan krantendirecteur of bekend Rotterdammer of kunstverzamelaar of hartelijk gastheer. Dat was, omdat er ook een mens Nijgh was met al zijn tekortkomingen en gebreken, maar met een menselijk hart, dat leefde en daarom altijd weer bekoorde. Dit rusteloze hart heeft nu zijn rust gevonden. Het zij in vrede.





Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

25 Juli 2003