Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

Cornelis Borghart, DE kapper van Rotterdam (1858 - 1945)

Geschreven in 1946

Elke maatschappelijke groep heeft behoefte aan een trefpunt. De cadetten van Gascogne vonden dit in het eethuis van den pasteibakker Ragueneau, de handels- en scheepvaartwereld van het tot as geworden.
Rotterdam van de vorige generatie schiep zich middelpunten in de kapsalons rond het beursgebouw van Ridder van der Werff. Niemand wordt te kort gedaan als onder de exploitanten van deze zaken de erepalm wordt uitgereikt aan den ouden heer Borghart.

De oude heer... dat was hij reeds in de eerste jaren van deze eeuw, klein, fijn en grijs, gesierd door een gesoigneerd markiezen-baardje, het hoofd vaak gedekt door een stemmig kalotje, de speelse gouden lorgnet dragend aan een simpel-zwart koordje, imponerend in zijn bescheidenheid, natuurlijke vrucht van de distinctie, welke hij medebracht uit de vervlogen eeuw, uit de jaren, toen Rotterdam snel opwaarts steeg langs de scala der wereldsteden.

gerzon1954

wel al in 1954....

Van 1887 tot 1900 recipieerde hij op Noordblaak 45 en toen Gerzon hem daar had verjaagd bij den intocht in onze Maasstad van dezen Amsterdamsen grote onder de winkeliers, verlegde hij zijn "salon" - benaming dit brandpunt van gezelschapsleven waardig - naar Zuidblaak 16, op een etage.

Hoeveel scheen zulk een ligging niet tegen te hebben: na den ingang met het lokkende kappersembleem volgde een donkere trap met tochtdeur, dan, boven, een draai terug door de gang naar "de zaak".

Doch velen getroostten zich gaarne die anabasis. Een kamer aan den Blaakkant met vrij uitzicht op het schoonste wat het oude Rotterdam kon bieden, het volle leven van de Blaak, bevatte de gewone inrichting, tot de bordjes toe, waarop het knippen op Zaterdag werd uitgesloten.

Overal waar maar plaats was stonden de grote mahoniehouten ladenkasten, rijkelijk voorzien met keurige emaille bordjes, waarop de beste namen van Rotterdam, in kwistigen overvloed pÍle-mÍle prijkend, van de standing van deze zaak getuigden.
Wel zelden kon men er binnen treden zonder enige vertegenwoordigers van de bovenste kringen der zakenwereld ook in persoon aan te treffen, al ware het slechts om even een kopje koffie of thee te kunnen gebruiken.

De rustige patroon, drager van een beschaafde conversatie, het tegendeel van de zouteloosheid, welke een boosaardige critiek zijn vak aanwrijft, als het moest ook perfect in vreemde talen, was en bleef daarbij het middelpunt, zakelijk en persoonlijk, hoezeer dan bijgestaan door voortreffelijke assistenten, de "jongens", zoals dat patriarchaal heette, ook al had een Eduard Braun ettelijke reddingen uit het water van de Blaak en een dochter-zwem-phenomeen van Europese vermaardheid op zijn credit staan.

Wie kan terugdenken aan een knippartij op een winternamiddag in dat milieu, onder het zachte suizen der gaslampen en het behaaglijke snorren van de goede oude kachel, hij weet wat de wereld sindsdien heeft verloren aan voornaamheid in eenvoud.

Er kwamen ruwere tijden. Toen werd in Nederland geld verdiend, terwijl de wereld bloedde.
Marx & Co's Bank, geducht in haar nabijheid, meende zich breder te moeten maken en slokte daartoe vele belendende panden op.

De catastrophe van dezen den os imiterenden kikker zou spoedig volgen, doch intussen was Borghart verdreven naar Zuidblaak 10, nu weder in een winkelhuis, waarin eenmaal Coucke Soeurs - waar treft men nog zulk een naam op een winkelpui aan? - hadden gezeteld.

Het was er ruimer, doch de sfeer bleef, omdat dezelfde geest ook daar kenbaar was. Dat was de geest van een man met een rijk gemoed, een eenvoudig waarachtig Christen, een fijn voelenden vriend voor zijn gehele omgeving. Menigeen ondervond de blijken van zijn hartelijk medeleven; velen hebben daarvan hunnerzijds openlijk getuigd bij zijn zakelijke jubilea, vooral op dien mooien dag in 1937, toen de zaak in het goud werd gezet.

's Levens schaduwen begonnen zich toen reeds op den grijsaard te leggen. Twee jaar tevoren was zijn vrouw hem ontvallen, doch zijn, ogenschijnlijk zwakke, gezondheid, hoezeer ook meer dan eens tot aan den drempel van den dood beproefd, hield stand, zelfs toen in 1940 ook zijn levenswerk, uit de dagelijkse leiding waarvan hij zich intussen had teruggetrokken, met zoveel grootsere zaken van den aardbodem werd verdelgd.

In de rust van een knus huisje in een buitenwijk heeft hij het grote drama zich nog bijna geheel zien ontrollen, onwankelbaar overtuigd van 's Heren straffende gerechtigheid en van de herrijzenis van de stad, welker groei en bloei hij van een, zij het verdekten, toch zeer centralen post had medebeleefd.

Toen hij op 17 April 1945 zacht henenging had hij zijn Nebo ongetwijfeld bestegen en met zijn vriendelijken, maar helderen blik het beloofde land ter bevrijding aanschouwd.
Zeker had hij ook niet tehuis gehoord in de nieuwe aera, welke slechts met weemoed kan terugdenken aan den geest, waaruit mannen als Borghart konden leven. Ook als men zich realiseert, hoeveel overigens ontbrak in het tijdvak, waarvan hij een goed en waardig element was.





Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

22 Juli 2003