Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Gastenboek

Naar beneden 

Een lange brief van Cor Bestebreurtje aan zijn broer in Zuid-Afrika over de 5 jaren van WO II in Rotterdam.

Rotterdam 1940-1945, persoonlijke herinneringen

Eind mei 1945 schreef mijn vader, Cor Bestebreurtje (1910-1990) een lange brief aan zijn broer Jaap, die in Zuid-Afrika woonde.
Het is een verslag van de vijf oorlogsjaren, die net achter de rug zijn.
De meest persoonlijke dingen heb ik uit deze versie van de brief gehaald.
Mijn ouders woonden in 1940-1945 in de Sint Agathastraat, vlak achter het Bergwegziekenhuis.
Zelf ben ik in het laatste oorlogsjaar geboren, september 1944.
Natuurlijk ben ik erg benieuwd naar reacties op deze beschrijving van Rotterdam in oorlogstijd.

Rotterdam, Mei 1945

Een tweeden wereldoorlog hebben wij meegemaakt met al zijn gruwelen. Nimmer hebben wij kunnen indenken wat dat wel was. Dat was nu de cultuur van den modernen tijd! Bommen, terreur, angst en honger, concentratiekamp, moord, ja wat niet meer ? Het waren vijf jaren voorbije jaren van enorme spanning. Als wij dezen tijd als toeschouwer hadden kunnen gadeslaan, was hij wellicht interessant, doch nu wij er zoo in betrokken waren, bemerkte je niets interessants. Wij werden in alles eenzijdig voorgelicht met leugen en bedrog. Wij misten vooral het laatste jaar bijkans iedere goede voorlichting van Engelse zijde. Maar wij zijn er doorgekomen. Hoe ? Och we zijn er. Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen. Want werden wij niet gespaard voor al die gruwel, dan . . . ja wat was er dan van ons geworden?

Wij hebben in deze jaren n in het gezin n door den oorlog veel geleerd. Het leven was zoo broos, als een handbreed gesteld. Vaak zaten wij in doodsgevaar, angsten waren rondom ons.

Het is een wonder, dat wij er doorgekomen zijn. Ook met het oog op het voedsel. Geen avond behoefden wij met een ledige maag naar bed. Het neep vaak, doch de uitkomsten waren velen. Dit jaar (1945) waren wij wel genoodzaakt de kinderen van onze familie naar Noord Holland te zenden.

De oorlog overviel ons onverwachts. Als ruwe sluipmoordenaars vielen de Duitschers ons land nu 5 jaar geleden binnen. Nederland sliep. Wij schrokken op van razende vliegtuigen. Ze schoten als gekken. Parachutisten daalden neer op meerdere punten om de stad. Wij wisten eerst niet wat het was. En op dien Vrijdagmorgen waren wij vroeg, heel vroeg uit bed om er dagen niet meer in te gaan. Wat was het? Oorlog! Daaraan twijfelden wij niet. Maar wat en hoe? De radio deelde het mede. Wij waren in oorlog met Duitschland.

Wij, die nog niet wisten wat oorlog was, gingen nog de stad in. Ik naar kantoor, maar ik hoorde al gauw dat er geen verbinding meer was met Rotterdam Zuid. Bij de Maasbruggen werd er zwaar gevochten. Parachutisten waren op de Waalhaven neergedaald. De bezetting daar sliep, of was gemolesteerd, het juiste is nog niet bekend. Op slinksche wijze waren soldaten Rotterdam binnengeloodst in Rijnaken en binnenschepen.

De mariniers vochten als leeuwen terwijl een klein Nederlandsch oorlogsschip, de Jan van Galen, de Waterweg was opgestoomd en de Maas vrij hield van neerdalende watervliegtuigen.

Ik ben nog bij het Nieuwsblad op het Hofplein geweest. Daar stonden de duizenden, niet vermoedend hoe gevaarlijk het was. De Duitsche vliegtuigen vlogen boven onze hoofden en we bleven rustig staan en gaven beschouwingen, die echter allen vol haat tegenover den aanvallenden Mof waren.

Het werd een angst voor het gezin, voor het behoud van al wat je had. Wij dachten in den kelder onder het huis een veilige schuilplaats te vinden. Was je even op straat, dan kon je vaak niet meer tuis komen omdat de straten door Nederlandsche militairen versperd waren. In eigen stad en land waren er elementen, die de militairen in den rug aanvielen.

Nimmer vierden wij Pinksterfeest als den 12den Mei 1940. Het was een sjouwen van zand voor mogelijke brandbommen, het tappen van water voor brandgevaar. En steeds maar was het luchtalarm . luchtgevaar. En boven ons vlogen de mitrailleerende vliegtuigen.

Den geheelen dag hadden wij de radio aan. Gemeld werd: 40 vliegtuigen vliegen van Oost naar West richting Rotterdam, richting Den Haag enz. De radio-omroepers herhaalden steeds het bericht: luister goed naar onze spraak, de berichten, die wij doorgeven zijn juist. Laat U niet benvloeden door andere berichtgeving. De strijd werd met succes gestreden. Bij Delfzijl werden aanvallen afgeslagen ; het bleek later te zijn Delft.

De luchtmacht der moffen lijdt zware verliezen, dat was wel zoo, doch de ronkende motoren bleef je hooren. Nederlandsche jagers deden wat ze konden. Meermalen zagen wij ze: in strijd met de zware Duitsche toestellen en menig vijandelijk toestel werd neergeschoten. Op de Rijksweg tusschen Overschie en Delft lagen er na 5 dagen oorlog een 50 toestellen. Doch hoe ook ..., het ging verkeerd.

Vanzelf liep het fout met de voedselvoorziening. Waterleiding, gas en electriciteit waren - welbewust - gebombardeerd en onklaar geraakt.

Zoo beleefden wij uiterst moeilijke dagen, die zwaarder werden toen het bericht doorkwam, dat de Koningin met de regeering de wijk had genomen naar Engeland. Dat - we gevoelden het - was het einde.
Tot de beruchte Dinsdag kwam, den veertienden Mei een dag om nimmer te vergeten.
En het is vrijwel onmogelijk hieraan een eenigszins juisten indruk te geven. In den morgen was het zeer onrustig. Meer dan de dagen daarvoor luchtalarm. Tegen n uur weer alarm.
Wij zochten dekking in de kelder bij de familie Roodhuizen. In die kelder waar wij dagen en nachten in gebivaceerd hadden. Daar hadden wij voor de kinderen bedden, dekens en eten.
Het dreunde. Bommen vielen. Waar? Niemand durfde te zien. Dan was het ver, dan dichtbij. Spoedig reden door de straat de wagens met de gewonden af en aan en we hoorden dat de gehele stad in brand staat. Bij duizenden vielen de brandbommen neer en op vele plaatsen de brisantbommen. Het werd een gegier van huilende bommen en bijna regelmatig door het loeien van het luchtalarm. Soms gaat het temidden van vallende bommen het signaal veilig. Wij wisten niet meer wat het was. Ook dichtbij vielen de bommen. De deuren sloegen open, een grijze massa van stof viel in de straten neer en een angstig gerinkel van vallend glas. Medoogenloos ging men voort.
En wij wachtten. Met den dood voor oogen. Angstoogen van de kinderen waren op ons gevestigd. Wij zagen ze aan en dachten: zal het einde voor ons allen nabij zijn? Een bom op ons huis en we wisten: het zou de dood beteekenen voor de 30 menschen die in de kelderschuilplaats zaten. Daar werd gebeden in de kelder door hen die nimmer baden. Er was angst bij hen, die wij als nuchtere menschen kenden.
Toen was het: "uit diepten van ellenden roep ik met mond en hart tot U"

Toen leerden wij alles los te laten. Aan ons bezit dachten wij niet. De gedachten aan de familie waren weg. We dachten aan ons zelf, dachten aan den dood, die zoo dichtbij gekomen was. Zou hij ons grijpen?
Het leek een poosje stil. Was het afgeloopen? Enkelen waagden zich op straat.
Hu1p werd er geboden bij het Bergwegziekenhuis. Doch weer kwamen de Junkers aan. Weer dreigde gevaar.
Toen kwam het bericht: het huis van je ouders is getroffen. Het is geheel in elkaar, doch je Vader, zuster en broer zijn er goed afgekomen. En moeder? Ja, dat wist men niet. Ze leefde wel, doch was zeer waarschijnlijk naar een ziekenhuis gebracht. Wat moest ik doen? Positief bevestigden ze mij dat het bericht juist was, en dat, behalve Moeder, de familie in de Gerard Scholtenstraat was. Kon ik mijn vrouw met de kinderen alleen laten? Mocht ik het doen? Maar het was rustig nu. Wel vlogen ze steeds over, doch bommen vielen niet meer neer. Toen besloot ik te gaan zien en ik vond ze zoals men zei.

Spoedig was ik weer terug. Het gevaar leek geweken. Voor goed? Wij wisten het niet.
Het was een chaos van gebroken ruiten. Angstig stonden de menschen aan de deuren te spreken. Een onafgebroken stroom van gewonden kwam aan. Auto's, vrachtwagen, handwagens. Hulp van buitenstaanders was dringend noodig. Op verzoek heb ik ook daar een poosje geholpen. Hoelang weet ik niet, want alle begrip van tijd was weg. Doch de ellende die ik daar heb gezien valt niet te beschrijven. Onherkenbaar waren ze, de mannen en de vrouwen. Leefden ze of waren ze dood? Het was niet te constateeren. De kracht, die je kreeg was enorm. Samen droegen wij een zware man op een brancard een ongelukkige trap op en het ging zonder moeite. Maar ook ons gezin had hulp noodig.
In de Bergschelaan, tusschen Lisstraat en Schiebroekselaan waren bommen gevallen en brandde het als een hel. Onze ruiten waren er ook uit en door den vonkenregen was er toen groot gevaar voor brand. Het bericht kwam: de brand is niet te stuiten, de huizen moeten ontruimd worden. Dat moesten we doen. Een vervoermiddel hadden wij niet. Wij hebben het nog even aangezien. Om te doen wat mogelijk was, heb ik toen met vele honderden geholpen om de brand te bedwingen. Op oud-hollandsche manier gaven wij emmers water door. Doch het baatte niet. Toen kwam mijn broer Siem met een vriend van hem en zeide dat ik bij huis moest zijn. Daar was mijn plaats.
Wij hadden bereidwillig onderdak verleend aan loopende patinten uit het ziekenhuis. Doch ook zij hadden geen blijvende plaats.

Op een kinderwagen stapelden wij zooveel mogelijk kleeren, beddengoed en wat van waarde was op en besloten naar mijn broer - naar Schiebroek - te gaan. Wij sloten ons huis. Tegen tien uur schoven wij temidden van de groote stroom vluchtelingen den weg op naar Hillegersberg en Schiebroek.

Zagen wij achter ons, dan was het Sodom en Gomorra gelijk.Een brandende stand. De avondlucht was roodgekleurd. Niet van een ondergaande zon, doch van een gloeiende vuurzee. Nooit is dit gezicht meer te vergeten.
Wat in die dagen van ons gevraagd werd, is bovenmenschelijk.
Duizenden waren alles kwijt.
En in je oren klonk het luchtalarm, het dreunen van bommen, het instorten van huizen.
De oorlog was ten einde. Hier althans. Duitsche soldaten bezetten de stad en zij vlogen in hun auto's en op hun motorfietsen door de vluchtende menigte en gnuifden als overwinnaars. Overwinnaars? En de haat in onze harten kwam op

Moeilijke dagen zouden volgen. Wij kregen bezetting. Onze regeering was weg. Men kankerde op het heengaan van onze Koningin; men begreep het niet. Het was de Kapitein, die heenging, niet als laatste, doch als eerste. Later zag men dit beter in, doch het deed ons in den eersten tijd niet goed.

En zij, die verraad pleegden, de N.S.B.-ers, gnuifden. Met branie liepen zij door de straten en de wereld scheen van hen.

Onze knechting had een aanvang genomen. Liet men ons aanvankelijk vrij, later zou dit beteekenen: slaaf. Seijs Inquart, de Oostenrijksche landverrader kwam als Rijks Commissaris hier en hield prachtige redevoeringen van: wel bezet, doch verder vrij. Wij tasten Uwe eigen rechten niet aan, doch het bleken woorden, woorden.
Wat dat vrij zijn voor een beteekenis had, bleek aldra. Kranten werden verboden, vereenigingen ontbonden, censuur op alles. De Radio werd een Duitsche spreekbuis.
De krant mocht alleen bestaan wanneer N.S.B.-redacteuren in de redactie werden opgenomen. Vele kranten waren flink, ja ook de Rotterdammer; doch de Standaard gaf toe. Het kostte zeer zeker heel wat abonnees. Ook Colijn onttrok zich aan de Standaard. Het was een begin.

Ook de Radio werd Nationaal Socialistisch. De omroepvereenigingen werden ontbonden. De eigendommen gestolen en we waren verplicht - als we nog luisterden - N.S.B.-programma's aan te hooren: propaganda!!.
Later volgde het inleveren van Radio-toestellen. Enkelen, misschien wel velen waren zoo handig het - met risico - te verbergen. Zij kunnen het thans weer voor den dag halen.

Zoo werden wij van alles ontnomen. Alles ontwricht. Tenslotte hadden wij niets meer.
Fietsen worden gevorderd, auto's evenzoo, de trams gingen naar Duitschland, geen radio, geen krant, geen tijdschrift, geen kerkbode, alles wat het leven vult en veraangenaamt word ons ontnomen. En zoo leefden wij jaren.

De terreur kwam. De een na den ander wordt opgepikt. Vordering op vordering. Tewerkstelling in binnen en buitenland. En, dat is de zwarte bladzijde in ons volksleven, velen gaven vrijwillig gehoor aan een oproep. Men durfde ook geen risico's nemen om aan den druk te ontkomen. Ook trok de verdiensten aan. Maar waarom? Het was toch immers een strijd ook tegen het eigen land? Men werd slaaf.
Wie terug kwam beschreef daar het slavendom, de vreeselijke terreur, de tirannie.

Voor al deze dingen werd ik gespaard. Nooit heb ik een ding gedaan voor de moffen. Wel kreeg ik meerdere malen een oproep, doch kon er onderuit komen.

Wij leerden hier de onderduikers kennen. Dat waren in veel gevallen helden. Nergens zaten ze veilig. Verraad loerde overal. Toch was de alarmdienst voor deze mannen heel goed. We weten het uit Noord-Holland. In een gehucht als Krabbendam zaten er velen, zeker een 20 30 plus (dat hoorden wij later) een aantal joden. Kwamen de moffen, vooral de gevreesde "groene politie", dan was het bericht direct van de eene naar de andere boerderij en de onderduikers waren inderdaad ondergedoken. In greppels, korenvelden, in schuren, in water, net met hun hoofd boven water tusschen riet en de moffen zochten tevergeefs.
Velen hebben onderduikers verraden. Natuurlijk de N.S.B.-ers, maar ook zij die jaloersch waren door afgunst, dat hij wel vrij rondliep en hun man of zoon niet.

Over het geheel genomen hebben de kerken zich moedig gedragen. Maar het resultaat was, dat vele predikanten gevangen genomen en gemarteld werden. Heel wat zijn zoo omgekomen. Zij waren in den waren zin des woord "martelaren".

Tegen het einde der bezetting werd het het ergste. Vanaf November 1944 durfde niemand meer over straat. Toen hebben we een razzia gehad, huis aan huis. Ik was verstopt in een kast bij een buurman. Ze vonden mij gelukkig niet. De bedreiging was: wie zich onttrekt wordt gestraft en het huisraad e.d. wordt verbeurd verklaard. Daarna dagelijks razzia's op straat. Ik was gedwongen binnen te blijven. Afgegeven vrijstellingen hadden geen waarde; het leek er zelfs naar dat het juist de bedoeling had om daardoor weer nieuwe slachtoffers in den val te lokken. Hier is mijn ziekte een uitkomst geweest. Zoo zat er honing aan de roede.

Er was, naar men zeide, een aanslag gepleegd op een trein aan de Binnenrotte. Het resultaat was, dat duizenden een beurt kregen om uren daar wacht te loopen. Een ander maal waren er telefoonlijnen beschadigd. Weer wachtjes kloppen en nog al liefst van 4 uur 's middags tot 11 uur n den avond. Een volgende ploeg weer later.
Iedere aanslag op een Duitscher was aanleiding, dat er tientallen gefusilleerd werden. Het is zelfs zoo erg geweest: de Engelsen wierpen het blad de "Vliegende Hollander " uit. Wie op straat zoo'n blaadje in zijn zak had werd pardoes doodgeschoten. Zoo durfden wij dit bericht niet meer te lezen noch door te geven.
Toch staan wij ervan versteld, wat er nog gedaan werd. De ondergrondse strijders hebben heldenwerk geleverd. Prachtige verhalen zijn daarvan in omloop. Niet allen kan ik noemen, dan wordt de brief veel te lang. Veel registers van de bevolking werden leeggehaald. Distributiekantoren "geplunderd" ten behoeve van de onderduikers. Uit politiebureaus worden politieke gevangenen bevrijd, uit kampen enz.
Zoo verscheen er voor de gevangenis aan den Noordsingel een Duitsche auto. Daaruit stapten Duitsche soldaten drongen binnen en zij bevrijdden een 50 gevangenen, waarbij er waren, die den anderen dag zouden worden gefusilleerd. Dat waren heldenstaaltjes. Zoo hebben ze ook velen bevrijd uit het hoofdbureau van politie aan het Haagsche Veer. Daar zaten de gevangen onder toezicht van de Groene- en N.S.B.-agenten. Wel was het resultaat voor anderen bedroevend. Zoo vonden als represaille een twintigtal burgers op den Coolsingel den dood. Hun lijken moesten daar als afschuwelijk voorbeeld een dag ten toon liggen. Vreeselijk.

De ondergrondsche pers hield ons van binnen en buitenlands nieuws volledig op de hoogte.
Het was vanzelf een riskant werkje, doch men durfde het aan. En werd de bron ontdekt, dan kwam het een anderen dag van een nieuwe bron.
Vanzelf heeft deze terreur in het laatst der bezetting zijn hoogtepunt bereikt.

Een uiterst moeilijk probleem is de voedselvoorziening geweest. Direct na de bezetting werden de winkels leeggeplunderd door de moffen. Kapitalen aan geld hadden ze bij zich.
De winkelier verkocht maar, dat bracht geld in het laadje. Dat hierdoor mede een gebrek voor het Hollandsche volk zou komen, hebben ze of niet ingezien of ze geloofden het wel.
Melk werd schaars, boter vanzelf ook zoo. Aardappelen gingen naar Duitschland. Wij kregen veenpiepers te eten, zoo 'n slecht soort aardappel, dat meer dan de helft aan rot weggesneden moest worden en wat er over bleef, was een waterige massa. Nu is het niet doenlijk het verloop van het distributieproces te beschrijven. Ik heb dit niet bijgehouden. Maar het werd erg. Van de aangevoerde groenten aan de veiling ging 80 90 % naar Moffrica, de rest bleef voor ons en zag er maar aan te komen. Deze werd door de winkelier "zwart" verkocht.
Aan kleeding en schoeisel viel niet meer te komen. In de 5 jaar oorlog hebben we geen paar schoenen kunnen koopen. Wij konden ze "zwart" krijgen. Dat kostte voor een paar matig goede schoenen van f. 150,- tot f. 500,-. Dat waren prijzen voor ons om niet te betalen.Bleef men zelf buiten de zwarte handel, dan waren die dingen niet te krijgen.
We hebben dan ook heel wat moeten tobben met het schoeiselprobleem. De kinderen liepen op "kleppers, een houten voet-plankje met bandjes er aan. Maar het werd een dagelijksche reparatie. Je werd er gek van.
Met kleeren was het evenzoo. Toen in 1944 onze zoon Kees werd geboren, hadden wij niets geen baby goed. Veel hadden wij aan ontredderde gezinnen gegeven. Wij werden door anderen geholpen, zoodat wij uiteindelijk geen gebrek daaraan hebben gehad, doch wat wij op de "bon" konden krijgen hebben wij 8 maanden na de geboorte nog niet in huis.
Treinen vol goederen werden naar Duitschland gezonden. En op de wagons stonden de biljetten aangeplakt: "liebesgaben aus Holland". Na het groote bombardement van Rotterdam kwamen er schepen vol met dekens, meubelen, ondergoederen enz. ter voorziening in den nood. De grootste helft ging naar Duitschland.
Als je dan ook vandaag aan den dag ziet hoe de menschen er bij loopen dan is het niet meer het best gekleede Holland. Voor ons gezin zullen wij niet klagen. Wij waren in tegenstelling met het overgroote deel, nog rijk. Zoowel aan kleeding als aan voedsel.

Het voornaamste, het eten was wel het beroerdste. Het is ten slotte zoo ver gekomen, dat wij vanaf December 1944 niet meer eten kregen dan zegge brood per week per persoon en 1 Kg. aardappelen plus van tijd tot tijd wat suikerbieten. Wij hebben het zelfs nog zoo gehad, dat er in de krant stond, dat brandnetels zulk een voedzaam eten was. Taptemelk, practisch wat wit water, had een voeding gelijk aan ik weet niet hoeveel biefstuk!! En we hadden dat maar te geloven.

Op straat zakten de menschen in elkaar van honger. Het aantal sterfgevallen steeg schrikbarend door ondervoeding. De Hollander had geen dikke "kaas-kop" meer.

Dit alles heeft het West Nederlandsche volk gebracht, vooral de stadsbewoners, tot daden van groote moed en zelfopoffering. Er was wel eten, maar in de oostelijke provincies, Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen. De Duitschers weigerden schepen beschikbaar te stellen om het te halen. Het Nederlandsche volk moest en zou verhongeren. Wij moesten, ieder middel was daartoe goed, murw gemaakt worden.

De uittocht begon. Menschen op fietsen zonder banden, handwagens, carriers, ja zelfs loopend gingen ze vanuit de groote steden naar genoemde provincies. Dagenlang heen en dagen terug. En dan brachten ze wat mee. Och het leek veel, maar wat was het bij zoo'n gebrek? Velen hebben onderweg den dood gevonden door uitputting. In Noord Holland waren in een week tijd zo'n 70 menschen bezweken. Vooral waren hier de vrouwen de helden. De mannen konden niet vanwege het gevaar opgepakt te worden.

Hoe zijn wij er gekomen? Wij hebben de eerste jaren veel bonnen gehad van de familie uit Noord Holland. Daardoor hadden wij het zelf goed en konden de familie hier naar ons vermogen helpen. Wij hadden zoo aardappelbonnen, melk, peulvruchten en ook boter. Maar het distributie-systeem werd gewijzigd en deze bron raakte daardoor ineens uitgedroogd. Toen kwamen de moeilijkheden. Zoo hebben wij in de periode November 1944 tot Januari 1945 ook aan alles gebrek geleden.

Deze voedselnood heeft de menschen tot dwaze dingen gebracht. De zwarte handel ging tieren. En meer dan welig. Zoo gruwelijk werd het dat wij ons schamen dat dit in Nederland zoo mogelijk was. Enkele voorbeelden: de shag van Dobbelman voor den oorlog 12 cent, werd ten slotte voor f. 150 tot f. 250 per pakje verkocht. Cigaretten (20 st. slecht soort) tot f. 100. Zeep f.40 per stukje. Tarwe (je weet wel Jaap, vroeger aan de B1aauwe Molen 10 ct. een k.G.) werd verhandeld voor f. 75 per k.G.
Aardappelen f. 10 tot f. 15 per k.G. Groenten was, zooals ik schreef haast niet te krijgen. Wat er was schreeuwend duur. Bloemkool f. 5 per kooltje.Spinazie f. 2,50.
Natuurlijk wijst dit op een zekere inflatie. Maar vergeet niet dat de loonen vrijwel onverminderd waren gebleven. Voor vele zelfstandigen (denk aan mijn broers Arie en Gerrit in hun kleermakerij) was er geen verdiensten. Gebrek aan materialen. Toch gingen al die dingen grif van de hand. Hetgeen er op wijst dat velen zich begaven in den zwarte handel. Bonnen werden verkocht ten koste van de gezinnen.
Je kon geen kleeren koopen, schoenen niet, enz., zoodat dus je geheele inkomen op ging aan eten.
Maar deze zwarte handel heeft gemaakt, dat de rijken konden koopen en de armen verrekken.
De boeren (de goeden uitgezonderd) werden rijk. Zij plunderden de menschen leeg. Ten slotte kon men alleen voor een laken, een pakje shag, voor wol, voor gereedschap, goud of zilver wat krijgen. En een armen drommel ruilde teneinde raad zijn gouden trouwring voor een beetje tarwe.
Die sjacheraars, de bonnenscharrelaars, werden schatrijk. Lieten huizen inrichten als paleizen en kochten ander fraaist. Wij weten ze te noemen, die momenteel huizen, zeiljachten en auto's bezitten en die voorheen permanente steuntrekkers waren. Zonder eens te gaan theoretiseeren, denk ik wel eens aan vroeger. Toen schold men op den vervloekten kapitalist, die niets voor een armen drommel over had. Maar nu is menig arme drommel van vroeger een stinkend rijke vent geworden en hij werd het over de ruggen van den armen man heen. Het werd, als ik maar geld heb, dan kan de rest stikken. Zoo zie je, het zit in den mensch. Rijk of arm, ze zijn tenslotte toch maar eender.
Neen, eigenlijk zijn deze woekeraars nog van lager allooi; zij immers hebben hun schijnwelvaart ,want och, het bezit van hen blijft niet lang, verkregen door een in en in gemeenen handel. Zoo gezonnen, zo geronnen.
De volkstype "nou maid, mot je hoare" en "bij het op zijn sodemieter gekrege" loopt nu met een pracht bontmantel.
Maar in deze kringen zal zeer zeker de opruiming komen. Ik ben benieuwd.

Een ongekende zware last hadden wij dezen winter. Gas en electriciteit waren uitgeschakeld. Kolen hadden wij niet. Zegge een mud cokes. Door de geboorte van Kees kregen wij nog een enkel mud er bij. Maar als je alles op een kachel moet doen, verwarming, koken, de wasch enz. dan begrijpen jullie wel wat dat is.
Door zuinig bewaren hadden wij nog wel een enkele liter petroleum overgehouden. Dit kwam nu van pas. Het liet zich aanzien dat wij den geheelen winter van verlichting uitgeschakeld zouden blijven, dus moesten wij met de grootste zuinigheid trachten deze olie voor verlichting te bewaren.

Wij hadden een lichtje van de sterkte van een lucifer. Zoo hebben wij een tijd lang gezeten. Gelukkig kregen wij van de baas een paar liter stookolie en daardoor hadden wij een licht en een kleine petroleumlamp. Dat was al veel gewonnen. Maar denk eens in, dat dat de geheele verlichting was in huis. Voorkamer, keuken, slaapkamers, w.c., enz. Daarbij de nachtelijke zorgen voor een baby, enz.

Met het kachel stoken was het natuurlijk nog hopeloozer.Er zijn heel wat zolderbetimmeringen gesloopt om toch nog wat te kunnen koken. De kinderen lagen bij ons driekwart van den dag op bed om voor kou gevrijwaard te blijven. Gelukkig hadden wij nog wat oud hout op de zolder liggen en daarbij werden wij van enkele kanten geholpen met nog wat kolen. Jullie herinner je wel, dat vroeger in de Bergschelaan de tram in een plantsoen reed, iets lager dan het straatniveau. Dit werd opgevuld met koolgruis. Velen zochten nu in deze asch naar nog wat eenigszins brandbare kolen. Zoo zaten daar de stakkers in de kou tusschen sneeuw en plassen kolen te zoeken en dagen lang voor slechts enkele emmers. Dat tekent iets van de ellende, die er geleden werd. Maar wij wisten, dat er velen waren, die daartoe niet meer in staat waren. Door zwakte en door uitputting en thuis stierven van de kou.

Velen hebben honger-oedeem gekregen, een verschijnsel van dikke voeten en handen.
In Amsterdam waren per dag meer dan 100 begrafenissen. En het ergste was ( ook hier) er waren geen kisten meer om ze te begraven. De lijken werden in papier gewikkeld.

Behalve het groote bombardement van 14 Mei 1940 hebben wij later veel te lijden gehad van Engelsche bombardementen. Door het groote bombardement was Rotterdam zeer zwaar beschadigd. Volkomen vernietigd was het terrein van Maas bij het Maasstation, Oostplein, Kralingen tot aan de Speelmanstraat-Lusthofstraat, Veemarkt - Dirk Smitsstraat - Jonker Fransstraat - Noordsingel - Teilingerstraat - Schie - Station D.P. - Diergaarde - Mauritsweg - Binnenweg - Schiedamschesingel tot aan de Maas.
Jullie kunnen er zich zoo wel een beeld van vormen. Daarbij echter aanvallen op afzonderlijke plaatsen. Zoo hebben ze bewust aanvallen gedaan op ziekenhuizen. Zoo vielen er bommen in de tuinen van het Sint Franciscus Gasthuis (het heeft nog gebrand) voor en achter Eudokia - terwijl de bommen die in de Bergschelaan vielen duidelijk bedoeld waren voor op het Bergwegziekenhuis.
De latere Engelsche bombardementen hebben ons ook veel ellende veroorzaakt. Het waren naar onze gedachten vaak nuttelooze aanvallen, die geen enkelen zin hadden. Misschien om de vliegers aan het afweergeschut enz. te wennen. De eerste maanden hadden wij geen enkele nacht rust.

Dicht bij ons (een circa 100 Mr voor het kinderziekenhuis aan den Gordelweg nota bene) stonden vier zware afweerkanonnen die zo, n 7 8000 Mr. hoog schoten. Dan dreunde ons huis. De muren zijn ontzet daardoor.
Zoo hebben wij dat jaren gehad. Soms hadden wij vrij langen tijd rust tot ineens weer de grap opnieuw begon. Soms in den vooravond, dan weer 's nachts ook 's morgens. Het laatste jaar hadden wij echter alleen dagaanvallen.

En van de kwaadste aanvallen is geweest op 3 October 1941. Toen vielen de bommen neer op de hoek van de straat. Wij hoorden de bommen gierend en zware dreunen volgden. Toen gierden ze weer aan. Een oorverdovend lawaai, gerinkel van glas, een gedreun. We meenden dat ons huis was getroffen, alles kraakte, doch het bleek te zijn op de hoek van onzen straat en achter ons huis in de tuin en tegen de achtergevels van de nieuw gebouwde huizen aan den Bergweg.

Voor de tweede maal waren al onze ruiten er uit. Wonder boven wonder waren de kinderen vrij van verwonding gebleven, hoewel de glasscherven op hun bed lagen.
Door de scherven heen, onder gegier van bommen, onder het vallen van granaatscherven van afweergeschut, hebben wij toen de kinderen naar de Gerard Scholtenstraat gebracht. Weer was er leed over de stad en veel slachtoffers.
Eens (31 Maart 1943) werd door een groot aantal vliegtuigen een dagaanval ondernomen op de havenbuurt bij de Vierhavenstraat in Rotterdam West. Men zeide, dat het veroorzaakt werd door onbekende winddruk, doch de bommen vielen neer aan de Schiedamscheweg en Tusschendijken. Gevolg: een groot stuk brandde af en honderden hadden zoo den dood gevonden.

Later volgden aanvallen op Wilton en andere scheepswerven. Deze werden vrij goed uitgevoerd, al vielen er steeds weer slachtoffers.

Het blijft een wonder, dat wij er allen zoo goed afgekomen zijn. Alleen, ik noemde het aan het begin, is oom Cor Molenaar door een granaatscherf getroffen. Hij lag op bed. Zwaar afweergeschut was er. Vlak tegenover hem vielen bommen (in de Proveniersstraat) en het verwondde hem zwaar. Kort nadien is hij overleden.

Vaak hadden wij 's nachts bombardementen van verdacht allooi. Nimmer zal hierover het juiste geweten worden. Ik stond eens voor het raam te zien naar de vele zoeklichten: het schieten. Veel toestellen vlogen hoog over. Plotseling hield het schieten op. Laag vloog een toestel over en kort daarop een doffen dreun en het St. Franciscus Gasthuis was getroffen. Kort daarop weer volop afweergeschut. De schade aan het ziekenhuis was tamelijk gering, al kostte het weer slachtoffers. Maar het waren of zeer lichte bommen van flinke hoogte afgegooid, of het waren bommen uit een zeer laagvliegend toestel. Begrijpelijk dat de volksmeening was dat het Duitsche bommen waren om hier een haatcampagne uit op te wekken tegen de Engelsche terreurvliegers.

Wat hebben wij geleefd bij geruchten. Het begon de Meidagen 1940. Toen leek het er naar dat Holland wel had gecapituleerd, doch het ging het Duitsche leger zoo slecht, dat iedere dag het einde van den oorlog te wachten was. Wij geloofden grif de eerste tijd, dat Koninginnedag 1940 weer volop in Holland gevierd kon worden.
Wij werden ook benvloed - alsof de oorlog slechts een kwestie van korten tijd was - door radio Oranje en door Nederlandsche uitzendingen van den B.B.C. Kolonel Britten, de leider van de Binnenlandsche verzetsgroepen in de bezette gebieden, zou nog slechts een keer spreken en dan zou de invasie komen. Dat was in 1942. Doch kolonel Britten sprak niet meer nadien. Wij werden dus, op z'n plat Rotterdamsch gezegd: belazerd en bedonderd, doch het hield de moed er bij ons in. En dat was wel wat waard.
Toch is de groote dag der bevrijding gekomen, al was het voor velen te laat.

De NSB heeft haar tijd gehad. Ze hadden zich vanaf het begin der oorlog, ja reeds daarvoor zich op Duitschland ingesteld. Zij die tegen de beweging hebben gewaarschuwd hebben volkomen gelijk gehad.
In de Meidagen 1940 werden alle bekende N.S.B.-ers gearresteerd. Toen huilden ze dat ze het niet zoo meenden. Ze weren vaderlandsch lievend enz. Maar niet was de strijd voor ons verloren of ze kwamen terug met grooter branie en met meer lef. Op allerlei plaats kwamen ze aan mooie baantjes. Bekwaam of niet, ze kregen de functie. Het distributieapparaat kwam geheel in hun handen en waagde het niet in een lokaal bij het uitreiken der bonnen een kwaad woord te spreken of te lachen om een insigne of iets dergelijks, want de weg naar een concentratiekamp was zeer kort.
De haat tegen deze landverraders was zeer groot. Clandestien gingen de versjes:



Versjes op Mussert gingen graag van mond tot mond. Hij, de LEIDER van ons Nederlandsche Volk verborg zich in Mei 1940 in een hooiberg. En nu ?
Toch heeft men het nooit aangedurfd hem de plaats als minister-president aan te bieden. De smeerlap was niet bekwaam daar toe en ook onderling was het vaak groote ruzie.
Ze hebben zich ook vergrepen aan de Joden. Wij hebben een paar weken gehad, dat zij zich niet ontzagen de Joden te terroriseren. Op straat werden zij mishandeld, oude Joden werden mishandeld en ontkleed. Wij konden het niet geloven indertijd, toen dit verteld werd uit Duitschland, maar wij hebben het thans in onze eigen stad meegemaakt. Voor de ramen van bioscopen, parken en plantsoenen stonden de bordjes "verboden voor Joden".

Wij kregen vanzelf ook de landwacht, de N.S.B. kliek, die zich graag leende voor verraderswerk en vuile karweitjes. En ze deden het graag. In burgerpakjes gingen zij 's zondags naar de kerken en verraden de Dominees als zij baden voor de Koningin en vroegen of God ons bevrijden wilde van den grooten druk.

Toen in September 1944 de geallieerde opmarsch door Belgi geweldige vorderingen maakte, meenden wij dat het voor Holland slechts een kwestie van een enkele dag zou zijn. Het was voor de N.S.B.ers aanleiding om met den Noorderzon te vertrekken. Vroeg in den morgen vluchtten de duizenden met hun gezinnen naar de Duitsche gebieden en dachten daar veilig te zijn, want immers Adolf en zijn trawanten geloofden in het onoverwinlijke Duitschland, dus zijn getrouwe volgelingen moesten evenzoo gelooven.
Het was wel een opluchting toen ze weg waren, de helden van de wolfsengel. Maar er bleven achter, de brutalen en zij werden des te gevaarlijker. Toch was hun rol uitgespeeld.
Thans worden ze opgeruimd en wij gunnen ze het lot, dat vele gevangenen in Duitschland hebben ondergaan. Over hun lot weten jullie op het moment waarschijnlijk meer dan wij. Want de pers laat hiervan weinig door.

Kerkelijk zijn het zware jaren geweest. En van de eerste gevangenen is geweest prof. Schilder. Zijn schrijven in de Reformatie was moedig, maar voor de Duitscher niet welgevallig. De bekende Haagsche ds. v.d. Bosch is als martelaar gestorven. In een dezer dagen verscheenen krantenbericht - de thans bevrijde pers- bleek, welk een waardig getuige deze man in de gevangenis is geweest. Maar gruwelijk is het, wat ze hem hebben aangedaan.
Kerkelijke pers mocht niet meer verschijnen.
Toch hebben de Kerken zich zeer moedig gedragen. Menig waardig, doch open woord is van de preekstoel afgelezen over de Jodenvervolging, arbeidsdienst, de greep naar de jeugd, de vrijheid van pers, de nazi-leugen enz. Het gebed en de preken van vele predikanten lieten geen twijfel over de beginselen van het Nat. Soc. Het was aanleiding voor menig predikant of geestelijke om gegrepen en gemarteld te worden.
Als ze een poosje weg waren, kwam het bericht: aan longontsteking overleden. Doch wij wisten wat de Duitsche longontsteking was.

Een zeer bedroevend verschijnsel is het geworden, dat in de Geref. Kerk een droeve scheiding is ontstaan. Het is een felle strijd geworden over doop, verbond en kerkrecht.
De felheid van deze strijd zal zeer zeker oplaaien als de kerkelijke pers weer verschijnen gaat. Het zal je misschien niet interesseeren waarover precies het verschil loopt. Doch er zijn erge dingen gebeurd. Heeft men zoo weinig begrepen wat deze tijd te zeggen had? Reeds op een 80 100 plaatsen zijn de kerken of heengegaan of is daar scheuring gekomen. En nog is het einde er nog niet.
Zelf voel ik me zeer bezwaard over de gang van zaken, doch ik kan er moeilijk toe komen om de kerk te verlaten. Je hebt haar lief, je werkt er in en heengaan is soms zoo gemakkelijk. Maar toch valt ook het blijven zwaar.

Plaatselijk missen wij hier de Oosterkerk, de Westerkerk, de Herv. Groote. Zuider- en Oosterkerk, terwijl de Chr. Ger. Kerk in vlammen opging. Dit laatste doet wel droef aan. Er lagen toch veel herinneringen.
Overleden zijn de Di. Kuijper en Velders.
Het gemis van de Groote Kerk wordt vanzelf diep gevoeld. Wat hebben wij daar niet genoten met concerten en bijzondere gelegenheden. Wat zou het niet heerlijk zijn geweest, wanneer de bevrijding ook in de Groote Kerk herdacht kon worden. De Kerk van traditie en historie. Maar hij is niet meer.

En nu ga ik naar het einde van de brief komen.
Na alle ellende is de bevrijding gekomen.
Reeds vanaf 5 September zat de verlossing in de lucht, bij wijze van spreken. Maar het waren uiterst zware ween die aan de bevalling der bevrijding vooraf gingen. Ik schreef er reeds over. Van alle kanten werden wij in het nauw gedreven. Nimmer is er zoo naar verlangd naar het einde als in de laatste maanden.

Toen opnieuw het offensief begon en de Oostelijke Nederlandsche provincies werden bevrijd, hoopten ook wij op spoedige verlossing. Doch de strijd om West Nederland was zwaar. Wat stelde het ons teleur als er geen Nederlandsche berichten doorkwamen. In Duitschland trok men op met verrassende snelheid. Het kikkerlandje was schijnbaar een onoverkomelijke hinderpaal. Maar het was het ook: hoeveel polders werden niet onder water gezet? En we wisten, zouden de Engelschen dichterbij komen, dan zouden de Duitschers zich niet ontzien om ook grootere gebieden te inunderen. Dan zou Rotterdam n watermassa worden. De Wieringermeer, meerdere Noord Hollandsche polders, de Haarlemmermeer, stonden al onder. In Amsterdam overstroomden de grachten de kaden. Wat moest het worden?
Vanuit Frankrijk wisten wij dat de Duitschers zich tot het uiterste toe zouden verdedigen. En wat zou dat worden? Een klein grondgebied met een bevolking van 41/2 millioen zielen? Met angst zagen wij de dagen tegemoet en toch verlangden wij naar de verlossing. Dan de risico's hoe zwaar ook maar dragen. Dat was zoo de stemming. Laten de Canadeezen doorzetten. Sterven wij niet aan den honger, dan door het oorlogsgeweld.
En tegenover deze stemming stond het schijnbaar voor ons dralen van den Engelschen.

Toch kwam er de laatste week teekening. Het bericht kwam, dat de geallieerden, goedwillens of kwaadwillens, voedsel uit vliegtuigen zouden neerwerpen. Na dit bericht werden direct aanplakbiljetten opgehangen met de mededeeling dat Seijs Inquart het niet zou toestaan. Dat was Zaterdagmiddag 28 April. Zondagsmorgen daarop verschenen de Engelsche toestellen. Ze vlogen slechts enkele honderden meters hoog en een zwerm van pakketten viel neer. Het wonder kwam. Van boven moest het alles komen, wat leven voedt. Het was waar.

Ongehinderd vlogen zij heen en terug en het deed ons vermoeden dat in den oorlog om Nederland een keer was gekomen. Daarna kwam het bericht, dat voedselschepen en auto's binnen de vesting Holland zouden komen. Zou de zaak niet op een eind loopen, dan kon het wel eens zijn, dat het z'on beetje "turfschip van Breda" kon worden. Die week is een knalweek geworden. Neen, niet omdat het met eten beter werd. Eer het uitgeworpen voedsel gedistribueerd zou worden, had het wel eenigen tijd noodig. Maar de stemming kwam er in. Toch leefden velen tusschen angst en vreezen. De berichten waren zoo op en neer. De ondergrondsche pers gaf de eene dag beschouwingen, die ons in de put brachten, de andere dag leek het er naar, dat het einde spoedig zou komen.

De Vrijdag kwam. Het Nederland, dat geen stroom meer had, dat zijn radio had moeten inleveren, wist ongekend gauw dat Duitschland. gecapituleerd had. Vrijdagavond 4 Mei juichte de stad, die om 9 uur binnen moesten zijn ( ja ook die ellende maakten wij mee, dat wij soms om 6 uur in den avond niet meer op straat mochten) jubelden dien avond tot 12 uur voor het feit der bevrijding. Maar toch voelden wij ons niet zeker. De Duitschers liepen gewapend en ze schoten zelfs op feestende menschen.

Zaterdagmorgen waagden velen het om de vlag uit te steken. Doch we werden gewaarschuwd dit niet te doen. Wat was er aan de hand? Wij wisten het niet. Naast elkaar hingen de proclamaties: Duitschland heeft gecapituleerd en Duitschland weet er nog niet van.
Zoo hebben wij toch een vreemden dag beleefd. Later bleek wat het was: naar men zeide was de commandant van de Duitsche troepen niet officieel op de hoogte gesteld van de wapenstilstand en hij zou ieder feestbetoon bloedig onderdrukken. Ja, er zijn slachtoffers gevallen helaas, op den dag der bevrijding.

Zondags was het echter een feit. Toen konden wij met volle borst in de Kerken zingen: Wilhelmus, Zij zullen het niet hebben, maar ook Psalm 66. Ds. Bouwmeester heeft een preek geleverd, die klonk als een klok.

De volgende dagen werden gevuld met uiterst gezellige gemproviseerde straatfeesten. Alles trok er op uit. En waar het vandaan kwam, we begrijpen het niet, als op Koninginnedag hadden wij weer volop oranje, feestneuzen, guirlandes enz. ja ook kuitentikkers.

Vanzelf zijn wij ook de stad ingegaan de Coolsingel trok. Daar klopt toch het hart van de stad. Was het de laatste maanden een saaie boel - niemand durfde zonder noodzaak het centrum van de stad in - thans was het echt ouderwets. Toch was het een aangrijpend moment, toen wij kwamen naast het stadhuis. Daar - tegen een schuilkelder aan - hadden velen de dood gevonden door fusilleering. Een eenvoudig kruis was er opgericht en bloemen waren gestrooid.

Wij waren getuige van de intocht van den burgemeesters Mr. Oud. Hij heeft zijn plaats weer ingenomen. Leuk was het hem weer op het balkon te zien.

Dien middag kwamen de Canadeesche troepen de stad in. Wat was het enthousiasme groot, waarmede zij werden ontvangen. Onbeschrijfelijk. En het deed deze soldaten goed. Met bloemen werden zij ontvangen en gastvrij boden zij oud en jong een plaats aan op hun wagens.
De bevrijding is gekomen als door een wonder.
Zien wij er op wat voor ons gespaard werd, dan is het veel. Gasbedrijf, electriciteit, tunnel, bruggen, het bleef alles intact. En de waarde daarvan beseffen wij meer dan ooit.

In de week van de bevrijding was het hongervraagstuk wel het nijpendst. Toch werd dit uiterst moedig gedragen. Daarna is, eerst druppelsgewijs, de stroom van etenswaren los gekomen en wij zijn nu voor ieder ding dankbaar als een kind. Wij staan met vreugde te kijken als wij een pond boter in huis hebben. Wij genieten als we weer een bon voor aardappelen vermeld zien staan in de krant. De blikjes voedsel zijn werkelijk een lekkernij. Chocolade is een tractatie alsof een engeltje op je tong piest. Je weet het.

Het bevrijdingsborreltje kwam ook. De fa. Beudeker, de wijnhandel bij ons aan de overkant gaf iedere straatbewoner een flesch oranjelikeur.

Wij hebben ook nog het feest gehad van het kaalknippen van meiden, die met moffen hadden gescharreld of, zooals ze genoemd werden: onderleggers.
In onze straat werden een paar van deze dames uit huis gehaald door een stelletje jongens, die met de Duitsche gruwelen hadden kennis gemaakt en in kampen hadden gezeten enz.

Op het Willebrordusplein geschiedde de vertooning en op hun kale hoofden werd met teer een hakenkruis geschilderd; daarna werden zij op de schuilkelders ten toon gesteld en als een massaal koor zongen de duizend toeschouwers:


Een enkele dag heeft men ons zoo de gang laten gaan. Toen mocht het (gelukkig maar) niet meer. Want er vallen toch altijd weer slachtoffers. Uit jaloezie zijn er verkeerde meisjes aangebracht. Je begrijpt het.

Binnenlandsche Strijdkrachten hebben daarna als taak gekregen de N.S.B.ers te arresteren en velen zijn nu gevangen en moeten op karig voedsel leven en werk verrichten als straten, scholen, tunnels enz. schoonmaken. Ze zijn geteekend. De rollen zijn radicaal omgekeerd.

Nu alles is veranderd fleurt het leven weer op. Vanzelf zitten wij nog met groote moeilijkheden. Nog is er geen gas en geen electriciteit. De wacht is er op smachtend. De belangstelling voor politieke vraagstukken herleeft. De krant gaat weer komen, ook ons Rotterdammertje en het is een genoegen weer een vrije pers te hebben.




Op onze site kun je heel veel straatnamen en andere onderwerpen terugvinden n.a.v. dit zeer bijzondere verhaal van Kees Bestebreurtje:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Hofplein en klik op ENTER

Op onze site hebben we nog een bijdrage van Kees Bestebreurtje:

Van de Gerard Scholtenstraat naar Zuid-Afrika in 1936 en nog veel meer





Klik hier als je terug wilt naar het Gastenboek





Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

25 Oktober 2005