Terug naar homepage / Back to homepage

Werk: waarheen, waarvoor?

Door: Inge Bouts en Richard Engelfriet

 

Werk, werk en nog eens werk

Werk kan gezien worden als het volbrengen van taken die mensen in staat stellen om geld te verdienen om zich staande te kunnen houden in de maatschappij (Watson, 1995, p. 113). Werk verschaft mensen, met andere woorden, middelen om iets te kunnen bereiken. Doordat mensen werken, kunnen ze hun dagelijkse benodigdheden kopen, op vakantie gaan, een boek kopen, etc. Werk vormt een belangrijk aspect van ons leven.

In de tijd van de oude Grieken werd werk gezien als een activiteit die toebehoorde aan slaven en andere ondergeschikten. Wie echt vrij was, hoefde niet te werken. Door toedoen van het Christendom (met name het protestantisme) werd werk in een positiever daglicht gesteld. Werk werd gezien als een activiteit ter ere van God. De mens maakte zich door te werken vrij van zijn zonden. In de huidige industriële samenleving is werk nog steeds iets positiefs. Werk wordt gezien als een activiteit die mensen kan ontplooien en ontwikkelen (Halman, 1999, p. 9). Het nadeel van deze benadering is dat diegene niet werkt, al snel wordt afgeschilderd als lui en improductief. Ook de regering doet mee aan deze ‘participatieneurose’ (Roebroek, 1997) en heeft met het motto werk, werk, en nog eens werk gesteld dat de ultieme oplossing voor werkloosheid voor iedereen is om op wat voor manier dan ook betaalde arbeid te verrichten.

De arbeidsparticipatie neemt toe in alle lagen van de bevolking. Met name vrouwen en allochtonen maken in Nederland de laatste jaren een explosieve stijging door als het gaat om hun arbeidsparticipatie. Kortom, werk staat centraal in de huidige samenleving. Welke motivaties liggen hieraan ten grondslag? In dit werkstuk proberen we na te gaan waarom mensen werken en hoe dit gemeten kan worden.

 Enkele arbeidsmotivatie-benaderingen

Er zijn door diverse auteurs benaderingen gegeven die ingaan op arbeidsmotivaties. Hall (1994, p. 87) maakt een aantal kanttekeningen bij deze benaderingen. Veel theorieën gaan er ten onrechte van uit dat motivaties niet veranderen door de tijd en voor alle activiteiten gelijk zijn. Vervolgens wordt door veel theoretici een soort moraal ingebracht, waarbij 'werken voor geld' als 'slechter' wordt aangemerkt dan 'werken om het werk'. Goed onderzoek behoort echter objectief te zijn.

Goldthorpe, Lockwood et al. (1968, p. 38-42) onderscheiden drie typen werk-oriëntaties. De instrumentele oriëntatie gaat uit van werk dat louter wordt gedaan om geld te verdienen. Mensen met deze oriëntatie zijn calculerend, niet betrokken bij de organisatie en trekken een scherpe lijn tussen privé en werk. De bureaucratische oriëntatie gaat uit van werk dat wordt gedaan om steeds hogerop te komen binnen een organisatie om zo een hogere status te bereiken. Het werk zelf levert dus ook voldoening op. Mensen met deze oriëntatie voelen een zekere morele plicht tot werken, zijn meer betrokken bij de organisatie en hebben een zekere overlap tussen werk en privé. De solidaire oriëntatie gaat uit van mensen die werk zien als een groepsactiviteit. Zij identificeren zich sterk met de organisatie waarin zij werken, en zien werk ook als een bijdrage aan de ‘groepsmoraal’. Minder salaris kan geaccepteerd worden als dat de groep ten goede kan komen. Het werk vormt een centraal element in iemands leven. Werk en privé lopen dwars door elkaar heen.

Het onderzoek van Goldthorpe, Lockwood et al. is sterk bekritiseerd door Daniel (1973), die ingaat op het gegeven dat de werkoriëntatie niet een statisch, maar een dynamisch begrip is. De oriëntatie die mensen hebben ten aanzien van werk, kan sterk verschillen over de tijd. Iedere werknemer heeft verschillende prioriteiten op verschillende tijdstippen en verschillende omstandigheden (Watson, 1995, p. 124).

Een tweede benadering betreft het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke arbeidsmotivatie (Watson, 1995, 119). Met intrinsieke arbeidsmotivatie wordt bedoeld dat mensen werken omdat dat voor hen een verrijkende ervaring is, uitdagingen biedt en ontwikkelt. Met extrinsieke motivatie wordt bedoeld dat werk voor mensen geen waarde op zich is, het is een middel om een doel te bereiken en voldoening wordt uit andere zaken dan werk gehaald. Werk heeft dan een instrumentele betekenis. Grof gesteld gaat het hier om een tweedeling tussen ‘werk om het werken’ en ‘werken om het geld’.

Vinke (1996, p. 46) definieert de begrippen als volgt:

-intrinsieke motivatie: ‘motivatie die geheel afhankelijk is van de aard van de activiteit en niets te maken heeft met een externe beloning of bekrachtiging. Intrinsieke motivatie wordt meestal gestuurd door gevoelens van tevredenheid en voldoening’.

-extrinsieke motivatie: ‘een motivatie die haar oorsprong vindt in factoren buiten het individu. Gedrag dat is gemotiveerd door van anderen afkomstige beloning en/of straf is extrinsiek gemotiveerd’.

Deze twee begrippen zijn elkaars tegengestelden. Het fundamentele verschil tussen deze twee begrippen vormt de oorsprong van de prikkel. De prikkel om iets te doen ligt dan ofwel binnen de persoon (intrinsiek) ofwel buiten de persoon (extrinsiek). Er bestaat een duidelijke relatie tussen deze twee begrippen. Het van binnenuit gedreven zijn kan negatief worden beïnvloed door zaken/beloningen van buitenaf, met als gevolg een lagere intrinsieke motivatie. Werklozen die enthousiast op zoek zijn naar werk, kunnen bijvoorbeeld calculerend gedrag gaan vertonen als zij een ‘uitstroompremie’ (geldbedrag dat gemeente verstrekt bij het aanvaarden van werk door een werkloze) ontvangen als ze een baan vinden. Voor hun gevoel telt dan immers niet meer het vinden van werk an sich, maar alleen de bonus (Engelfriet, 1999, paragraaf 2).

Een positieve manier om de relatie tussen intrinsieke en extrinsieke motivaties te gebruiken wordt gegeven in de fabel van Ausubel (Vinke, 1996, p. 48). Een joodse man opent een winkel in een niet-joodse straat. Een groepje straatjongens roept constant ‘jood, jood’ naar de man. De man besluit de volgende dag een kwartje te geven voor elke keer dat de kinderen ‘jood’ roepen. Enthousiast blijven de kinderen ‘jood’ roepen en ze krijgen inderdaad steeds een kwartje. De volgende dag verlaagt de man het tarief naar een dubbeltje, en de dag erna krijgen de kinderen nog maar een cent. De kinderen protesteren: voor dat kleine bedrag willen ze niet meer schelden. En het schelden hield op.

 Ons concept: de vier dimensies van De Moor

We hebben zojuist kort een aantal onderzoeken aangehaald die ingaan op arbeidsmotivatie. Voor ons onderzoek gaan wij uit van de indeling intrinsiek/extrinsiek, omdat dit naar onze mening het meest heldere onderscheid maakt. We gebruiken hierbij de definitie van De Moor (1993), aangezien deze een iets verfijndere indeling heeft gemaakt.

De Moor (1993, p. 31) maakt hierbij de kanttekening dat er niet alleen gekeken moet worden naar het onderscheid intrinsiek/extrinsiek. Van groot belang voor de uiteindelijke arbeidsmotivatie is immers ook de vraag of mensen wel de mogelijkheid hebben om de gewenste doelen te kunnen bereiken. Voor veel mensen geldt immers dat zij zijn aangewezen op hun baan, en weinig te kiezen hebben. Dat kan betekenen dat zij hun motivaties moeten bijstellen aan de omstandigheden. De 'luxe' om van baan te wisselen als deze niet voldoet aan de wensen heeft immers niet iedereen.

De Moor geeft een nader onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie in vier dimensies (De Moor, 1993, p. 15).

 

Tabel 1. Extrinsieke en intrinsieke motivaties (eigen interpretatie)

Extrinsieke motivaties

Intrinsieke motivaties

Economische Motivatie

Sociale Motivatie

Groei-motivatie

Cultuur-motivatie

Salaris

Er bij horen

Zelfontplooiing

Betrokkenheid

Fysieke Werkomstandig-heden

Erkenning en status

Zelfwaardering

Synergie

Zekerheid

Promotie

 

 

Economische prikkels gaan uit van een motivatie waarbij iemand waardering voor zijn werk ontleent aan het geld dat hij ontvangt, de fysieke werkomstandigheden (werktijden, snelle computer, etc.) en de zekerheid dat hij zijn baan kan behouden. Iemand werkt dus vooral 'voor de knikkers'; een motivatie van buitenaf.

Iemand met een sociale motivatie werkt ook 'voor de knikkers'. De knikkers worden hier voornamelijk gekleurd door de betekenis die de samenleving toekent aan zijn werk. Als hij samenwerkt, doet hij dit vooral om er zelf beter van te worden. Hij werkt dus voornamelijk om aanzien te krijgen in de maatschappij; status en promotiekansen geven hem een voldaan gevoel.

Wanneer iemand een groei-motivatie heeft om te werken, werkt hij om het werken. Van belang is dat iemand 'iets van zichzelf kwijt kan' in zijn werk. Het werk moet zelfontplooiing en zelfwaardering opleveren. Wat anderen er van vinden, is niet belangrijk.

In het geval van cultuur-prikkels werkt iemand samen met anderen om een gezamenlijk doel te bereiken. Hij is erg betrokken bij de organisatie, vindt het goed als de kwaliteiten van alle leden van de groep (inclusief hemzelf) worden gebruikt om iets 'groots' te verwezenlijken. 'Getting extraordinary things done through and with ordinary people' (De Moor, 1993, p. 65).

 Het meten van de vier dimensies van De Moor

Er bestaan verscheidene onderzoeken die vragen bevatten waarmee de vier dimensies gemeten kunnen worden: Meaning of Work (Halman, 1999), Boonstra et al (1993) en European Value Study. We maken hier gebruik van de laatstgenoemde studie. Per motivatie wordt aangegeven met welke vragen uit de European Value Study dit gemeten wordt.

Economische motivatie

Vind in werk belangrijk: -een goed salaris

-niet te veel spanning

-de zekerheid niet ontslagen te worden

-goede werktijden

-goede vakantieregeling

-goede fysieke arbeidsomstandigheden

Oneens ( "niet mee eens", "helemaal niet mee eens") met de uitspraken: "Om je talenten volledig tot ontwikkeling te brengen, heb je een baan nodig" en "Het is vernederend om geld te krijgen zonder er voor te hoeven werken". Een economisch gemotiveerd persoon werkt louter voor het geld en niet voor zijn talenten. Als hij dit geld vervolgens kan verdienen zonder daarvoor te hoeven werken, zal hij daar geen moeite mee hebben.

Mee eens met de uitspraak: "In principe opdrachten uitvoeren". Iemand met een economische motivatie is immers niet geïnteresseerd in de inhoud van het werk, maar in de opbrengst ervan.

Sociale motivatie

Vind in werk belangrijk: -prettige mensen om mee te werken

-goede promotiekansen (dit levert immers status op)

-werk waar de mensen in het algemeen waardering voor hebben ( dit levert aanzien op).

De vraag "kunt u aangeven hoe vaak u aan een activiteit deelneemt" bevat een item "tijd doorbrengen met collega's van het werk of beroepsgenoten buiten het werk om". Indien mensen aangeven dit één of meer keer per week of één of twee keer per maand te doen, rekenen wij ze tot sociaal gemotiveerden, want het levert het gevoel van 'erbij horen' op.

(Helemaal) mee eens met de uitspraak: "Het is vernederend om geld te krijgen zonder ervoor te hoeven werken". Vernedering is immers een negatieve vorm van status.

Groeimotivatie

Vind in werk belangrijk: -de mogelijkheid initiatief te tonen

-een verantwoordelijke functie

-een interessante functie

-een functie waar je je capaciteiten kunt benutten

(Helemaal) mee eens met de uitspraak: "Om je talenten volledig tot ontwikkeling te brengen, heb je een baan nodig". Iemand die een groeimotivatie heeft om te werken, wil immers iets in zijn werk kwijt kunnen.

Mee eens met de uitspraak dat iemand een opdracht pas moet uitvoeren als hij ervan overtuigd is dat de opdracht juist is. Iemand met een groeimotivatie verricht immers alleen werk waar hij zelf volledig achter staat.

Eigenschappen waartoe kinderen thuis aangemoedigd moeten worden:

-hard werken

-verantwoordelijkheidsgevoel

Cultuurmotivatie

Vind in werk belangrijk:

-werk dat nuttig is voor de maatschappij (ergens iets toe bijdragen)

-een werkkring waar je merkt dat je iets kunt bereiken

Lidmaatschap bij een vakbond. Iemand met een cultuurmotivatie is erg betrokken bij de organisatie en derhalve geneigd lid te zijn een vakbond.

Behorend tot Nederlands hervormd of gereformeerd geloof. Mensen die tot deze protestantse godsdiensten behoren, werken vanuit hun godsdienstige betrokkenheid (Furnham, 1990, p.165).

Eigenschap waartoe kinderen thuis aangemoedigd moeten worden:

-verantwoordelijkheidsgevoel.

 

De empirische toetsing

Als eerste hebben we een factoranalyse uitgevoerd op alle door ons geselecteerde variabelen. Hieruit konden geen duidelijke groepen worden onderscheiden. We hebben er dan ook voor gekozen om alleen de items van de vraag: "Wat vindt u in uw werk belangrijk?" te analyseren. Uit deze factoranalyse is gebleken dat het ook niet mogelijk is om vier groepen te onderscheiden. Dit ligt vooral aan het geringe aantal vragen voor de cultureel en sociaal gemotiveerden. Wel geeft de analyse aan dat er een onderscheid te maken is tussen groei en economische motivatie, alhoewel niet alle variabelen van de economische arbeidsmotivatie samen blijken te hangen. Daarom hebben we ervoor gekozen om de items: 'een goed salaris' en 'goede fysieke omstandigheden' niet mee te nemen in verdere analyses.

Uiteindelijk zijn zo twee typen arbeidsmotivaties samengesteld, bestaande uit ieder vier items. Er zijn meer mensen met een groeimotivatie dan met een economische motivatie, maar er bestaat geen sterke samenhang tussen deze twee. Zowel de mensen met een lage als een hoge groeimotivatie hebben een lage economische motivatie.

Vervolgens hebben we de twee typen op een vijftal achtergrondkenmerken onderzocht.

Geslacht heeft een verwaarloosbare invloed op beide motivaties. Opvallend is dat jongeren een lage groeimotivatie hebben, terwijl ouderen over een hogere groeimotivatie beschikken.

Er is geen verband tussen leeftijd en economische motivatie. Voorts hebben wij gevonden dat hoog opgeleiden over het algemeen een hogere groeimotivatie hebben dan laag opgeleiden. Het dilemma of iemand altijd een opdracht moet uitvoeren of eerst van de juistheid ervan overtuigd moet zijn, kent weinig verband met de arbeidsmotivatie. Dit is in tegenstelling met wat wij hadden verwacht (zie 'het meten van de vier dimensies van De Moor').

Tenslotte heeft de instemming met de stelling 'Om je talenten volledig tot ontwikkeling te brengen, heb je een baan nodig' niets te maken met de door ons geconstrueerde arbeidsmotivatie.

 Conclusie

De vier dimensies die wij hebben onderscheiden , zijn empirisch niet terug te vinden. Wel bleken er twee groepen te bestaan: groeimotivatie en economische motivatie. We hebben echter geen achtergrondkenmerken kunnen vinden die het bestaan hiervan rechtvaardigen. Wij zijn niet de eerste die dit hebben ontdekt. Vinke (1996, p. 197) geeft aan dat het onderscheid intrinsiek/extrinsiek 'problematisch' is, omdat er eigenlijk zowel intrinsieke als extrinsieke motivaties zijn om te werken. Motivatie is eigenlijk een ondeelbaar begrip. Dit hangt samen met het probleem van definiëring in het algemeen: "one can define it so broadly that it encompasses all of psychology, or so narrowly that it threatens to vanish entirely" (Vinke, 1996, p. 218).

 Dankwoord

Een woord van dank willen wij hierbij uitspreken aan Loek Halman en Liselot Godschalx, die ons voor een zelfmoord hebben behoed. Tevens willen wij hier Mieke Teilkamp bedanken voor haar bijdrage aan de titel.

Inge Bouts en Richard Engelfriet, maart 2000

 

LITERATUUR

Boonstra,K.A. et al. (1993)

Determinanten van arbeidsmotivatie Taakkenmerken, taakdoelen en gerichte beloning. In: Gedrag en Organisatie, Vol. 6, nr. 3

Daniel, W.W. (1973)

Understanding employee behaviour in its context, in: Man and organisation, Child (Ed.), London: Allen & Unwin

Engelfriet (1999)

De keuze van Nederland, I: http://members.tripod.lycos.nl/richieboy/bas3.html

Goldthorpe, Lockwood, et al. (1968)

The affluent worker: industrial attitudes and behaviour, Cambridge: University Press

Furnham, A. (1990)

The protestant work ethic: the psychology of work-related beliefs and behaviours, London: Routledge

Hall, R.H. (1994)

Sociology of work: perspectives, analyses and issues, London: Pine Forge Press

Halman, L. (1999)

Europeans and their work orientations, Tilburg: WORC

Moor, W. de (1993)

Arbeidsmotivatie als management-instrument, Houten/Diegem: Bohn Stafleu van Loghum

Roebroek, J.M. (1997)

'Over water lopen', van Babylon tot de Domtoren : beschouwingen over inkomen, arbeid, participatie en zorg, Tilburg: WORC

Vinke, R.H.W. (1996)

Motivatie en belonen: de mythe van intrinsieke motivatie, Deventer: Kluwer

Watson, T.J. (1995)

Sociology, work and industry, London [etc.] : Routledge