Het debat als zuurstof voor het dualisme

Brutale adviezen voor de redelijke politicus

 

Het dualisme is een feit voor de meeste Nederlandse gemeenten. College en raad zijn gescheiden; raadsleden zitten commissies voor en de raadsgriffier heeft zijn intrede gedaan. Toch blijkt het allemaal niet zo eenvoudig te gaan. Met name het debat in de raad dat aantrekkelijker moest worden voor deelnemer en toeschouwer (lees: kiezer) laat nogal eens te wensen over. Te vaak wordt er getracht een duaal debat te houden in de oude, monistische, cultuur. De gevolgen: saaie vergaderingen, slechte en trage besluitvorming en de kloof tussen politiek en burger, het uiteindelijke doel van dualisering, wordt er niet kleiner op. Om ook deze laatste obstakels uit de weg te ruimen, geeft een ervaren debattrainer handreikingen voor een levendige debatcultuur. Zes brutale adviezen die zelfs de redelijke politicus zal aanspreken.

 

1. Het protocol kan in de prullenmand

"Ja, maar zo hebben we altijd vergaderd". Een veelgehoorde reactie van met name langzittende raadsleden. Het dualisme is niet alleen een kwestie van 'wethouders van buiten de raad'. Het vraagt ook om vernieuwing van het politieke debat, om te experimenteren met nieuwe debatvormen en stijlen. Dat vraagt om verandering van het geschreven, maar ook het ongeschreven vergaderprotocol. Soms betekent dat enerzijds meer hamerstukken en anderzijds meer fundamentele debatten over de echt belangrijke zaken. Voor een andere gemeente betekent dat de vergaderzaal eens kritisch bekijken. Leent die zich eigenlijk wel voor een goed debat? Centraal staat hierbij steeds het doel het debat te verbeteren, aan te scherpen en bij te sturen. En die regels bepalen de vergaderaars zelf. Tijd dus voor een nieuw protocol!

 

2. De voorzitter gaat voorzitten

De gemiddelde voorzitter van een raadsvergadering (de burgemeester) komt niet verder dan: "Dank u. Dan is nu het woord aan ....". Dat staat zelden garant voor een scherp debat. Een voorzitter met lef durft in te grijpen, vragen te stellen en af te kappen. Hij wordt debatleider en duldt geen herhaling of details. Denk aan opmerkingen als: "Wilt u nu eens terzake komen?" bij het zoveelste langdradige betoog en "Reageert u nu eens op de vorige spreker!" als een deelnemer weer eens zijn eigen verhaal oplepelt in plaats van te reageren. Maar ook aanmoedigingen en complimenten zijn hier op zijn plaats. Het doel hiervan is te zorgen voor een goede uitwisseling van argumenten en standpunten, in plaats van het wedstrijdje 'profilering voor de media' dat nu veel politieke debatten kenmerkt.

 

3. Spreek elkaar aan

Tijdens een training vertelde een raadslid me dat ze veel sprekers zo saai vond. Op mijn vraag wat ze dan zelf doet als iemand een saai betoog houdt, antwoordde ze: "ik ga meestal poppetjes tekenen". Een goed debat kan niet zonder een actieve houding van de deelnemers. Dat betekent dat niet alleen de voorzitter, maar ook de leden van de vergadering elkaar moeten aanspreken op hun debatgedrag. Veel vergaderaars vinden zichzelf geboren redenaars, dichten zichzelf Wiegeliaanse trekken toe, en beschouwen hun uiteenzetting immer als verhelderend, verfrissend en altijd relevant. Zolang niemand ze daar op aanspreekt, komt daar ook geen verandering in. Het is van het grootste belang dit soort zaken bespreekbaar te maken. Debatteren kun je leren. Hiervoor is niet altijd een training noodzakelijk, maar vaak volstaan tips, kritische opmerkingen en zinvolle feedback van collega's. En een beter debat begint natuurlijk bij uzelf: dwing uzelf daarom minstens eenmaal per debat krachtig te spreken.

 

4. Hold your fire

De Romeinse filosoof Cicero zei ooit: "Het gaat niet om het aantal argumenten, maar om de kracht ervan". Toch lijken veel raadsleden zijn advies om te keren. Tientallen argumenten, ideeen, zijbeschouwingen en wat dies meer zij passeren de revue. Hetzelfde geldt voor schriftelijke vragen, waarvan het aantal in menige gemeente explosief is gestegen. Veel leden zijn bang zich anders niet te kunnen profileren in media. Niets is echter minder waar. Een herhaling van zetten, langdradige verhalen en de zoveelste vraag om opheldering over punt 2.4. lid 6c van de motie leiden slechts tot verveling en vervlakking. Beheers uzelf, en kies alleen de krachtigste argumenten en vragen uit. Houd andere eventueel achter de hand voor de rest van de discussie.

 

5. Richt u op principes en hoofdzaken

Veel politieke debatten zijn tegenwoordig verworden tot technocratische beleidsdebatten waar een buitenstaander - en menig raadslid! - vaak geen snars van begrijpt. Centraal staat dan altijd de vraag of en hoe een bepaalde maatregel uitgevoerd kan worden, terwijl nogal eens voorbij wordt gegaan aan de kwestie of die maatregel eigenlijk wel gewenst is. Voer daarom met name het debat op hoofdlijnen, haal de meest principiële zaken naar boven en voorkom daarmee lange technocratische debatten. Zorg voor fundamentele debatten en laat uitvoeringskwesties over aan ambtenaren. Politici moeten geen expert willen zijn en burgers moeten geen specialist zijn om het debat te kunnen volgen. Dat zorgt voor passie in het debat, voor duidelijkheid en ook voor aansprekendheid bij burgers.

 

6. Blijf uzelf en laat dat zien

Sinds de beroemde 'Brinkman-shuffle', waarbij Elco Brinkman met ingestudeerde looppasjes indruk probeerde te maken, is meer dan ooit bewezen dat jezelf zijn altijd de meeste kracht heeft in een debat. Toch zijn veel raadsleden bang om hun boosheid, vreugde of verwarring te laten zien. Of ze stellen geen vragen over zaken die ze niet begrijpen, uit angst om dom gevonden te worden. Het gevolg: vergaderingen vol gegaap, gestaar naar het plafond en een enkel plichtsmatig knikje als een fractiegenoot spreekt. En dat ziet de toeschouwer ook. Daarom het advies: kom uit uw schulp! Maak u weer eens boos, spreek u weer eens uit en stel gewoon die vraag. Politici als Wiegel, Rosenmöller en Fortuyn deden niet anders, en het heeft ze bepaald geen windeieren gebracht.

Een scherp politiek debat vraagt dus om meer dan andere spelregels. Het is een mentaliteitsverandering. Een omslag die er niet zomaar is, maar die wel bereikt kan worden. En uiteindelijk staat of valt een debatcultuur met de mentaliteit van de debaters. En alleen dan zullen politicus én burger zich weer echt betrokken voelen bij de gemeentelijke politieke arena.

Richard Engelfriet

De auteur is als communicatietrainer verbonden aan de Universiteit van Tilburg, traint daarnaast diverse gemeenteraden in politieke debatvaardigheden en is betrokken bij diverse intervisietrajecten rondom debatvernieuwing in de gemeenteraad. Samen met Pieter van Harberden (UvT) verzorgt hij workshops voor raadsleden als commissievoorzitter.

Meer informatie via

http://www.richardengelfriet.nl