Geen behoefte aan meerijders
Gemeenteraden moeten verantwoordelijkheid nemen om dualisme te laten slagen
Richard Engelfriet en Pieter van Harberden
Sinds maart 2002 waait er een dualistische wind door gemeenteland. De wet Dualisering van Gemeentebestuur heeft als doel het lokale bestuur duidelijker, doorzichtiger en aantrekkelijker voor burgers te maken. Hierdoor zal de burger meer betrokken raken bij de gemeentepolitiek. Geen overbodige luxe: de episode Fortuyn liet immers zien dat er veel onvrede heerst over het functioneren van de politiek. Veelgehoorde klachten over het oude, ook wel monistische, systeem: achterkamertjespolitiek, vooraf afgetimmerde debatten en teveel aandacht voor details in plaats van hoofdlijnen.
In de kern betekent dualisme een scheiding van de gemeenteraad en het college van Burgemeester en Wethouders. De gemeenteraad moet zich voortaan bezighouden met politieke sturing en controle, terwijl het college zich bezig houdt met uitvoering. Daarnaast zijn raadsleden tegenwoordig ook voorzitter van commissievergaderingen, en ondersteunt de griffier het werk van de gemeenteraad. Kortom, in institutioneel opzicht is er het een en ander veranderd. De praktijk blijkt weerbarstiger.
Het beeld dat inmiddels uit allerlei evaluaties oprijst, is dat van een duaal ingericht huis vol met monistische spelers. Er bestaan nog steeds fracties die samen met hun wethouder(s) politieke standpunten ‘voorkoken’. Het dualisme vraagt juist om een debat met open vizier. Welke burger zit er immers te wachten op schijndebatten waarin de uitkomst vooraf al vaststaat?
Vervolgens blijkt dat de raad nog steeds liever wacht op plannen van het college dan dat zij zelf het initiatief neemt. De input van raads- en commissievergaderingen wordt voornamelijk geproduceerd door het ambtelijk apparaat, die daarin wordt aangestuurd door hun wethouders. Pas aan het eind van dit proces is de raad aan zet. Met andere woorden: het college maakt voorstellen, de raad hobbelt erachteraan en wordt dus pas in een laat stadium geconfronteerd met kant-en-klare, veelal dichtgetimmerde beleidsplannen. In feite is de raad in veel gemeenten nog steeds de achterbankgeneratie die af en toe tegen het college van B & W klaagt, maar nog niet zelf durft te gaan rijden.
Illustratief is het voorstel van de Tilburgse wethouder Backx om de subsidie voor filmtheater De Filmfoyer te stoppen. Hij lanceert het idee, de publieke opinie roert zich in de discussie en de gemeenteraad neemt zich voor om in september erover in stemming te gaan. En daar gebeurt dus precies wat we niet wilden: via ingezonden brieven, kopjes koffie bij meneer de wethouder en andere lobby-activiteiten wordt via de achterkamers en wandelgangen getracht het besluit te beinvloeden. In plaats van een open debat over nut en noodzaak van de Filmfoyer in de gemeenteraad zit de raad weer af te wachten op de voorstellen van hun wethouder.
Het dualisme heeft geen behoefte aan dergelijke meerijders, aan politici die vanaf de achterbank deelnemen aan de besluitvorming. Raadsleden die hun plaats in de politieke arena kennen en deze ook opeisen staan op aanpassing van het productieproces. Dat kan natuurlijk anders en beter. De raad behoort eerst en vooral een plaats op te eisen aan de voorkant van het productieproces. Het is niet voor niets dat de raad, en niet langer het college, zijn eigen agenda mag bepalen. Aan de hand van beknopte notities voert de raad een debat over allerlei voorstellen. Nadat de raad zich vervolgens heeft uitgesproken over doeleinden, inzet van middelen en beoogde effecten, zet het college beleidsmedewerkers aan het werk om een en ander grondig uit te werken.
Het is echter te makkelijk om alle schuld en verantwoordelijkheid af te schuiven op de gemeenteraad. Ook maatschappelijke organisaties en media maken de invoering van een succesvol duaal systeem maar wat lastig. Je struikelt tegenwoordig over de debatten over allerhande onderwerpen: zorg, onderwijs, veiligheid, noem maar op. En wie mag daar steeds komen opdraven om tekst en uitleg te geven? Juist, de wethouder. En niet vertegenwoordigers van de gemeenteraad, die eigenlijk over de wenselijkheid van beleid behoren te gaan. Wethouders dienen zich louter bezig te houden met uitvoerbaarheid van alle plannen van de raad. In de media lijkt hetzelfde patroon herkenbaar: er gaat was mis, burger klagen dat het anders moet en wie bellen we voor een paar rake quotes? Inderdaad, wederom meneer de wethouder, of zelfs onze burgemeester.
Wie iets van dualisme wil maken, moet natuurlijk wel de spelregels volgen. Dat geldt dus niet alleen voor de gemeenteraad, maar ook voor het college van B & W, de media en iedereen die om wat voor reden dan ook standpunten wil horen van de lokale politiek. En omgekeerd kan het natuurlijk ook zo werken: waarom zou een wethouder een aanvraag voor een debat niet weigeren en zeggen: ‘Het spijt me, maar als u wilt weten hoe de binnenstad van onze stad er over 10 jaar uit moet zien, moet u even contact opnemen met de gemeenteraad. Als zij hebben bepaald wat ideaal is voor onze stad, zal ik uitzoeken hoe we dat kunnen uitvoeren’.
Maar bovenal is het tijd voor het einde van de achterbankgeneratie in de gemeentepolitiek. Wat we nodig hebben is een duale raad die zelf achter het stuur gaat zitten, zelf standpunten in durft te nemen en die hun zaken in een open debat vol passie met elkaar gaan bespreken. Of om in de woorden van Hans van Mierlo te spreken: er mag wel wat meer ‘wilde beestenlucht’ in de raad komen.
Dit artikel is geschreven naar aanleiding van de vele evaluaties rondom een jaar dualisme en het op handen zijnde congres ‘Gaat het een beetje, raad en college’, dat op 11 september 2003 in Goirle wordt georganiseerd
Richard Engelfriet is trainer en adviseur in politieke debatvaardigheden en is betrokken bij de dualisering van diverse gemeenteraden. Hij is co-auteur van het boek ‘De Debatmethode’.
Pieter van Harberden is beleidswetenschapper (UvT), trainer communicatieve vaardigheden en gemeenteraadslid in de gemeente Goirle.