Het Tilburgse Polismodel:
een vernieuwing, maar ook een verbetering?
Door: Richard Engelfriet , lid van de werkgroep Armoede, Arbeid en Sociale Zekerheid van Groenlinks Tilburg.
Tilburg is een moderne industriestad. Met die slogan voert de gemeente sinds een aantal jaren op nationaal niveau campagne om te benadrukken dat de inmiddels zesde stad van Nederland bol staat van de vernieuwingen. Eén van die vernieuwingen is de manier waarop de Algemene Bijstandswet (Abw) moet worden uitgevoerd. Door middel van contracten wil de gemeente de afspraken tussen bijstandsgerechtigde (de cliënt) en uitvoerder (de consulent van de sociale dienst) vastleggen. Zowel de cliënt als de consulent leggen dan in een individueel te bepalen contract vast wat hun rechten en plichten zijn. Deze vorm van 'maatwerk' moet de uitstroom uit de Abw vergroten en meer mensen aan het werk helpen. Tijdens een discussiemiddag van Palet (steunpunt voor multiculturele ontwikkeling in Noord-Brabant) op donderdag 29 maart j.l. heb ik uiteengezet waarom deze vernieuwing in een aantal opzichten geen verbetering is.
Het Polismodel komt niet zomaar uit de lucht vallen. Het past uitstekend in een trend die ook op landelijk niveau waar te nemen valt. De manier waarop de overheid omgaat met burgers in (financiële) nood, is de afgelopen 100 jaar twee maal gewijzigd. Tot grofweg 100 jaar geleden werd armenzorg beschouwd als een 'gunst'. Een arme had geen wettelijke aanspraken waarmee hij hulp kon afdwingen bij de overheid, maar was in die tijd overgeleverd aan de indruk die hij maakte bij het stadsbestuur. Alleen de 'nette' en 'zindelijke' arme ontving steun. 'Immorele' armen hoefden daar niet op te rekenen. Zo kreeg een dronkelap in die tijd dus geen uitkering, maar ook een moeder wiens dochter in fel gekleurde sokken over straat liep werd een uitkering geweigerd. De vrolijkheid van de sokken paste volgens het stadsbestuur niet bij de 'soberheid' die bij armenzorg zou moeten horen.
Halverwege de twintigste eeuw ontstond het inzicht dat dergelijke subjectieve en van gedragsmoraal doorspekte bepalingen niet meer pasten in de relatie tussen behoeftige burger en overheid. Er werden objectieve criteria in het leven geroepen die bepaalden wie wanneer recht had op ondersteuning. Hierdoor konden burgers hulp afdwingen in plaats van afhankelijk te zijn van gunsten.
Inmiddels is de moraal van de overheid voor de tweede keer in beweging gezet. Er is steeds minder sprake van een recht op uitkering. Steeds meer sociale zekerheidsuitkeringen zijn louter te typeren als onderhandelingsresultaat. Waar vroeger generieke regelingen recht gaven op een bepaalde uitkering, maken nu individuele maatwerktrajecten de dienst uit. Door middel van op maat gesneden contracten moeten werklozen op een effectieve en snelle manier naar de arbeidsmarkt toe geleid worden. Een illustratief voorbeeld is het recente voorstel van minister Vermeend van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat gemeenten de mogelijkheid biedt om bijstandsmoeders met kinderen onder de vijf jaar een arbeidsplicht op te leggen. Als tegenprestatie moet de gemeente een 'haalbaar' plan (met bepalingen over bijvoorbeeld kinderopvang) opstellen waarmee de betreffende persoon naar de arbeidsmarkt geleid kan worden. Waar vroeger de bijstandsmoeder nog een generiek recht had op zorg voor haar kinderen, moet zij dit recht nu dus tijdens een contractsonderhandeling zien te bereiken.
De gemeente Tilburg sluit dus naadloos aan bij deze trend met het al eerder genoemde Polismodel. Op zich zelf is de discussie die hiermee is ontstaan, erg zinvol. Het is moedig om toe te geven dat het beleid niet goed functioneert, en dat er verbeteringen nodig zijn. Er bestaat echter een aantal fundamentele bezwaren tegen de 'contractsgedachte' van het Polismodel.
Het grootste gevaar van de onderhandeling zit hem uiteraard in de onenigheid die kan ontstaan bij het opstellen van het contract. De relatie tussen consulent en uitkeringsgerechtigde is niet gelijkwaardig. Het is daarom niet ondenkbaar dat bepaalde verworven rechten tijdens een onderhandeling op de helling gaan. Een bijstandsmoeder die zich nuttig wil maken in de vrijwillige mantelzorg vangt bot bij een consulent die betaalde arbeid voorop stelt. Als er geen absolute en generieke rechten meer bestaan waarop je een beroep kunt doen, betekent 'maatwerk' voor veel uitkeringsgerechtigden dat ze zich simpelweg moeten voegen naar de grillen van de consulent die tegenover hen zit.
Een bijkomend probleem is dat in veel contracten een 'alles-of-niets'-situatie wordt gecreëerd. Wie zich niet houdt aan één van de verplichtingen uit het contract, verliest direct alle overige aanspraken. Schuldhulpverlening, subsidies voor schoolreisjes van kinderen en psychische hulpverlening worden allemaal afhankelijk van de sollicitatieprestaties die geleverd moeten worden.
Een bijkomend probleem is de vertrouwensband tussen consulent en cliënt. Door middel van een statisch contract waarin alle bepalingen worden vastgelegd, geeft de gemeente weinig blijk van vertrouwen in de inzet van de cliënt. Dat zal een bijstandsgerechtigde ook merken. En hoe kun je dan van een cliënt verwachten dat hij je vertrouwt en zich voor je zal inspannen als je zelf als gemeente dat vertrouwen niet eens kunt uitstralen? De gemeente Tilburg geeft aan in het Polismodel te kiezen voor een sterke regiefunctie. Pilot-projecten in Utrecht hebben echter aangetoond dat het uit handen geven van deze regie en het kiezen voor een buurtgerichte aanpak, met het daarbij behorende uitgangspunt van vertrouwen in plaats van achterdocht, de resultaten, ook in termen van doorstroom naar betaalde arbeid, veel positiever zijn. Bij deze projecten werkt gewerkt vanuit de wensen en kwaliteiten van de mensen zélf.
De aanzet tot discussie die de gemeente Tilburg heeft gegeven tot het hervormen van de uitvoering van de Abw is erg positief. De vernieuwingen die er nu liggen, leiden echter niet tot verbeteringen. De gemeente Tilburg verwacht van maatwerk in de vorm van individuele contracten dat dit de doorstroom naar de arbeidsmarkt bevordert. Er kleven echter grote nadelen aan deze aanpak, met name vanwege de ongelijkwaardigheid tussen cliënt en consulent, en het gebrek aan vertrouwen dat voortkomt uit een contractsgedachte. Individueel maatwerk lijkt zo uit te draaien op een eenzijdig contract waarbij alleen de 'nette' en 'zindelijke' armen kunnen rekenen op de 'gunsten' van hun gemeente.