Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

De staat van Rotterdam van omstreeks 1435 tot 1440

Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email:
aad@engelfriet.net

Op onze site kun je meer vinden over de in dit verhaal genoemde namen en aspekten, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Rotterdam en klik op ENTER




De staat van Rotterdam van omstreeks 1435 tot 1440

De Hoekse en Kabeljauwse twisten waren in 1433 in volle gang, zodat de Rotterdamse kooplui, die naar de markt te Deventer trokken, gewaarschuwd moesten worden voor gevaren op hun reis door het Sticht. En van de zeekant dreigde weldra een nieuwe strijd met Engeland. Juist in het jaar 1436, toen Jacoba van Beieren als teringlijdster op het ziekbed lag in het slot Teylingen, kwam een van haar vroegere echtgenoten, de ontrouwe hertog van Gloucester, met een oorlogsvloot, "om haar te helpen", zoals hij zei. En ofschoon zij zijn hulp niet meer wilde, liet hij toch niet af, daar zijn eigenlijke doel was, de macht van Filips van Bourgondië te knotten, de Bourgondiër, die van bondgenoot vijand geworden was.

Maar Filips was op zijn hoede. Dadelijk werd bevel gegeven, overal schepen uit te rusten en aan de steden Vlissingen, Middelburg, Goes, Zierikzee, Goeree, Brielle, 's-Gravenzande, Delft, Schiedam en Rotterdam werd gelast, dat ze de wacht moesten houden en bij de nadering der Engelsen onmiddellijk "vuren" moesten ontsteken op de kerktorens. Hoe de Rotterdammers dit hadden aan te leggen, waar hun kerk nog niets bezat, wat op een toren leek, wordt er niet bij gezegd, maar het is toch niet moeilijk te raden: de Gasthuistoren moest hier weer de functie van officiële seingever vervullen. Nog pas, in het jaar 1430, had de stad voor veertien stuivers een "tynnen lampe" gekocht, die zou zijn "up des gasthuys toorn by den wachter". Of ze in 1436 weer een nieuw lichttoestel van groter afmetingen heeft aangeschaft, is niet bekend, daar de rekeningen van 1430 tot 1459 geheel ontbreken. Van een werkelijk vuur van hout of stro zal in elk geval wel geen sprake geweest zijn; men had nog liever de Engelse vloot stil laten varen dan zijn toren aan zo'n brandgevaar bloot te stellen. Intussen is het gevaar niet zo nabij gekomen, dat men het signaal in werking heeft moeten stellen. Gloucester drong wel Vlaanderen binnen en verwoestte daar een aantal steden en dorpen. De Engelse vloot teisterde wel de Vlaamse kusten, maar Zeeland en Holland bleven vrij van het oorlogsgeweld.

De Rotterdammers hebben van deze oorlog geen andere last gehad, dan dat er nu en dan een schip verloren ging aan de Engelsen, waarvoor ze natuurlijk niet verzuimden, bij de eerstkomende gelegenheid wraak te nemen. Deze plagerijen tussen Hollanders en Engelsen hielden trouwens bij de vrede ook nog niet op. Ze zijn slechts de eerste in een eentonige reeks, die doorloopt tot in de 19de eeuw toe. Wat Rotterdam betreft, dit klaagde onder andere in het jaar 1442 hard over gewelddadigheden, door Engelsen uit Ierland, Hull, Londen en Queensbourough bedreven tegen zijn kooplieden.

De Engelsen waren echter nog niet de lastigste concurrenten; meer hinder had men in deze dagen van de "Oosterlingen" ofwel de hanzeaten van Lübeck, Danzig, Hamburg en verdere Noord-Duitse steden. Deze trotse verbondenen, die de Oostzee beheerst hadden en in de Noordzee een zeer hoge toon voerden, hadden de korenhandel van die tijd grotendeels in de macht en eveneens de visserij in de Sont. Vele Nederlandse steden, vooral die van Groningen, Overijssel en Gelderland, behoorden tot de Hansa; zelfs van de Hollandse waren er verscheidene mee in verbinding getreden, maar de Hollanders waren voor de Hansa nooit de ware broeders geweest; daarvoor woonden ze te ver weg van het Oostzeegebied, daarvoor waren hun belangen te afwijkend. Zij meenden de aangewezen personen te zijn voor de tussenhandel en de vrachtvaart van de Oostzee naar Vlaanderen en Engeland, hetgeen de oude, machtige en eigenwijze hanzeaten van Lübeck onder andere niet konden inzien. Reeds in de 14de eeuw was hierover veel te doen geweest, maar in de 15de werd het nog veel erger. In 1418 hadden de Hollandse steden zich met de Deense koning tegen de eigenlijke Hansa verbonden, zodat een soort van oorlogstoestand, tenminste van zeeroverij, represaillemaatregelen en dergelijke, op Noord- en Oostzee was gaan heersen. Toen nu de Hollanders en Zeeuwen onder Filips de Goede geraakt waren, werd dit dadelijk veel erger; de vaart op "Oostland" kwam bijna tot stilstand en het eerste gevolg was een geweldige duurte in het koren, bij hongersnood af.

Dadelijk nam hertog Filips zijn maatregelen, door een reglement op de korenhandel stelde hij dit bedrijf onder streng toezicht, alsof heel Holland een belegerde stad was (en Zeeland niet minder). De marktprijs werd vastgezet, de uitvoer verboden, geleibiljetten werden gevorderd voor elk vervoer binnenslands. Ja, van regeringswege werden er kooplieden aangewezen, die nog handel in koren mochten drijven, in iedere stad en ieder dorp naar zijn grootte. En dit is belangwekkend, omdat het zo ongeveer de betekenis van Rotterdam in deze dagen (1437) doet zien: Dordt en Haarlem mochten 12 korenkopers hebben, Amsterdam, Leiden en Delft 10, Gouda werd gesteld op 8 en Rotterdam op 6. Naar hun grootte! Een bewijs dat Dordt nog niet zo'n grote slag had gekregen door de St.-Elisabeths vloed, als men weleens wil doen geloven; een teken ook dat Rotterdam nog ver achter stond bij zijn twee naburen Delft en Dordt en zelfs ook nog bij Gouda, dat toch met Jacoba de nederlaag geleden had (noot 1).

Intussen, al had Amsterdam minder officiële korenhandelaars dan Dordt, zo schijnt het toch meer graan in zijn pakhuizen gehad te hebben; het was immers reeds toen "de korenschuur van Holland". De regering van Rotterdam zond tenminste haar boden naar Amsterdam, om een dergelijke zware gang te doen als eens Jacobs zonen, die naar Egypteland togen. Zij moesten eerst een oude kennis opzoeken, al was het niet hun eigen broeder: in Den Haag hadden ze zich te vervoegen bij de gewezen Rotterdamse burger Jan van Santen, nu voorzitter van de raad van bestuur, om een bewijs te halen, dat ze te Amsterdam 15 last rogge en tarwe mochten inslaan. En de Amsterdammers hebben dit moeten geven, daar het niet geweigerd mocht worden, "tenzij er bij hen nog meer gebrek geweest ware dan te Rotterdam".

Intussen zal deze reis wel niet de enige gebleven zijn, want de toestand werd nog erger, toen in 1438 de openlijke oorlog met de "Oosterlingen" uitbrak. De strijd begon met de zes Wendische steden, Lübeck, Wismar, Rostock, Stralsund, Greifswald en Anklam, die verbonden waren met de hertog van Holstein, maar hij duurde drie volle jaren en breidde zich tot verscheidene andere Hansa-steden uit. Voor de Hollanders en Zeeuwen bracht hij grote roem en hoge eer, want het was hun eerste belangrijke zeeoorlog en ze voerden hem zo goed, dat ze met de "bezem in de mast" terugkwamen. Van de 45 oorlogsschepen, die de twee provincies in zee gebracht hadden op bevel van hun landsheer Filips, hadden Rotterdam en Schiedam er samen een uitgerust, een "baerdze".

Naast de blinkende roem bracht de oorlog - als altijd - de doffe, vale ellende. En daarvan kreeg Rotterdam een groter deel dan van de eer. Wegens de duurte van het koren brak er in 1439 een oproer uit, zoals men waarschijnlijk nooit tevoren gekend had. Een woeste menigte burgers kwam op het luiden van de stormklok op de straten met opgestoken banier, hetgeen doet vermoeden, dat de schutters mee van de partij waren. De baljuw en het gerecht konden niets tegen hen doen en werden zelfs openlijk beledigd. Intussen schijnt de opzet niet bepaald tegen hen gericht geweest te zijn, zover uit de schaarse aantekeningen in het Rijksarchief op te maken is (noot 2) en ook niet tegen korenpakhuizen of dergelijke, maar wel tegen enige Leidse en Delftse burgers, die op de toren gevangen zaten. Twee van de belhamels drongen in die toren binnen en wierpen de ongelukkigen eraf, met het gevolg, dat twee personen dodelijk en drie anderen vrij ernstig gekwetst werden. Hoe die gevangenen daar kwamen en waarom het volk zo gebeten op hen was, laat zich enkel raden: misschien had men te Leiden en te Delft geweigerd koren te geven aan Rotterdam en had daarom de Rotterdamse regering eenvoudigweg naar de mode van die tijden, de eerste de beste burgers van die steden, die zich vertoonden, in arrest genomen; wellicht heeft dan het Rotterdamse volk, niet tevreden met zo'n zachte behandeling, de lynchwet willen toepassen.

Het is tenminste zeker, dat Delft en Leiden bij het pas opgerichte Hof van Holland een klacht indienden zowel tegen het stadsbestuur van Rotterdam als tegen de schuldige burgers. En er volgden strenge straffen tegen beide. Ruim dertig burgers van Rotterdam werden voor eeuwig buiten de Bourgondische landen verbannen en de stad zelf moest opdraaien voor de nodige boeten en schadeloosstellingen. Volgens de rechtsbegrippen van die dagen had ze eerst te zorgen voor zoen met de steden Leiden en Delft en dan nog met de graaf, wiens gezag ook beledigd was. Voor de gedode Leidenaars en Delftenaars moesten grote sommen betaald worden, voor de gewonden kleinere naar evenredigheid. Maar de graaf moest meer hebben dan zij allen tezamen, namelijk 500 gouden rijders boete benevens kwijtschelding van 3500 schilden, die de stad hem geleend had op het baljuw- en rentmeesterschap en het gerecht van Rotterdam. (Filips maakte dus van de gelegenheid gebruik om deze ambten weer geheel vrij in zijn hand te krijgen.)

Maar dit was nog lang niet alles: bij de wereldlijke straffen kwam nog een hele rij kerkelijke. Van de 30 verbannen burgers werden er 22 veroordeeld, allereerst een bedevaart te maken naar Santiago de Compostella in Spanje. Verder moesten de Rotterdamse burgemeesters driehonderd zielmissen laten lezen voor de vermoorden en tenslotte moest op de eerstvolgende Sacramentsdag een grote processie "mit cruse ende mit vanen" gehouden worden, die eerst moest stilhouden voor het Gasthuis, waar een mis gelezen moest worden en daarna voor de kerk, waar de plechtige uitvaart der vermoorden gevierd moest worden. Voorwaar, de straf was zwaar genoeg en men kon ondervinden, dat Holland een sterke en strenge meester gekregen had! Menig Rotterdammer zal wel de verzuchting geslaakt hebben: "hadden we de vreemdeling maar niet helpen binnenhalen!" Maar voor de algemene rust en orde waren zulke maatregelen destijds goed en nodig; onder de strenge vreemdeling genoot Holland een ongekend kalme tijd, zodra de oorlog met de "Oosterlingen" voorbij was.

Noten:

1.) Van het bedoelde reglement is een uittreksel aanwezig onder de niet gedrukte regesten in het Stadsarchief van Rotterdam, waaruit ook de voorgaande en volgende bijzonderheden zijn getrokken.

2.) Register van ROSA IV, Rijksarchief.




Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net

Op onze site kun je nog meer verhalen vinden van haar, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Gerrie van der Laan en klik op ENTER






Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

18 Maart 2020