Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

Rotterdam beschreven in 1858 door J.L. Terwen

Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email:
aad@engelfriet.net

Op onze site kun je meer vinden over de in dit verhaal genoemde namen en aspekten, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Rotterdam en klik op ENTER




Rotterdam beschreven in 1858 door J.L. Terwen

Hertaling.

Een der aanzienlijkste handelssteden der aarde, het mooie Rotterdam, ligt voor ons, met zijn mooie en ruime havens, prachtige kaden en tamelijk grote handelsvloot, met al zijn gewoel en dicht ineengedrongen bevolking, die zich meer en meer in de voorsteden begint uit te breiden en het inwonertal van de stad op een verbazende wijze in omvang doet toenemen. Er is geen stad in ons vaderland, die op zulk een bewonderenswaardige voorspoed en vooruitgang kan bogen de laatste tijd als Rotterdam, en het doet de ware vaderlander, die haar bezoekt goed, wanneer hij hier het aangename beeld van de bedrijvigheid en de handel van Holland in de 17de en 18de eeuw gelooft terug te vinden, en aan onze nijvere en bloeiende plaats een nog veel schitterender toekomst meent te kunnen voorspellen.

Rotterdam, in het hart van de provincie Zuid-Holland, is in de vorm van een driehoek gebouwd, waarvan de rivierzijde de basis uitmaakt, terwijl de landzijden door de oude stadsgrachten omgeven worden. Buiten deze laatste liggen de fraai beplante, van hofsteden en tuinen voorziene, volkrijke, sterk toenemende buitenwijken of voorsteden, die de stad in een dichte gordel omsluiten, en waarvan de huizen, behalve langs de buitenzijden van de vest en vele dwarswegen en straten, voornamelijk gebouwd zijn aan het zogenaamde Nieuwe Werk, de Schiedamse Dijk, de Coolsingel, de Binnenweg, de Kruiskade, de Schie, de Rotte, de Saladekade, de Goudse Rijweg en de Hoge Zeedijk. De stad zelf wordt door de Hoogstraat of de Hogedijk in twee zeer verschillende delen, de Binnenstad en de Buitenstad, gescheiden.

De eerste heeft vele nauwe straten, doorgaans zeer hoge huizen, die dikwijls door twee, drie of meer huisgezinnen bewoond worden, en is veel onaanzienlijker dan de tweede, ofschoon men er ook enige fraaie straten vindt, waaronder de Weste Wagenstraat met de Delftse Vaart, de Oppert, de Lombardstraat en Botersloot uitmunten, die zich bijna rechtlijnig van de Hoogstraat landinwaarts uitstrekken. Het grootste gedeelte van de huizen is er bezet met winkels, die men echter veel fraaier, ja zelfs buitengewoon sierlijk en prachtig op de Hoogstraat aantreft, en welke men 's avonds bij de gasverlichting moet zien, om ze in alle pracht te kunnen bewonderen.
De Buitenstad daarentegen heeft ruime en diepe havens, waarin de grote zeeschepen, tot verbazing van elke vreemdeling, tot vóór de grote en prachtige huizen van de kooplieden kunnen varen om te laden en te lossen, een voordeel, dat geen andere stad in Nederland en slechts weinige steden in Europa bezitten, terwijl de heerlijke brede kaden meestal met zwaar geboomte beplant zijn en voor de ingezetenen aangename wandelingen opleveren.

De voornaamste van die havens zijn: de Leuvehaven, in de Maas uitlopende, en waarmede de Zalmhaven, aan de westhoek van de stad, gemeenschap heeft. Zij zijn beide voor grote zeeschepen geschikt; een oostelijke voortzetting van de Leuvehaven is de Blaak, een ligplaats voor binnenvaartuigen; deze wordt door de Beursbrug gescheiden van de Oude Haven, die zich weer zuidwaarts naar de Maas wendt, en evenzeer alleen voor binnenvaartuigen geschikt is. Binnen de driehoek, die deze havens vormen, vindt men de daarmee aan de beide einden verbonden Wijnhaven en Scheepmakershaven, de eerste als ligplaats voor lichte, de tweede voor zware zeeschepen bestemd, en die mede door de kleinere Glashaven en Bierhaven aan elkander verbonden zijn.
Aan het noordeinde van de Oude Haven heeft men de binnenhavens, de Kolk en het Steiger, welke laatste zich evenwijdig met de Hoogstraat over haar gehele lengte uitstrekt, onder de Grote Markt doorloopt, en zich weer met de Leuvehaven bij de Zeevismarkt verenigt.
In het oostelijk gedeelte van de Buitenstad liggen de Nieuwe Haven en het mooie deftige Haringvliet, beide voor zeeschepen, in het westen met de Oude Haven verbonden en in het oosten in het voormalige Dok der Marine en particuliere werven uitlopend.
Tenslotte vindt men in het westelijk gedeelte van de stad, maar aan de kant van Delfshaven, een geheel nieuwe, sedert vier jaar gegraven Berg- of Vluchthaven voor grote schepen. Daar deze door de grote uitbreiding van de scheepvaart noodzakelijk was geworden, stond de raad daarvoor vier ton gouds toe, en binnen zeer korte tijd zag men in het gure jaargetijde een bos van masten, waar een jaar tevoren nog slechts een laag, moerassig land te zien was.

De ligging van Rotterdam voor de handel is bijzonder gunstig en mooi. Door de rivier de Maas, die na haar vereniging met de Waal naar Dordrecht stroomt, zich in de nabijheid van die stad in verscheidene armen splitst en in haar noordelijkste arm de Lek en de IJssel opneemt, heeft Rotterdam gemeenschap met Duitsland, België, het binnenland, vooral met Dordrecht, Zeeland en Antwerpen, terwijl de onderscheidene monden van de Maas haar met de zee verbinden. Daar evenwel door aanslibbing van de rivier de naaste weg naar zee, vooral bij Brielle en Maassluis, voor grote schepen ongeschikt werd, en men de omweg langs Dordrecht en Hellevoetsluis wilde vermijden, heeft men dwars door het eiland Voorne een kanaal naar laatstgenoemde plaats gegraven, waardoor thans de zwaar geladen schepen uit zee in zeer korte tijd vóór de stad kunnen komen. Buitendien is Rotterdam door de Schie en de Trekvaart met 's-Gravenhage, Leiden, Haarlem en Amsterdam, door andere binnenvaarten met bijna alle steden van het land en door drie spoorwegen met Amsterdam, Utrecht, Arnhem en bijna geheel Duitsland, en aan de zuidzijde met België verbonden. Ofschoon de laatste spoorweg nog slechts van Antwerpen tot aan de Moerdijk is doorgetrokken en de reizigers van daar met stoomboten naar Rotterdam en terug worden gevoerd, bestaat er toch reeds een plan, om die weg tot in Rotterdam zelf te verlengen, en is het alleen nog twijfelachtig, in welke richting en over welke plaatsen van de rivieren deze reusachtige onderneming tot stand gebracht zal worden.

Verbazend groot is het aantal binnenschepen, die niet alleen uit alle oorden van het vaderland, maar ook uit België en Duitsland dagelijks te Rotterdam aankomen of van daar afvaren, en de vele stoomboten, die in alle mogelijke richtingen de rivieren doorploegen, en een rechtstreekse verbinding met Amsterdam en bijna alle steden langs de IJssel, de Lek, de Rijn en de Maas, met Noord-Brabant en Zeeland onderhouden.
Niet minder groot is het aantal grotere en kleinere zeeschepen, die van alle oorden der aarde hun kostbare vrachten naar Rotterdam voeren, terwijl geregelde stoombootdiensten naar onderscheidene havens van Frankrijk en de Middellandse Zee, naar Engeland, Schotland, Hamburg en de Oostzee zijn ingericht.

Treffend mooi is dan ook het gezicht op de met grote en kleine vaartuigen overdekte rivier, vooral wanneer men te water van de kant van Dordrecht komt, en de prachtige koopstad zich trapswijze toont. Eerst verschijnen dan de vroegere Marinegebouwen, thans het Rijksentrepot, in de nabijheid waarvan weldra het grote stationsgebouw van de Rijnspoorweg, onmiddellijk aan de Maas op de voormalige Rijkswerf, opgericht zal zijn. Vervolgens vertonen zich de prachtige huizen van het Haringvliet, die tot voor kort door de rivier zelf bespoeld werden, maar waarachter thans een zeer brede kade, door het onbevaarbare gedeelte van de Maas heen tot aan het plein van de Oude Hoofdpoort, gelegd wordt, teneinde daardoor de toegang tot de stationsgebouwen uit de stad gemakkelijk te maken, en welk reusachtig werk de stad op drie ton gouds komt te staan. Daarna ziet men aan de andere zijde van de Oude Haven de beroemde Boompjes, een heerlijke kade, met merendeels zeer aanzienlijke huizen bezet en tot voor kort met hoog en zwaar geboomte beplant. Zij is drie jaar geleden in de Maas aangestort, tot op dubbele breedte gebracht en door een zware basaltmuur tegen afspoeling beveiligd; thans zijn ook de oude bomen door jong geboomte vervangen.

Aan het westeinde van de Boompjes, wier weerga men in Nederland niet vindt, is deze kade door een pasgebouwde ijzeren basculebrug over de mond van de Leuvehaven rechtstreeks met de nieuwe prachtige Willemskade verbonden, terwijl eerlang ook een dergelijke brug over de mond van de Oude Haven gelegd zal worden, om de Boompjeskade met de nieuwe kade, achter het Haringvliet, in verband te brengen. De genoemde Willemskade is geheel een schepping van de jongste tijd; vóór een tiental jaren zag men langs de rivier aan het zogenaamde Nieuwe Werk, ten westen van de Leuvehaven, een brede zoom van riet en biezen. Deze grond werd door een maatschappij aangekocht, en thans staat daar een reeks prachtige huizen met brede trottoirs, zeer brede kaden en kaaimuren van basalt, terwijl de gehele lengte, evenals de Boompjes, door zware zeeschepen en stoomboten wordt ingenomen.

Aan de westhoek van de kade prijkt het buitengewoon mooie Yachtclubgebouw met zijn prachtige zalen, vorstelijke vertrekken, en zijn bevallig torentje; hier, aan de Veerdam, wordt de gemeenschap met de overzijde door een bestendig heen en weer varende stoomboot onderhouden. Achter de nieuwe gebouwen heeft zich de brede Willemstraat gevormd, waaraan fraaie huizen een deftig aanzien geven. Nog een weinig westelijker ligt de nieuwe Vluchthaven, en tussen deze Vluchthaven en de rivier wordt een nieuwe verlenging aangebouwd, zijnde deze grond door een prachtige basculebrug met de stadszijde verbonden.
Daar staat reeds het nuttige Zeemanshuis, waarin desnoods 300 zeelieden kunnen worden opgenomen, met fraaie lees- en gezelschapszalen, in een waarvan een uitmuntend standbeeld van onze grootste zeeheld M.A. de Ruiter is opgericht. Voorts ziet men er reeds zeer grote pakhuizen en fabrieken, waaronder een Stoommeelfabriek en Rijstpellerij van 4.500 vierkante ellen oppervlakte, wier oprichting meer dan vier ton gekost heeft. Tenslotte ligt aan gene zijde van de Vluchthaven het nieuw aangelegde, buitengewoon fraaie Wandelpark, met een zeer sierlijk Sociëteitsgebouw, vanwaar men de heerlijkste vergezichten langs de boorden van de mooie rivier en op de stad heeft.




Vervolg 1.

Hertaling.

De oorsprong van Rotterdam is niet met zekerheid bekend. De stad ontleent haar naam, die voor het eerst in het jaar 1328 voorkomt, van het water de Rotte, een riviertje dat uit de plassen nabij Moerkapelle voortkomt, zuidwaarts loopt en zich binnen de stad onder de Vismarkt door in de Kolk, en verder in de Oude Haven stort. Men meent, dat zich hier eerst op het einde der 9de eeuw, in de omtrek van het voormalige Crooswijk, een volksplanting der Katten nedergezet heeft, waarvan nog de tegenwoordige naam Katshoek afkomstig zou zijn.

Lang was deze streek aan overstromingen onderhevig, die de aanwas van de bevolking beletten, totdat men eindelijk de Rotte afdamde en een weinig later die dam van een sluis voorzag, om het overvloedige winterwater te lozen. Daardoor was de eigenlijke grondslag van de nieuwe stad gelegd; de bevolking nam op de aan het water ontwoekerde grond spoedig toe, vestigde zich weldra ook buiten de ingedijkte landen dichter aan de rivier, en reeds in 1272 kreeg Rotterdam van graaf Floris V stedelijke rechten. De stad bepaalde zich evenwel toen nog slechts tot dat gedeelte, dat heden door de Weste- en Goudse Wagenstraten en het Steiger wordt ingesloten, en werd ten noorden begrensd door het adellijke slot "Het Hof van Wena", gesticht door de heren van Wassenaar, burggraven van Leiden. Van dit kasteel liep een weg, de Nieuwpoort of Oppert genaamd, naar de St. Laurenskapel, en nadat deze weg met huizen bezet was, strekte de bebouwing zich verder westelijk uit tot aan het aloude kasteel Bulgersteyn, volgens de overlevering omtrent het jaar 40, ter plaatse van de tegenwoordige Franse kerk en het Tuchthuis, op een bank in de Maas gesticht, vanwaar deze plaats thans nog de naam Roodezand zou dragen. Nadat in 1260 het geheel vervallen kasteel Bulgersteyn herbouwd en in staat van verdediging gebracht was, werd deze streek dichter bevolkt, en binnen weinige jaren was de toenmalige stad geheel met stenen huizen bebouwd.

In het jaar 1282 werd op last van Floris V de Hoge Schielandse Zeedijk aangelegd, en bij deze gelegenheid bouwde men ook de kapitale sluizen op de hoogte van de Vlasmarkt, waardoor Schieland van overstromingen bevrijd en de sluis te Crooswijk buiten werking gesteld werd. In 1345 werd ter bevordering van de reeds bloeiende handel, in weerwil van de hevige tegenkanting van Delft, de vaart tussen Rotterdam en Overschie gegraven, en daardoor de stad ook te water met het overige Holland in gemeenschap gebracht. Hoe bloeiend de stad toen en later evenwel mocht wezen, duurde het toch tot 1580, eer zij onder de grote steden ter staatsvergadering geroepen werd, om daarin zitting en stem te nemen; zij was alzo de zevende in rang, en stond dus nog onder Delft en Gouda. In die tijd werkten verschillende omstandigheden mee, om Rotterdam tot een zeer aanzienlijke handelsstad te maken. Amsterdam bleef nog tot in 1578 in de macht der Spanjaarden, waardoor de handel zich naar de Rottestad begon te verplaatsen, en in 1585, toen Parma Antwerpen veroverde, werd aan de koophandel van die bloeiende stad de doodsteek toegebracht, daar van nu af aan de Schelde gesloten bleef, en de vele rijke kooplieden uit Vlaanderen en Brabant zich te Rotterdam nederzetten.
De stad, reeds vroeger herhaalde malen uitgelegd, nam dan ook zo zeer in omvang toe, dat zij binnen een halve eeuw in grootte verdubbelde. De zevende of laatste uitlegging had plaats in 1609, toen een lengte van 1800 schreden in de Maas gedempt en daarop de Boompjes aangelegd werd. De kade kreeg haar naam van de rij Iepen, die in 1615 vóór de nieuwe gebouwen geplant werden, doch de eigenlijke kade dagtekent eerst van 1661. De scheepstimmerwerven, die vroeger op deze plaats en aan de Scheepmakershaven gevonden werden, zijn toen naar de Zalmhaven verplaatst. In hetzelfde tijdvak (1641) werden de singels gegraven en achtereenvolgens bebouwd.

Gedurende de Jonker Fransen Oorlog was Rotterdam het middelpunt van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. In 1488 werd de stad onverwacht door jonker Frans van Brederode ingenomen, en van hier plunderde en brandschatte hij geheel Holland, ofschoon zijn aanslagen op Schoonhoven, Delft, Schiedam en Gouda mislukten. Teneinde deze ongeregeldheden te stuiten, kwam de aartsbisschop Maximiliaan zelf in Holland, doch eerst na een manmoedige verdediging gaf de stad zich bij verdrag aan hem over, waardoor aan de partij der Hoeken een gevoelige slag werd toegebracht.

In 1563 brandde de stad gedeeltelijk af; 250 huizen en omtrent 40 schepen werden door de vlammen verteerd, en 700 huizen zeer beschadigd. Een andere ramp trof haar 9 jaar daarna, toen de graaf van Bossu, na voor Brielle het hoofd gestoten te hebben, voor Rotterdam verscheen en de doortocht verlangde. Zijn verzoek werd toegestaan, maar op voorwaarde, dat zijn leger niet dan bij kleine benden de stad zou doortrekken. Nauwelijks waren echter de eerste Spanjaarden de Oostpoort binnengedrongen, of zij vielen verraderlijk op de burgers aan, vervulden de stad met plundering en moord, en meer dan 300 burgers, onder wie de burgemeester Jan Jansz. Roos, verloren daarbij het leven. Dit schandelijk verraad is vereeuwigd door een opschrift, dat vroeger boven de Oostpoort gemetseld was, maar na het afbreken van die poort in 1836 in de muur van de Oost-barrière gemetseld is. Nadat Bossu de stad drie maanden later ontruimd had, herstelde zij zich weldra van de geleden schade. In de jaren 1613-1618 was zij echter wederom aan inwendige beroeringen, door de godsdiensttwisten veroorzaakt, ten prooi, totdat prins Maurits door de verandering van de regering daaraan een einde maakte.
Behalve enige andere onrustige bewegingen, die nu en dan in de stad plaatsgrepen, bleef zij evenwel van rampen verschoond. Rotterdam leed zelfs in het treurige tijdvak van 1795 tot 1810 door zijn voortreffelijke ligging naar evenredigheid minder dan de andere steden, omdat er nog altijd enige koophandel overbleef.

Dan, door de volslagen vernietiging van alle handelsbetrekkingen door het Franse stelsel werd na de inlijving alle scheepvaart op de Maas verlamd, en ontstond voor Rotterdam een nacht van ramp, waarin het geheel dreigde onder te gaan. De weinige schepen die nog aan de Engelsen ontsnapt waren, lagen onttakeld in de vol slijk rakende havens te verrotten; vele aanzienlijke koopmanshuizen stonden leeg en waren onverkoopbaar; het inwonertal verminderde binnen korte tijd met 8000; nochtans werd de stad door de aan haar bepaald verknochte uitgebreide binnenlandse handel voor de afbraak behoed, waardoor andere steden zo zeer leden.
Plotseling hield deze treurige toestand op, toen in december 1813 ook Rotterdam, als een van de eerste steden van Holland, het Franse juk afschudde. Zodra de scheepvaart in 1814 geopend was, werd de Maas door een verbazingwekkende hoeveelheid schepen uit alle oorden, vooral uit Engeland, als overdekt, zodat er nauwelijks enige ruimte voor de binnenvaartuigen overschoot, en de oudste mensen zich zulk een ongelooflijke toevloed niet konden herinneren.

Van dit ogenblik af was al het kwijnen verdwenen, en heersten er weer gewoel en werkzaamheid, vooral toen de handel op onze koloniën in Oost en West-Indië hersteld werd, en de rijnhandel meer en meer aanwakkerde. Wel werkte de vereniging van België met Noord-Nederland niet gunstig op de stad, omdat Antwerpen, door zijn mooie ligging begunstigd, ongelooflijk snel opbloeide, Rotterdam en Amsterdam weldra naar de kroon stak, en de oude handelsgrootheid van Noord-Nederland geheel dreigde te verduisteren, daar het bijna de gehele Oost-Indische handel tot zich trok. De opstand van België in 1830 beroofde echter Antwerpen van die onmetelijke voordelen, en speelde die onwillekeurig de Noord-Nederlanders, vooral de Rotterdammers, in handen. De meeste Antwerpse scheepsreders, die op Java handelden, deden hun schepen te Rotterdam bevrachten en vestigden zich aldaar. Binnen vier jaar had deze stad bijna de gehele Oost-Indische handel nog sneller tot zich getrokken, dan Antwerpen dit vroeger gedaan had.

Behalve deze handel, waarvoor hier meer dan 100 grote schepen thuishoren, bloeit hier vooral de handel op Engeland en Schotland, op Suriname en het Noorden, op Noord en Zuid-Amerika, en vooral ook op Duitsland, Zwitserland en Frankrijk. Groot zijn dan ook de aanvoeren, die hier jaarlijks uit alle oorden van de aarde worden aangebracht.

Rotterdam bezit bovendien een groot aantal fabrieken en trafieken, als: 4 suikerraffinaderijen, 21 branderijen en 15 distilleerderijen, 4 bierbrouwerijen, 5 azijnfabrieken, 6 mouterijen en 3 moutmolens, 1 garancinefabriek, 3 leerlooierijen, 1 gasfabriek en 1 op de grond van de gemeente Kralingen bij de stad, 6 goud- en zilverfabrieken, 1 goudslagerij, 1 stoomwerktuigenfabriek, 1 koperdraadtrekkerij, 1 ijzergieterij, 1 hagelgieterij, 1 loodpletterij, 1 loodasbranderij, 2 platloodgieterijen, 3 loodwitfabrieken, 40 scheepstimmerwerven, 1 touwslagerij en 3 op de grond van Kralingen, 4 zeildoekfabrieken, 1 weverij, 2 brandspuitfabrieken, 3 haardoekweverijen, 1 vlasbereidingsfabriek, 4 karottenfabrieken, 6 sigarenfabrieken, 6 vernisstokerijen, 6 patentoliefabrieken, 1 lijmziederij, 1 orgelfabriek, 1 houtdraaierij, 1 behangselfabriek, 1 stoommeelfabriek en rijstpellerij, 3 strohoedenfabrieken, 2 zeepziederijen, 1 zoutziederij, 2 chocoladefabrieken, 3 fineerzaagmolens, 16 boekdrukkerijen, 2 plaatdrukkerijen, vele koren- en 11 houtzaagmolens, 2 oliemolens, 1 snuifmolen, enz.




Vervolg 2.

Hertaling.

De bevolking van Rotterdam, die in 1811 nog ruim 59.000 inwoners bedroeg, daalde in 1813 tot 52.000; zij bedroeg echter in 1823 reeds 63.093, in 1830 73294, en thans (1 januari 1858) is dit getal reeds tot 102.812 geklommen. Daaronder zijn 61.000 hervormden, omtrent 30.000 katholieken, 4.600 lutheranen, 130 leden van de Schotse gemeente, 200 anglicanen, 350 doopsgezinden, 1.200 remonstranten, 300 christelijk afgescheidenen, 70 gereformeerden onder 't Kruis, 300 oud-roomsen en ruim 3.700 Israëlieten. Rotterdam bezit voorts een arrondissementsrechtbank, een zeer gewichtige kamer van koophandel en fabrieken, talrijke inrichtingen van kunsten en wetenschappen, instellingen van liefdadigheid, enz.

De stad had vroeger 10 poorten, 6 aan de landzijde en 4 aan de kant van de Maas, die echter alle op één na sedert 1827 zijn afgebroken, hetgeen het laatst met de Oost Oude Hoofdpoort aan de Maas in het verlopen jaar het geval is geweest. De enige overgebleven poort is de Delftse, die door haar sierlijke bouworde onder de mooiste openbare gebouwen van het land gerekend mag worden. Buiten deze poort is sedert weinige jaren de grote Beestenmarkt, waar elke dinsdag een groot aantal runderen gebracht worden. Behalve deze heeft Rotterdam nog verscheidene, ofschoon niet zeer ruime markten, waarvan de voornaamste zijn; de Grote Markt, die in 1555 overwelfd werd, en door zeer prachtige winkels is omringd. Op deze markt aan de Kolk staat het metalen standbeeld van de onsterfelijke Rotterdammer, Desiderius Erasmus, dat een wezenlijk sieraad van dit gedeelte van de stad uitmaakt.
Het eerst werd in 1549 voor die geleerde een houten standbeeld opgericht, en dit werd in 1558 door een beeld van blauw arduin vervangen, maar in 1572 door de Spanjaarden verbrijzeld. Daarna werd in 1622 het tegenwoordige voortreffelijke beeld in koper afgegoten. Het staat op een blauw stenen voetstuk van 6 voet hoog, is meer dan levensgroot en heeft een geopend boek in de hand, terwijl het voetstuk van verscheidene opschriften voorzien is. In de laatste jaren heeft men het beeld met een ijzeren hek omringd.

Voorts is er de Vlasmarkt op het Spui, in of na 1608 aangelegd; de gaanderijen, die kort daarna gebouwd waren en op 40 houten pilaren rustten, zijn deze dagen (9 september) wegens bouwvalligheid afgebroken, zodat de markt nu een open plein is. De eigenlijke Vlasmarkt was echter reeds sedert vele jaren naar de grote Beurs verplaatst. De Zeevismarkt is aan het westeinde van de Blaak, recht voor de Leuvehaven, aan het Kleine Marktveld, en bestaat uit een lange overdekte gaanderij, waaronder de visbanken geplaatst zijn. Aan de Schiedamse vest vindt men in de open lucht de zogenaamde Scheveningse Vismarkt. Verder heeft men 3 Riviervismarkten, de Nieuwe Markt, de Varkenmarkt, de Groenmarkt op het voormalige kerkhof achter de Grote Kerk, de Hooimarkt bij de Oostbarriëre, de Botermarkt, de Kaasmarkt, de Melkmarkt, de Hoendermarkt, enz.

Men vindt in Rotterdam een groot aantal bruggen, die de onderscheidene delen van de stad met elkaar verbinden, en waarvan één vooral opmerking verdient, omdat men geen tweede dergelijke in ons land kan aanwijzen. Wij bedoelen de Beursbrug, in 1827 zeer smaakvol geheel van hardsteen opgetrokken, met 3 bogen, voortreffelijke voetpaden, en zo breed, dat 3 rijtuigen er ongehinderd naast elkaar over kunnen rijden. Zij prijkt bovendien met 4 kandelaren van hetzelfde metaal en gelijke vorm, die de brug zeer verfraaien.
In de laatste jaren heeft men de meeste ophaalbruggen in de buitenstad door zeer fraaie ijzeren basculebruggen vervangen, waarvan de eerste bij de Draaisteeg over de Scheepmakershaven in 1840 voltooid werd; al deze bruggen munten uit door eenvoudigheid en door sierlijkheid. Ook in de binnenstad is er reeds veel tot verfraaiing en verbetering gedaan; verscheidene smalle grachten, die door hun uitwaseming de lucht verpestten, zijn gedempt en gedeeltelijk in goede straten veranderd. Over de singels zijn een paar ijzeren bruggen gelegd, en de buitengrachten zelf worden thans geregeld van vers water voorzien.

De zogenaamde Polderstad buiten de singels, thans met meer dan 25.000 inwoners, blijft echter nog steeds grote behoefte aan vers stromend water voelen, en heeft dientengevolge een doortastende verbetering nodig. Er is daarom een uitgebreid plan ontworpen, waardoor dit gebrek niet alleen zal worden opgeheven, maar ook de stad zelf aan die zijde een grote verandering en verbetering zal ondergaan. Dit zogenaamde waterproject is reeds door alle hogere machten goedgekeurd. Het bestaat uit niets minder, dan in het trekken van een lijn om de stad, die aan de oostzijde van de Maas begint, de polders Oost- en West-Blommersdijk, Rubroek en Cool insluit, en aan de westkant in de Maas eindigt. Deze grote oppervlakte zal ingesloten, van dammen, kanalen, sluizen, aardewerken, enz. voorzien, en alzo van alle aanvoer van binnen- of polderwater geweerd worden, terwijl twee stoommachines het onreine water, in twee weteringen verzameld, in de Maas zullen uitpompen, en de rivier de gehele stad van vers water voorzien zal. Vele gronden voor uitvoering van dit reusachtige plan zijn reeds onteigend; de kosten worden op één miljoen begroot.




Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net

Op onze site kun je nog meer verhalen vinden van haar, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Gerrie van der Laan en klik op ENTER






Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

11 December 2018