Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

De oprichting van de Rotterdamse Wisselbank

Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email:
aad@engelfriet.net

Op onze site kun je meer vinden over de in dit verhaal genoemde namen en aspekten, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Rotterdam en klik op ENTER




De oprichting van de Rotterdamse Wisselbank

De oprichting van de Wisselbank te Rotterdam staat in verband met de komst aldaar van de Merchants Adventurers. Dit was een geoctrooieerde sociëteit van Engelse lakenexporteurs. Zij vormden een nationaal exportgilde. Zij brachten de Engelse lakens naar een voorgeschreven markt, die een ruim aantal kopers deed verwachten en die gunstig gelegen was voor de distributie over het continent. Ook moest die markt een gunstige gelegenheid bieden voor het inkopen van retourgoederen. Antwerpen was zulk een markt geweest in de zestiende eeuw. Maar na de val van Antwerpen had de Court, d.w.z. de factorij der Merchants Adventurers, gezworven van de ene stad naar de andere: in 1621 kwam zij te Delft; in 1635 vestigde zij zich te Rotterdam. Niet alleen een vlot en winstgevend goederenverkeer verwachtten de Merchants Adventurers in de door hen uitgekozen stapelstad, maar ook een geregeld geldwezen, dat hun een ruime beschikking gaf over waardevast geld. De taak van de wisselbank was de handel van een ruime voorraad muntsoorten te verzekeren. Vandaar dat Delft, bij de komst van het genootschap in 1621 een stedelijke wisselbank had opgericht; en Rotterdam "ten einde dat eene vaste ende sekere evaluatie van de goude ende silvere munte ende specien mach worden gestablieert ende dat in onse stadt eene genoechsame quantiteit van gelt voor de occasie van de voorn. societeit mach bekomen worden", in 1635 eveneens tot de oprichting overging.

Reeds in 1624 en volgende jaren waren er in Rotterdam pogingen tot zulk een oprichting aangewend. Het stadsbestuur had zich toen in verbinding gesteld met een zekere Jan le Grand, een Rotterdams koopman, die kort tevoren uit Antwerpen was uitgeweken, en deze had de oprichting van een publieke wisselbank, "daer de wisselen betaelt ende ontfangen moogen werden", ten zeerste aanbevolen. De kooplieden zouden dan, zo meende hij, te eerder bereid wezen "gelt op de wissel te geeven ende te neemen." Het is duidelijk, dat Le Grand hier dacht aan de wisselhandel, de handel in wisselbrieven, die zich te Rotterdam, dankzij de wisselbank zou gaan ontwikkelen. Rotterdam - dit was zijn wellicht wat al te gerede verwachting - zou een centrum worden, waar de handel gemakkelijk wisselbrieven kopen en verkopen, disconteren en verdisconteren kon. Ondanks de voortgaande bemoeiingen van de overheid die op het Stadhuis een onderkomen in gereedheid bracht, voorts uit haar midden commissarissen benoemde en de aanstelling beraamde van een boekhouder en van een kassier, tevens essayeur van de bank, is er van de oprichting van een wisselbank destijds niets gekomen. Pas in 1635 vond de oprichting ervan plaats. Tot die tijd bleef Rotterdam in de wisselhandel afhankelijk van Amsterdam.

Dit bleef zo bij de oprichting van de Wisselbank. Toen immers in 1635 een overeenkomst met de Merchants Adventurers werd gesloten, tot vestiging van een Court in Rotterdam, en de belofte tot oprichting van een wisselbank werd gegeven, beloofde Rotterdam tevens, "dat daerinne - d.w.z. in de Wisselbank - de munten ofte specien van geld van tijde tot tijde sullen worden gestelt ende gehouden volgens den cours ende forme van den wisselbanck tot Amsterdam" en dat "de cours van de wisselbrieff t'Amsterdam" voor Rotterdam maatgevend zou wezen. Toch is heel duidelijk het streven merkbaar zich in de buitenlandse betalingen te emanciperen van Amsterdam. Tegen alle gerieflijkheden die Rotterdam verleende: het stichtte niet alleen een wisselbank, maar richtte ook "een bequame burse" en tevens een beleenbank in, stelde het namelijk de wedereis, dat de Merchants Adventurers, voor de verkoop van hun goederen betaling zouden bedingen "binnen dese stadt in banck ofte banckgelt", en dat zij "alle hare wisselen, die syluyden op London sullen remitteren, sullen tracteren ende sluyten binnen dese stadt".

Deze woorden worden duidelijk door vergelijking met wat in 1621 gebeurde te Delft. Ook toen gaf de vestiging van de Court aanleiding tot de oprichting van een wisselbank. Er was toen sprake van "penningen, dye van de vercoffte laeckenen ende andere waren procederen"; die penningen of de overschotten van die penningen, nadat retourgoederen waren gekocht, moesten worden overgemaakt naar Engeland. Het was gemakkelijk, hiertoe wisselbrieven op Londen te kopen in Amsterdam. Na enige aarzeling beloofden evenwel de Merchants, "dat alle hare penningen, die zij over zullen maecken bij wissel uit de Vereenichde Provincien ende getogen werden herwaerts over - d.w.z. naar Engeland - , getelt ende payabel gemaeckt zullen werden respectievelijck binnen Uw Ed. stadt ende niet elders". Wat Rotterdam eiste, ging nog verder. De gekochte wissels moesten niet alleen betaald worden via de nieuwe Wisselbank, maar de wissels zelf moesten gekocht worden - "tracteren ende sluyten" - binnen Rotterdam. De Merchants hebben zich aan deze overeenkomst niet stipt gehouden. Want in 1638 moest andermaal van Rotterdamse zijde de eis worden gesteld, "datt de coopluyden van de Societeyt niet sullen mogen nemen off ontfangen in betaelinghe van haere coopmanschappen eenige wisselbrieven, die gecontracteert (noot 1) sullen sijn in eenige andere stadt, off die ergens elders souden moeten werden betaelt buyten de banck van de voors. stadt Rotterdam". "Eenige andere stadt", betekende voor alles Amsterdam.

De 18de april 1635, nadat de Staten van Holland uit hun "souveraine en absolute macht" octrooi verleend hadden, werd de stadsordonnantie op de wisselbank uitgevaardigd. De inleiding tot deze ordonnantie zegt, dat de bank werd opgericht teneinde "a alle steygeringe ende confusie in de cours van den gelde te weren; b het stuk van de wissel te houden in goede ordre; en c opdat alle luyden, die eenige specien van penningen tot hare koophandel van doen hebben en d ook eenige specien, billioenen (noot 2), massen (edel metaal in klompvorm), grenalies (edel metaal in korrelvorm) ofte andere silvere of goude, gemaekt en ongemaekt, willen verkoopen, behoorlijk mogen werden gerieft". Het kan, na hetgeen hiervoor over wisselaars en kassiers en over de wisselhandel werd opgemerkt, niet moeilijk vallen deze vierledige doelstelling: handhaving van een waardevast geld; daardoor bevordering van de geldwissel; levering van negotiepenningen; opkoop van muntmateriaal, te verstaan. De eerste doelstelling had nader kunnen zijn uitgewerkt, zoals in de oprichtingskeur van de wisselbank te Middelburg, anno 1616, geschiedde. Zij omsluit het verbod van assignatie en bicquettering (noot 3), verwekkers van geldschaarste en van zwakte van de munt.

De Wisselbank te Rotterdam was, evenals die in andere plaatsen, een stedelijke instelling, "een publicque wisselbanck". Het openbaar karakter kwam ook hierin tot uitdrukking, dat de stadsregering zich garant stelde voor de penningen, die ter bank werden bewaard. Beslaglegging op deze penningen was niet mogelijk. Zij zouden zo veilig en zeker wezen, alsof een ygelijk coopman deselve ware hebbende binnen zijn eygen huys ende kasse". Toen de Wisselbank werd opgericht, verdwenen de stedelijke wisselaars. Zij werden met zijn vieren op het Stadhuis ontboden, waar hun het einde van hun werkzaamheden, "dat se geen wisselinge voortaen meer sullen moegen doen", werd aangezegd. Over de kassiers hangt een ledig zwijgen. Waarschijnlijk, dat ook zij hun bedrijf hebben moeten staken; mogelijk ook hadden in Rotterdam de wisselaars als kassiers gefungeerd.

De nieuwe Wisselbank werd gevestigd in de Blauwe Toren. De Blauwe Toren was een deel van de oude stadsversterking, een waltoren, aan de rechteroever van de uitmonding der Rotte gelegen, toen Blaak en Nieuwe Haven nog buitenwater waren en het Nieuwland het zuidelijkste deel vormde van de stad. Bij de verdere groei der opwassen in de rivier - ook het Nieuwland was zulk een opwas - breidde het bebouwde stadsgedeelte zich verder zuidwaarts uit. De oude verdedigingswerken aan de mond van de Rotte kwamen toen binnen de stad te liggen en verloren hun betekenis. De Blauwe Toren werd een sluimerende wachter, totdat de stadsregering zijn lege ruimten liet inrichten voor de nieuwe Wisselbank. De Blauwe Toren bood voor deze vestiging daarom een zo geschikte gelegenheid, omdat hij in de onmiddellijke nabijheid van de mede in 1635 ingerichte Beurs was gelegen en omdat hij een veilige bewaarplaats vormde van de ter bank gebrachte gelden. Een "corps de garde", een wachthuis, "omme aldaer wacht te connen houden", verhoogde de veiligheid. De Wisselbank zetelde in de Blauwe Toren gedurende de gehele zeventiende eeuw. In 1700 kwam er verandering. Toen werd de waag, die in het Raadhuis was gevestigd, naar elders overgebracht en kwam er ruimte vrij voor de Wisselbank. Zij bleef in de benedenruimte van het Raadhuis tot aan haar opheffing in de Franse tijd.

Van bijzondere betekenis was onder de vertrekken van de Wisselbank de speciekamer. Deze diende, gelijk de naam aangeeft, voor het bewaren der speciën. Regel was, dat de kassiers van de Wisselbank, die ambtshalve met de uitbetaling en de ontvangsten van de gelden belast waren, niet meer dan ter waarde van f 60.000 in kas mochten hebben. Zo althans bepaalde de instructie voor de kassiers in 1703. Wat er aanwezig was boven dit bedrag, moest in de speciekamer gebracht worden, het heiligdom, waartoe niet de kassiers toegang hadden, maar slechts de van stadswege aangestelde commissarissen, d.w.z. de door de vroedschap uit haar midden gecommitteerde bestuurders der Wisselbank. Toen na het jaar 1700 de Wisselbank in het Raadhuis was gevestigd, bevond de speciekamer zich in de kelder van het gebouw. Het was daar kil en vochtig en salpeterachtig, zoals zekere Mr. Johan van Berckel klaagde, toen hij in 1725 tot commissaris van de Wisselbank werd benoemd. Zijn ambt kon hij niet waarnemen, daar zijn gestel "seer sensibel" was voor koude en voor "salpeterachtige lugt", welke ongemakken hij zou moeten verduren, indien hij geroepen was dagelijks te assisteren in de speciekamer van de Wisselbank. In het gebouw van de Wisselbank moet verder een werkkamer of kantoor geweest zijn voor de kassiers. Daar stond een ijzeren kist en was een besloten kas, beide voor het bewaren van gemunt geld. "Sullen de kassiers achter in haer kasboeck pertinente notitie houden van alle gelden, dewelck uyt de ijsere kiste in de beslootene kasse en uyt de beslotene kasse in de ijsere kist werden gebragt" (noot 4). Uiteraard moet ook de boekhouder van de Wisselbank een eigen werkvertrek tot zijn beschikking gehad hebben.

In het voorgaande maakten wij reeds kennis met de belangrijkste functionarissen van de Wisselbank, enerzijds de heren commissarissen, de hoge gedelegeerden van de stadsregering, anderzijds de commiezen, ook wel officianten, officieren of suppoosten genoemd, de eigenlijke ambtenaren. Het waren de boekhouders en kassiers. Zodra er in 1625-1626 sprake was van de oprichting van een wisselbank, wees de vroedschap uit haar midden enkele leden als commissarissen aan. Er is destijds, zoals wij weten, van de oprichting niets gekomen. Dit geschiedde pas in 1635 en onmiddellijk werden toen door de vroedschap twee commissarissen benoemd. De Wisselbank was een stedelijke instelling, en onder het toenmalig bewind, waarbij een gesloten aristocratische vroedschap door middel van gedelegeerde besognes de zaken gaande hield, was een andere beheersvorm dan die door commissarissen niet goed mogelijk. De commissarissen voor de Wisselbank stonden rechtstreeks onder de burgemeesteren. Deze laten zich met de hedendaagse wethouders vergelijken. Zij vormden in de toenmalige stadsregering het dagelijks bestuur.

Het commissarisschap van de Wisselbank behoorde tot de smalle ambten, d.w.z. tot die ambten, die ter begeving van de vroedschap stonden. Het wierp voor de betrokkenen zekere baten af, sedert 1637 jaarlijks tweehonderd gulden, waarbij dan in het begin der 18de eeuw, indien de gecommitteerde niet tegelijkertijd een ander smal ambt bekleedde, opdat "de smallen ampten ten aensien van het proffijt eenighsints wierden geëgaliseert", onder de naam van "tabbaertlaken" een jaarlijks emolument van 100 gulden kwam. Een sinecure was het commissarisschap van de Wisselbank zeer zeker niet. Johan van Berckel met zijn "sensibele constitutie" en zijn afkeer van "salpeteragtige lugt" moge een zeur en een pietepeuter geweest zijn, die deed, alsof hij zou bezwijken onder de plichten van zijn ambt, toch waren die plichten niet licht te achten. Commissarissen van de Wisselbank hadden allereerst te letten op de voorschriften van de hoge overheid betreffende "de valuatie van de penningen". Zij moesten dus zorg dragen voor de waardevastheid van het geld. Voorts waren zij verantwoordelijk voor een geregelde gang van zaken in de Wisselbank. In het bijzonder oefenden zij toezicht uit op de speciekamer, waarvan zij de sleutels hielden. Elk jaar bij de aanvang van hun ambtsperiode - commissarissen van de Wisselbank zaten voor twee jaar - moesten zij onder vergelijking met het grootboek, "opnemen en sien natellen de casse van de cassiers, mitsgaders de speciekamer"; bij akkoordbevinding sloten en tekenden zij de kassiersrekening. Verder was een wekelijkse controle op de kas en de kasboeken voorgeschreven; alsook een halfjaarlijkse controle op de balans. Een merkwaardig onderdeel van de instructie van commissarissen vormde het voorschrift, dat op "de veranderinge omtrent de agio van het bancqgeld tot Amsterdam en de prijs van de specien" moest worden gelet. Die speciën waren het concrete bankgeld, de voor export bestemde negotiepenningen, die met courant geld werden gekocht. Het "agio ofte opgeld" was het verschil tussen courant geld en bankgeld. Opmerkelijk is dat in het begin der 18de eeuw te Rotterdam het oog nog steeds op Amsterdam gevestigd bleef.

Noten:




Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net

Op onze site kun je nog meer verhalen vinden van haar, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Gerrie van der Laan en klik op ENTER






Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

8 Mei 2020