Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

Openingsfragment uit Boefje

Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email:
aad@engelfriet.net

Op onze site kun je meer vinden over de in dit verhaal genoemde namen en aspekten, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Rotterdam en klik op ENTER




Openingsfragment uit Boefje

De kennismaking.

Jan was het eerste klantje van Pro Juventute dat ik voor mijn rekening kreeg. En met de lijst van al zijn boosdoenerijen in m'n zak ging ik kennis met 'm maken. Zijn ouders woonden op 'n hofje: in een zeurig vale armeluisstraat een donkere poort in; daar stonden de sjofelste woningen achteraf gezet, vol als konijnenhokken om een drassig sintelveldje. Zo'n poort, waar de vrouwen, afgesloofd op hun rellige kamers, even wat afleiding zoeken in de relazen van elkanders eindeloze zorgen, en uit de trieste grauwheid van 't hofje uitzien naar 't léven en 't licht in de straat. Daar krioelen veel slonzige kinderen, kruipend over de keien, krabbelen 't stof uit de voegen, waar hun kleren en gezichtjes de kleur van hebben. Oud-wijze meisjes, met spichtige vlechtjes en papiertjes voor zondagskrullen in 't haar, zitten er zuigelingen te sussen op de stoepjes tegen de portaaltjes-donkerte in. Kooplui schreeuwen er met hun galmende stemmen de buren uit de achterste, bovenste woningen. Een jood biedt er nog geld voor hún afgeleefde meubels en kleren. En aan de overkant in 't komenijswinkeltje - naast 't pandjeshuis, waar de dikke baas voor 't venster hun beste stukken naarstig nummert - daar rinkelt nu en dan nog méér saaiheid uit 't belletje aan de deur.

Als er een rijtuig de straat inrijdt, groot, glimmend zwart ding tussen de gore huizen, dan is 't 'n bosdokter, zijn er zieken. Zo'n poort, waardoorheen ze allemaal van 't hofje 't leven in moeten. De mannen staan er 's avonds, 't kindergedrens en 't gelamenteer van de vrouw te ontlopen, bezorgd te mokken over de lage lonen en 't ál verminderend werk, dankbaar áls ze nog werken mogen nu er geen schip haast de haven inkomt. En later komen de jongens en meiden vrijen en stoeien, zo dikwijls tot ze trouwen moeten en hun éigen kamer huren en vullen met kinderen op 't hofje. Vaak staat er nog laat een rechercheur in 't donker verscholen, geduldig te spieden of er een uitkomt, die ie knippen moet. En nóg later, 's nachts, waggelen er de dronken kerels binnen, die er zwetsend blijven hangen tegen de muur, bang voor de nagels en de ruzieverwijten van moeder de vrouw; dan ligt daar wel 's een kind te slapen, eraf gejaagd door kwaadaardige ouders, of niet durvend erop gaan na 'n lange zwerftocht. Daar, op dat hofje, moest ik Jan zoeken, tweehoog-vóór, door 't muffe donker langs de trap, waar kruipende, glijende kinderen voorbij me stommelden, in en uit; langs lichtstrepen door deurkieren, waar 't leven van de gezinnen gedompt doorheen klonk, met snauwende vrouwenstemmen, en kindergedrein, en 't ritmisch gebonk van goed over 't wasbord. 't Was een bakbeest van 'n kamer, groter nog door de leegte van meubelen en de vale schemering: met kranten onder lakens halverwege waren de ruitjesvensters zorgvuldig voor de overburen dichtgestopt. 't Eigenlijke huishouden was er op en om de tafel tussen de ramen, 't huishouden van zwervende kruim-gegeten boterhammen, van witte kommen en bakjes, een bord met een plak gril-gele boter, waar vingergaatjes door 't witte papier heen waren in-gelikt; een bak aardappelen met de naakt-gladde bolletjes tussen de schillen weggescholen, en een stok met lappen omwoeld: pop, die te slapen lag.

Tegen 't lekkende gootsteentje zat dikke moeder wijdbeens te dommelen, met een groothoofdig kind, paf-bleek, de blote billen en beentjes en 't bolle buikje op-wringend in 'r schoot. Een groezelig Sientje en Lientje, wollen doekjes om de smalle lijfjes, scharrelden er rond over de vettige, knobbelige vloer, beklommen stoven, van stoven stoelen, schuw loerend naar moeders dichte ogen bij de stille grabbeling van garnalig-kleine vingertjes naar suikerkommetje en boterbord. In een ledikantje, onder gestreept grijs dekentje, kriewelde er één bazig overeind, om de twee anderen te bedillen, die elkaar een glimmend stukje blik grienend en knijpend betwistten. En eentje maakte vlammetjes bij 't fornuisje waar kool vuns-dampend op kookte naast een pannetje met sputterend vet; als 't vlammetje voortkroop langs 't draadje naar 'r hand, begon ze angstig te gillen. En de zóveelste stuipte van schreeuwen achter de dichte bedsteedeuren aan 't eind. Een lange grijze kat, de flanken hol ingevallen, plakkerend de vies-vochtige haren, was er de enige wijze, die deed als moeder; op 't grofgrauwe veldbeddeke van de oudste jongen van 't fabriek dommelde ze, als in angstige dromen trekkend met de hoekige kop, nu eindelijk 't vermoeiend gesol van de kinderen wat tot bedaren ging komen in verwachting van vaders thuiskomst. 't Oudste kind klom, zonder spreken, bleekjes wijs naar beneden, dribbelde waggelend naar moeder, en met harde duwen gilde ze haar toe: "móé! móé!" stug met 'r hoofd op mij wijzend. De vrouw schrikte op, schichtig groot 'r onrustige ogen, trok 't opengepuilde jak wat bij elkaar, waartegen de zuigeling begon te krijsen, en snauwde zenuwachtig fel eerst één voor één de kinderen tot de orde onder heftige dreigementen, - en Sientje om Lientje en Mientje te nemen. Als in koorts gloeide rood haar gezicht, hijgde 'r borst zwaar op en neer, gingen druk 'r felle ogen, terwijl ze zich moe-zwak de hand bezinnend over 't voorhoofd streek. Loom wees ze me om te gaan zitten, op een stoel die Sientje beredderig had afgeveegd. Toen brak ze meteen bijna huilend van woede over Jan los.

Dát was me nou toch zo'n lelijk beest van een jonge, zo'n vuile deugniet, de hele tráp kon 't getuige as ze zich nog 's an die judas verging. Zo'n luie niksnut, zo'n gemene dief. "Ba, wat 'n vuilpoes!" - spoog ze als gif d'r afschuw uit. Ordentelijkheid, of bangigheid voor 'n ouwer zat er niet zóveel in bij die rakker. Voor de hele buurt verschandaliseerde nie ze ommers met z'n smerige streke. Stele, vechte en vloeke en pertaal!, pertáál tege ze moeder, je zou er 'n beroerte van krijge, zowaar as ze daar zat. En niks gaf, niks, hij gaf om geen mens. Z'n meesters had ie geslage, de agent beet ie in d'r pote, 't hele huis van z'n vader gapte nie leeg, die vuile dief. Verleje maand nog had ie as 'n dolle de gordijne voor d'r ráme in de brand gestoke, dat de spuit d'r bij te pas most komme. En toen hij de straat op, zwerreve maar, schooiere bij de weg, gappe en vechte, dát was z'n leve, dán was Jantje d'r bij; maar 's ordentelijk op ze zussies passe as ze moeder op de koffiezolder voor hem ze vrete zat te verdiene, ká je begrijpe. Z'n ouwe opoe, 'n mens van bij de negentig, die met d'r bene door d'r achterste zat, daar stal ie ommers voor d'r oge de cente van táfel weg. En z'n getrouwde zus Mijntje, die zo'n beetje mal was - 'r eerste man zaliger had 'r zo met 'n hout op d'r hoofd geslage - daar gaf tie nou net zo veel om. Verleje nog had ie d'r gouwe belletjes stiekem bij ome Jan gebrocht; maar die Mijntje was zo'n sjoege, dáár kon Jantje toch nooit kwaad bij doen; as ze moeder 'm geen brood gaf, zei ze: kom maar hier ventje, en dan kreeg ie 't wel van háár; en och chut ja, nog téllekes van d'r arremoei centen om te snoeie. Want dáár hieuw ie van, van snoeie, en dan d'r maar uitblijve, zo hele nachte achter mekaar, en as je 'm dan niet opliet, trapte nie gemoedereerd de deur in, jewel! Geen huisbaas wou ze d'r ommers meer ophebbe. Nee, dát kind groeide nou met récht op voor galg en rad, en hoe eer hoe liever most ie nou ook na de Kruisberg, de zwerrever, want zó was 't geen leve; je schaamde je je oge uit je kop voor de buurt. En d'r was niks, niks mee te beginne; al sloeg je d'r op dat ie kroop - nou en ze vader kón 'm rake, maar z'n kop was zo hard as 'n spijker. 'k most 't maar niet probere: ondank, niks dan ondank; stank voor dank, en z'n vuile bek op de koop toe.

De hele zuigende, kruipende, waggelopende nakomelingschap had zich laten zakken en glijden van tafel, stoven, stoelen en uit 't bedje, en was saamgekomen om moeders brede rokken als kiekens om de kloek. Plat gezeten, staande op kromme, groezelig roze beentjes, vingertjes in neuzen, afgesabbelde korstjes in tandeloze mondjes, staarden zij moeder aan met al pijnlijk wijze gezichtjes die wel schenen te begrijpen. Bij elk heftig gebaar van de vrouw schrokken ze achteruit, bang voor slaag. Dan glipten ze, schuw een oogje op mij, verlegen even glimlachend, dadelijk weer weg achter de bleekblonde achterhoofdjes. Poes, als direct erbij betrokken, net een levenswijs besje bij een relletje, hoorde de woorden aan met oplettend geknepen ogen, de rug hoog gerekt, de staart zelfs in attentie met 't witte puntje naar boven gestrekt. En na de driftuitbarsting kwam met de vermoeide verslapping daar opeens heel pathetisch 't moederlijk gevoel; 't kijken en 't praten week van tranen, met rampzalige snikken en zuchten over de val van "je eige bloed."




Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net

Op onze site kun je nog meer verhalen vinden van haar, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Gerrie van der Laan en klik op ENTER






Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

17 October 2022