Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

Rotterdam in de eerste weken van de mobilisatie

Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email:
aad@engelfriet.net

Op onze site kun je meer vinden over de in dit verhaal genoemde namen en aspekten, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Rotterdam en klik op ENTER




Rotterdam in de eerste weken van de mobilisatie

Op 28 augustus 1939 was het in Rotterdam tot laat in de avond nog druk op straat. Veel Rotterdammers wandelden over de Coolsingel in de richting van het Slagveld, waar zij geruststellend nieuws hoopten te vernemen. Het Slagveld was een klein driehoekig plantsoen, weggedrukt tussen de Schiekade en de Stationsweg. Hier was het Rotterdams Nieuwsblad gevestigd. Op dit plantsoen werden de meest ingewikkelde problemen door een samenscholing van burgers onder de loep genomen en in een handomdraai opgelost. Een bont gezelschap van uiteenlopende politieke en sociale inzichten verkondigde hier haar mening over de ontwikkelingen in Europa. Soms stonden zij met rood verhitte koppen als roofdieren tegenover elkaar. Maar op deze zwoele augustusavond hing er een sfeer van ernst over het plantsoen.

Er werd gratis college gegeven door een rap sprekende man die precies wist hoe de vork in de steel zat. De toehoorders schaarden zich dicht om hem heen. De mensen beseften de ernst van de toestand, maar er was geen paniek. Een actie van oproerkraaiers, die pamfletten verspreidden, werd met kracht de kop ingedrukt. Wij leefden in een vrij land, men had vrijheid van meningsuiting. Maar die mening moest wel overeenstemmen met de algemeen geldende mening. Tegen onruststokers die zich daar niet aan hielden kon niet streng genoeg worden opgetreden! De burger kon gerust zijn; de politie hield overal een wakend oog. Om acht uur was het plotseling opvallend stil. De koningin sprak haar volk toe, en dat volk zat aan de radio gekluisterd. Automobilisten met een radio aan boord, parkeerden hun wagen langs een stoeprand en lieten voetgangers meegenieten van het koninklijk woord. Na de toespraak vulden de straten zich weer snel met mensen die op deze zwoele zomeravond in groepjes hun bezorgdheid met elkaar bespraken. 's Avonds werd op het stadhuis nog een tiental militairen met hun bruid in de echt verbonden. Daartoe moest dispensatie door de officier van justitie worden verleend, ten aanzien van de wettelijke wachttijd tussen aantekenen en huwelijk. De verwachte onweersbui had Rotterdam stilletjes links laten liggen.

De volgende dag werd het stadsbeeld al in het vroege ochtendgloren door de mobilisatie beheerst. Overal zag men militairen op weg naar hun garnizoen. In een verslag lazen de Rotterdammers 's avonds dat er een mobilisatiesfeer over de stad heerste, maar niet over de mensen. Wie denkt aan augustus 1914 bewondert de Rotterdammers van 1939. Er heerst ernst, natuurlijk. Maar men is volkomen kalm. Het afscheid aan de stations was beheerst en zonder vertoon. Een hand, een zoen; geen tranen, geen grote woorden. De militairen gedroegen zich waardig en zonder drukte. Het was alsof zij in groepsverband en onder discipline stonden. Geen uitgelaten geschreeuw of gezang, waarmee soldaten nogal eens hun zenuwen konden luchten. Het was alsof zij op herhalingsoefening gingen. Tot diep in de middag waren er vreedzame bakkers, metselaars en havenwerkers; onderwijzers, winkeliers en musici; gestoken in het uniform van Hare Majesteit. In lange rijen gingen zij op weg naar de kazerne, naar de rats, kuch en bonen, het diner van Jan Soldaat. De politie had strenge maatregelen getroffen om onrust te voorkomen. Burgers hadden geen toegang tot de stations; zij hadden daar niets te zoeken, want het burgervervoer per spoor was stilgelegd.

Naarmate de dag vorderde probeerde het normale leven haar plaats weer in te nemen. Maar nu kwam de mobilisatie in andere delen van de stad pas goed op gang. In het zuiden, oosten en westen van de stad bakende de bereden politie de routes af voor de terreinen waar eigenaars van paarden en auto's zich met hun bezit moesten melden. Voor paarden bevonden die zich op de Statenweg, de Bentincklaan, de Oostzeedijk en op Woudenstein. Op zuid stonden lange rijen paarden opgesteld aan de Putsebocht en de Dordtselaan. Dieren van allerlei soort en grootte, voorzien van halsters en nieuw beslag, bepakt met hun eigen voer voor de hele dag, zoals soldaten de frontlinie worden ingestuurd met een dagrantsoen in hun ransel. Het werk voltrok zich in een snel tempo; de eigenaar leverde het dier af, de militairen keurden het, en even later stonden ook de paarden in het gelid voor koningin en vaderland. De taxaties geschiedden door een aantal deskundigen. Er was weinig verschil van mening. Slechts enkele Rotterdammers maakten bezwaar tegen de vastgestelde vergoeding. Voor direct berijdbare "officierspaarden" werd f 25 als extra premie betaald. Dit kwam maar in enkele gevallen voor. De eigenaar van een volbloed renpaard, dat hem f 1500 had gekost, kreeg niet meer dan f 700. Het leger kocht een paard, en dat dit paard toevallig een renpaard was, deed verder niets ter zake. Toch een verschil van f 800! En daar kon men in die tijd bij de paardenslager heel wat kilo's malse biefstuk voor kopen. Op de veemarkt was nu de toch al sterke aanwezigheid van de politie vervangen door een nog sterkere bewaking door de Burgerwacht. Zoals te verwachten toonden militairen veel belangstelling voor het marktbedrijf, maar zij troffen bijzonder weinig paarden aan. Ook stonden er opvallend weinig veetransportwagens in de onmiddellijke omgeving van het veemarktterrein. De in officiersuniform gestoken dr. Houthuis, stapte parmantig over het terrein, en constateerde met voldoening, dat er door de regering veel koeien werden gekocht.

Op de Essenburgsingel, het Henegouwerplein, de Mathenesserlaan en het Mathenesserplein; de Rechter Rottekade, het Noordplein, de Willemskade en de Parklaan werden auto's bijeengebracht. Ook hier werd alles vlot afgewisseld. De auto's reden in file langs een opgestelde tafel, waarachter officieren en deskundigen in een sneltreinvaart de formaliteiten afhandelden. Een soldaat nam daarna het beheer van de auto over en de eigenaar kon met de tram naar huis. Voordat hij het wist was hij met wat napijn van zijn bezit verlost; alsof ze hem een kies hadden getrokken. Wanklanken werden er nauwelijks gehoord; men had in die tijd nog respect voor de overheid en hield wijselijk zijn mond. Alleen God hoorde hen in de verte heel zachtjes brommen. De groentehandelaren op het Noordplein keken wel even vreemd op toen zij 's morgens ontdekten dat hun plein door militairen was bezet. Maar zij hadden geen zin om daarover veel woorden vuil te maken en losten hun kisten in de omliggende straten. Zo werd de Noorderstraat door hen in beslag genomen, de Kievitstraat, de Erasmusstraat, een deel van het Zwaanshals en de Rottekade. Het was voor de "groentenboer" en voor de koopman, die met zijn handwagen vol fruit langs de deur ging, wel even zoeken om hun vertrouwde leverancier in die rommelige chaos terug te vinden. Er was meer lawaai dan gewoonlijk maar er was ook veel humor onder de kooplui, die uit dit onaangekondigde ongemak toch nog gein wisten te putten. Zonder ruggenspraak had men hun werkplek, waar zij hun brood moesten verdienen, in beslag genomen. Dus dát was mobilisatie! Maar voor de rest namen de mensen het heel gemoedelijk op. De handel leed geen schade. Die was toch al naar de knoppen. Er was nu eenmaal een groente- en-fruit inflatie. "Al zouden wij het cadeau geven, dan aten de mensen het nog niet!" was het commentaar van een koopman.

Niet alleen paarden en voertuigen werden gevorderd. Ook motorschepen, Rijn- en binnenvaartschepen werden in beslag genomen. Op het kantoor van de Particuliere Rijnvaart Centrale en op de Schippersbeurs werd in lijsten speciaal naar oude schepen gezocht, om die, in geval van nood, als versperring in onze waterwegen te laten zinken. Verder was men zeer geïnteresseerd in schepen met grote ruimen, voor het onderbrengen van soldaten, het opslaan van noodvoorraden, of het inrichten tot hospitaalschip. Er werd geen woord gesproken over de vergoeding die de schippers zouden krijgen. Maar gezien de slechte toestand waarin zij zich bevonden, hoopten de schippers dat ze er niet al te slecht bij zouden varen. Dat was dan ook de voornaamste reden waarom zij het in beslag nemen van hun schip zo gelaten over zich lieten gaan. Er werden veel schepen gevorderd, meestal Kempenaars. De schipper werd dan "voorlopig" zonder enige vergoeding met zijn gezin aan wal gezet, wat wel aanleiding tot mopperen gaf. De schippers zaten toch al niet zo goed in de contanten, vooral de motorschippers niet. Eigenlijk wist de overheid nog niet precies wat zij met al die gevorderde schepen moest beginnen, en of zij deze wel allemaal zou houden. Er was een mogelijkheid voor de schippers in het vooruitzicht gesteld om later weer als vrijwilliger/schipper voor een jaar op hun eigen schip te gaan varen. Maar dan zonder gezin. In de Rotterdamse haven lag er nog veel vracht voor Duitsland opgeslagen. Die werd voornamelijk door Duitse schippers opgehaald. De Nederlandse schippers, die nog in het bezit van hun schip waren, durfden de reis niet aan. Ook al werd er nu twee gulden per ton graan naar Mannheim betaald. De schippers konden het risico niet nemen. Wat zou er op zo'n reis niet allemaal met hun gezin kunnen gebeuren, als er plotseling een oorlog uitbrak. En die kans was levensgroot. Men leefde in Europa op een vulkaan. Ieder moment kon de bom barsten. Het was ook nog maar de vraag of hun knecht wel aan boord zou blijven.

De mobilisatie veroorzaakte veel moeilijkheden in de Rotterdamse haven. Op de rivier was het een stuk rustiger geworden. Door het wegvallen van binnenschepen konden de zeeschepen hun vracht niet meer kwijt. Reeds gemaakte afspraken en contracten konden niet worden nagekomen. Voor het verhalen van een schip van de Rijnhaven naar de Waalhaven had men al een geleidebiljet van het militair gezag nodig. In de Waalhaven waren ruim 250 met graan beladen schepen opgelegd. De toestand leek chaotisch maar men had er vertrouwen in dat men in staat zou zijn om zich geleidelijk naar de veranderde omstandigheden te schikken. In elk geval was iedereen het erover eens, dat de overheid de zaken beter in de hand had dan in 1914. Aan de oproep van de Vereniging voor Nationale Veiligheid, om zoveel mogelijk levensmiddelen in huis te halen, werd ruimschoots gehoor gegeven. Niet alleen de "welgestelden" hadden hun proviandkasten rijkelijk voorzien, ook de "minder draagkrachtigen" hadden hun uiterste best gedaan om een noodvoorraadje aan te leggen; ondanks de vermanende woorden van de overheid om niet te hamsteren. Na het afkondigen van het mobilisatiebevel werden er meteen maatregelen tegen het hamsteren genomen. In plaats van distributie, werd er een vrij omslachtig controlesysteem ingevoerd. Hamsteren was nu wettig verboden. Bij overtreding van dit verbod kon men gestraft worden met een gevangenisstraf van vier jaar of tienduizend gulden boete. Dat loog er dus niet om!

De maatregel had betrekking op rijst, bloem en meel, deegwaren, erwten en bonen, gedroogde peulvruchten, suiker, oliën, vetten en boter, koffie, thee, cacao, zeep, zeeppoeders en kaarsen. Van deze goederen mocht een gezin een mondvoorraad van slechts één week in huis hebben. Om te controleren of winkelier en klant zich aan deze bepalingen hielden moest de klant bij aankoop een boodschappenlijst van naam en adres voorzien en ondertekenen. Een duplo kreeg hij mee naar huis. De winkelier hield het origineel. Deze "afleveringsbewijzen" moesten in verband met het instellen van controles, minstens drie maanden zorgvuldig bewaard worden! Wie kwam er ooit op zo'n dwaas idee! Ook de grossiers in verse vis werden verplicht zo spoedig mogelijk opgave van hun voorraden te doen. Het vervoeren van gedroogde garnalen werd verboden. Om aan dit systeem te kunnen deelnemen moesten de 7500 Rotterdamse kruideniers op het Plan-C, langs de Geldersekade, een distributieformulier afhalen en binnen vier dagen ingevuld inleveren. Deed men dit niet dan werd men van alle toewijzingen uitgesloten. Drukkerijen adverteerden met afleveringsbonnen. Het Rotterdams Nieuwsblad stond de kruideniers ter zijde met advies. De winkeliers konden het beste hun zaak een dag sluiten, want zij moesten de hele handel overhoop halen om hun voorraden te tellen.

Het systeem verliep stroef. Ondanks de zware straffen namen veel mensen toch het risico te hamsteren. Vooral thee was een gewild artikel. Kisten van 5 en 15 kilo werden door de politie uit de huizen gehaald. Winkeliers werden betrapt, waaronder een filiaal van de Gruyter aan de Lusthofstraat. Klanten saboteerden door te weigeren hun naam en adres op te geven, of noemden een valse naam. Winkelpersoneel kreeg hatelijke en beledigende opmerkingen te incasseren. Daarbij moesten zij zelf vriendelijk en beleefd blijven, want de klant was nog steeds koning. Gelukkig duurde de regeringsmaatregel slechts kort. Nog geen drie weken later zag men de onzin ervan in en werd de maatregel ingetrokken. Voor de winkelier was het een moeilijke tijd. Al een dag na het afkondigen van de mobilisatie was er bij de grossiers bijna niets meer te krijgen. Reizigers - dat waren in die tijd mensen die de winkeliers langs gingen om bestellingen op te nemen - waren plotseling allemaal "met vakantie". Van de artikelen die de winkelier wél in kon slaan waren de prijzen ineens verhoogd. Zoals voor de glycerinezeep, één gulden per ton; verband en pleisters gingen met 15 tot 25 % omhoog; evenals vet, garen en band, lijnolie, kaarsen, theelichten en terpentijn. Dit betekende een extra winst voor de grossiers, maar de winkeliers mochten geen cent méér rekenen. Bovendien kreeg de winkelier moeilijkheden met de vele klanten die als zij vijf of tien cent hadden besteed, betaalden met een briefje van tien. Er was een jacht op zilver geld ontstaan, want niemand had nog enig vertrouwen in papieren geld.

Alsof er niets aan de hand was werden langs de Delftsevaart opnamen gemaakt voor de film "Boefje". Het ging om de scène waarin het Rotterdamse straatjongetje een kat uit het water haalt en een passerende pastoor hem de helpende hand biedt. Zoals bekend was Annie van Ees het boefje en Albert van Dalsum was de pastoor. De kat was in de buurt opgepikt en kreeg na afloop als beloning een schoteltje melk. Uit alle sloppen en stegen was er een schare straatjongens op het "relletje" afgekomen. De filmmensen konden het volk met moeite buiten beeld houden. Ook de bewoners, die nieuwsgierig uit de omhooggeschoven ramen hingen, dreigden het beeld te verstoren. De redding-scène moest zeker twintig keer worden overgespeeld. Dat betekende niet dat de actrice steeds opnieuw te water moest worden gelaten. Langs de wal, zorgvuldig buiten beeld gehouden, dreef een vlot. Af en toe moest er wél een emmer water over het hoofd van de actrice worden gegooid. Maar dat was een welkome afwisseling, want de zon scheen genadeloos en er stond geen zuchtje wind. Met veel overredingskracht kon het "publiek" op een veilige plek buiten het bereik van de camera worden gehouden, en konden de mediamensen ongestoord hun werk doen. Op 1 september, 's avonds omstreeks half twaalf werden de bewoners van de Statenweg opgeschrikt door het doffe geluid van een ontploffing. Rinkelende glasscherven en dikke rookwolken kwamen uit de tweede etage van een onbewoond pand op nummer 140. Vrijwel direct daarop stond deze etage bijna geheel in brand en slechts door het in werking stellen van vier stralen op de waterleiding slaagde de brandweer erin het vuur te blussen. Onmiddellijk na de ontploffing zagen de voorbijgangers een man het huis uitvluchten. Na een achtervolging slaagde de politie erin een vijfendertigjarige schilder aan te houden. Hij werd ervan verdacht het vuur te hebben aangestoken. Tijdens een technisch onderzoek vond men sporen, die erop wezen dat hier van een zogenaamde tijdbom gebruik was gemaakt. Later in de nacht werd nog een tweede verdachte aangehouden.

Diezelfde dag viel het Duitse leger van drie kanten Polen binnen. Het opperbevel van de Duitse weermacht deelde 's avonds mee, dat de Duitse oorlogshandelingen vanuit Silezië, Pommeren en Oost-Pruisen aan alle kanten het gestelde doel hadden bereikt. De troepen die vanuit het zuiden over het gebergte waren opgerukt, hadden de lijn Neumark Sucha bereikt. Ten zuiden van Moravisch Ostrawa was de rivier de Olsa bij Teschen overschreden. Ten zuiden van het industriegebied waren de Duitse troepen ter hoogte van Kattowitz opgerukt. Zoals te verwachten, was dit de druppel die de emmer deed overlopen. Zondag 3 september 1939, liet sir Nevile Henderson, de Britse ambassadeur in Berlijn, de Duitse regering weten dat, indien om elf uur 's morgens van Duitsland geen gunstig antwoord was ontvangen op de gestelde eisen betreffende staking van de vijandelijkheden in Polen, Engeland zich in staat van oorlog met Duitsland zou achten. Er kwam geen antwoord. Om 11.35 sprak Chamberlain het Engelse volk per radio toe en verklaarde, dat op het ultimatum niet was gereageerd en dat Engeland dus in staat van oorlog was met Duitsland. De burgers in de Londense straten reageerden rustig. Zij hadden eigenlijk niet anders verwacht. Vijf uur later verklaarde ook Frankrijk de oorlog. Kort daarna volgde Australië. Meteen zegden Canada, Brits-Indië, Irak, Egypte en Turkije de Engelsen hun steun toe. De Britten kondigden een blokkade ter zee aan. Men verwachtte, dat Europa een lange oorlogsperiode tegemoet zou gaan, waarin economische uitputting een belangrijke rol zou gaan spelen. De oorlog was in Nederland meteen al merkbaar door het tot diep in de nacht over-en-weer vliegen van vreemde vliegtuigen. Ons vliegveld Waalhaven werd voor de burgerluchtvaart gesloten. In diezelfde nacht voltrok zich in de Atlantische Oceaan het eerste drama. Tweehonderd mijl ten westen van de Hebriden-eilanden aan de Schotse kust werd het stoomschip "Athenia", van de Donaldson Line uit Glasgow, getorpedeerd. Het aantal personen aan boord bedroeg 1400. De meeste passagiers waren Amerikanen en Canadezen die wegens de oorlogsdreiging in Europa op terugtocht naar hun vaderland waren. Het schip had een lading van duizend ton ingenomen en was op weg naar Montreal.




Een zeer gewaardeerde bijdrage van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net

Op onze site kun je nog meer verhalen vinden van haar, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Gerrie van der Laan en klik op ENTER






Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

27 Juli 2022