Een e-mail sturen naar Aad? Zijn e-mail adres is aad@engelfriet.net
(klik op deze tekst om een voorgeadresseerde mail te openen)
Terug naar  het Engelfrieten overzicht

Naar beneden 

Overige verhalen Gerrie van der Laan

Zeer gewaardeerde bijdragen van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email:
aad@engelfriet.net

Op onze site kun je meer vinden over de in de verhalen genoemde namen en aspekten, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Rotterdam en klik op ENTER




Overige verhalen Gerrie van der Laan

Op zoek naar de index met ALLE titels van de verhalen #1 - #436 van Gerrie van der Laan:

Klik dan op deze link naar de verhalen #1 - #436 van Gerrie van der Laan

Voor iets zoeken op alleen deze pagina, maak dan gebruik van CTRL-F

Op deze pagina ALLEEN de verhalen met nummer #437 en hoger!

INDEX: zelf even scrollen of zoeken via CTRL-F

437 Katholiek Kralingen in de Tweede Wereldoorlog

438 Het dagboek van Jacoba van Thiel

439 Het ambt van doodgraver in de 18e eeuw in Hillegersberg

440 ZEDENBEDERF

441 Drie Rotterdamse Watergeuzen

442 Hoge graanprijzen in 1789

443 De strenge winter van 1608

444 De schouwburg der Rederijkers

445 De concertzaal in de Bierstraat

446 Vijftig jaar kunstzinnig leven in Rotterdam van 1898-1948

447 Justitie in Rotterdam

448 In memoriam Ed. Nijgh (1900 - 1949)

449 Perikelen van den havenmeester

450 Hillegersbergse schoolmeesters uit de 18de eeuw

451 Een Fransman over Rotterdam in 1792

452 Lofdicht op Rotterdam

453 Rotterdam vrijer dan een vrijhaven

454 Binnenkomst van goederen

455 Douaneloodsen en voorlopige opslag

456 Mijn oorlogsdagboek






437 Katholiek Kralingen in de Tweede Wereldoorlog

Op de zwarte Rotterdamse oorlogsdag, de 14de mei 1940, toen een vierde deel van de parochie in vlammen opging, werd de kerk als door een wonder gered. Zij bleef gespaard bij het bombardement, waarbij in de Hoflaan én in de Waterloostraat voltreffers vielen. Toen zij laat op de avond een prooi der vlammen dreigde worden, draaide de wind, voordat de belendende straten waren aangetast. De H. Hosties waren al ingepakt voor de vlucht. De kapelaans hielpen blussen, de pastoor doopte op straat een kind, de zusters ontfermden zich over de daklozen, die in het jeugdgebouw een onderkomen vonden. Toen er enige dagen na de ramp cijfers bekend werden, bleken ongeveer 1500 parochianen have en goed te hebben verloren; tien waren er bij omgekomen.

De St. Jansschool in de Sionstraat was zo deerlijk gehavend, dat het onderwijs daar niet kon worden hervat. Het modern uitgeruste gymnastieklokaal met een bovenbouw voor de zevende klas, dat in de tijd van pastoor Haver was tot stand gekomen, ging geheel verloren. Tot overmaat van ramp vorderde de bezetting de overige scholen voor troepenverblijf. Het onderwijs werd dat jaar zoveel mogelijk voortgezet in het jeugdgebouw. In het laatste oorlogsjaar kreeg de Montessorischool inkwartiering van Russen onder Duitse bewaking. Ruige typen stookten romantische bivakvuren, waar onze kleuters hadden moeten spelen. Na de bevrijding mocht de totaal vernielde school nog korte tijd Engelse militairen herbergen.

Er zijn in de gruwelijke oorlogsjaren, die op het bombardement volgden, drie dagen aan te wijzen, die eeuwig in het geheugen der parochianen gegrift staan: de dag van de klokkenroof, die van de grote razzia en de dag van de executie tegenover de kerk.

Zaterdag 28 november 1942 kreeg pastoor Haver bericht, dat de twee grootste klokken de volgende maandag zouden worden weggehaald. Die zondag van 11.55 tot 11.58 - langer luiden was verboden - riepen zij voor 't laatst de gelovigen ter kerke. De volgende dag werd bij de galmgaten aan de zijde van de Oostzeedijk een stenen steunpilaar uitgebroken, zodat de klokken door het gat konden worden neergelaten. Op dinsdag 1 december voerde een vrachtauto ze weg.

De razzia van 10 en 11 november 1944 begon in Kralingen, zodat zij velen overviel, die niet konden vluchten, al trachtte nog menigeen te ontkomen, zoals de jonge mannen, die zich in de toren verborgen. De geestelijken gingen vrijuit, wat niet het geval was geweest bij het z.g. wachtlopen, waarvoor zij in augustus en op Allerzielen waren opgeroepen. Na de razzia steeg de ellende met de dag, vooral ook, omdat de jonge mannen, die voor het foerageren hadden kunnen zorgen, weg waren gevoerd of zich niet op straat konden vertonen. Aanvankelijk trachtten parochie-organisaties de nood te lenigen, o.a. door voor kinderen gastvrijheid te vragen in gezinnen, waar men nog iets te missen had.

In het begin van 1945 is deze hulpverlening voortgezet in samenwerking met het I.K.B., waarbij het Comité voor het Kralingse Kind speciaal de jeugd voor de ergste gevolgen van de hongersnood trachtte te behoeden. Mensen van alle gezindten troffen elkaar bij dit werk en leerden elkaar waarderen. De grote rol, die de zusters vol toewijding bij deze hulpverlening hebben vervuld, bracht haar met menigeen in aanraking, die anders nimmer een voet op katholiek domein zou hebben gezet. Niettegenstaande zoveel goede wil om hulp te bieden, zijn er toch parochianen van honger gestorven. Vaak ontbraken dan zelfs de doodkisten.

De kerk deelde in de algemene nood. Er was gebrek aan kaarsen, aan wijn, aan olie en aan hosties. Het grote orgel zweeg bij gemis aan elektrische stroom en aan kracht om te trappen. Maar nimmer was er groter geloof en dieper besef van 's mensen afhankelijkheid van Gods H. Wil, dan in die donkere hongerwinter.

Tegen het voorjaar, op de derde paasdag, toen het licht en de hoop waren teruggekeerd, maar de zorg van morgen zwaarder woog dan ooit, klonken tegenover de kerk schoten, die een einde maakten aan het leven van twintig illegale werkers, een represaillemaatregel voor een aanslag op een gehate politie-inspecteur. Het kruis tegenover de kerk zal voor de Kralingers bij alle toekomstige herdenkingsdagen de plek van hulde aan alle gevallenen blijven.

"Schoon dat het Noodlot doet alle felle donders kraken,
Schoon dat de bitse nijd op ons haar gal uitbraakte,
Uw wil blijft onze Wet, wij staan voor 't onheil pal,
Gewaarborgd, dat door U ons lot verbeetren zal."

Dichtte M. Smolders met een wondere helderziendheid bij de kerkwijding van 1802.

Mei 1945 bracht verbetering van ons lot: uitbundige vreugde over de bevrijding, voedsel en terugkeer van vele dierbaren.




438 Het dagboek van Jacoba van Thiel

Het Stadsarchief Rotterdam is omstreeks 1950 in het bezit gekomen van een in kalfsleer gebonden manuscript, uit het derde kwartaal van de 18de eeuw, in keurig handschrift met door de jaren wat verbleekte inkt geschreven door een in Overschie wonende jonge vrouw. Zij was een dochter van Ds. Roeland van Thiel, predikant, eerst te Muiderberg, later te Leiden en Helena Rijser en op 28 december 1742 geboren. Haar vier jaar oudere zuster Anna Catharina was in 1764 getrouwd met Ds. Petrus Isaäcus de Fremery, telg uit een oud Henegouws geslacht, dat in de Hervormingstijd tot de nieuwe leer was overgegaan en zich in het begin van de 17de eeuw in de Noordelijke Nederlanden had gevestigd. Zijn vader had ten tijde van zijn geboorte als predikant gestaan in Berkenwoude en later in Groot Ammers.

Petrus Isaäcus was in 1760 proponent bij de classis Gouda en Schoonhoven geworden en in 1761 als predikant te Zoeterwoude beroepen. Deze gemeente mocht hem slechts twee jaar behouden, want in 1763 vertrok hij vandaar naar zijn nieuwe standplaats Overschie, waar hij de 11de september van dat jaar zijn intrede deed. In het zesde jaar van zijn huwelijk, op 10 januari 1770, schonk zijn echtgenote hem een zoon, die Nicolaas Cornelis gedoopt werd en later hoogleraar in de Genees- en de Wis- en Natuurkunde aan de Utrechtse Universiteit zou worden. Dit kind werd nog in Overschie geboren, maar twee jaar later verwisselde Ds. De Fremery Overschie met Goes en weer een jaar later vertrok hij vandaar naar 's-Hertogenbosch, waar hij in 1774 benoemd werd tot hoogleraar in het Grieks aan de plaatselijke Illustere School. In 1797 ontviel hem zijn echtgenote door de dood (Haarlem 19 mei). Vier jaar later, na het overlijden van zijn schoonzuster, die de huishouding was blijven waarnemen, trad hij opnieuw in het huwelijk met Elisabeth Johanna Moorrees. In 1810 legde hij zijn betrekking neer om zich metterwoon in Utrecht te vestigen, waar hij zich vooral wijdde aan de belangen van de Zendeling- en Bijbelgenootschappen. Verder heeft hij zich bekendheid verworven als lid van de commissie voor de Evangelische gezangen, waar hij als "warm voorstander van het geestelijk lied" door de Gelderse Synode was afgevaardigd. Hij overleed, hoogbejaard, op 7 december 1820 te Utrecht. Zijn schoonzuster, Jacoba van Thiel, is in de historiografie een onbekende. Door haar dagboek, op 4 oktober 1767 begonnen, verschijnt zij binnen onze gezichtskring, om na het plotseling afbreken van haar kroniek op 8 januari 1770, twee dagen vóór de geboorte van haar neefje, daaruit weer te verdwijnen. Alleen is het vast komen te staan, dat zij, ook na het beroep van Ds. De Fremery naar Goes en later naar Den Bosch, bij het domineesgezin is blijven inwonen en dat zij de 18de oktober 1800 in de St. Jan te 's-Hertogenbosch is begraven.

Gedurende die drie Overschiese jaren leefde zij in de dorpspastorie aan de Schie en hielp zij haar zuster, evenals zij zelf teer van gestel, in het huishouden en met de ontvangst van de talrijke gasten. Nu en dan maakte zij een reisje naar haar familie in Den Haag, Leiden, Haarlem of Alkmaar en naar vrienden in het land van Heukelom; op die uitstapjes nam zij haar dagboek mee en noteerde daarin trouw haar belevenissen: overdenkingen, gesprekken en ontmoetingen met een eindeloze rij ooms, tantes, neven, nichten, vriendinnen en kennissen, van wie zij nauwelijks meer dan de namen meedeelt. In Overschie zelf waren het enkele dorpsnotabelen, met wie zij geregeld omging: een echtpaar Van Kuyk, waarvan de vrouw minstens eenmaal per week een kopje thee in de tuinkoepel kwam drinken en waar de zusters dikwijls 's middags of 's avonds op bezoek gingen, een echtpaar Huysman, een juffrouw Luchtmans en een zekere heer Verboon. Al deze mensen waren van haar eigen stand: zij worden de Heer en Mejuffrouw genoemd, zoals de domineesvrouw ook met Mejuffrouw aangesproken werd, ter onderscheiding van allen, die het niet tot een bescheiden mate van maatschappelijke welstand hadden gebracht, maar ook van de bevoorrechten, die zich tot het regentenpatriciaat mochten rekenen, zoals de dames Van Alphen en Meyners, die 's zomers een buiten onder Overschie bewoonden, waar het domineesgezin een enkele keer op bezoek werd genood en die zich Mevrouw mochten laten noemen. Er kwamen steeds veel gasten op de pastorie, Overschie immers lag zo dicht bij Rotterdam, Delfshaven, Schiedam en Delft en was vandaar binnen het uur met de trekschuit te bereiken. In al deze steden hadden Ds. De Fremery, zijn vrouw en zijn schoonzuster hun vrienden, kennissen en bloedverwanten en bezoeken over en weer behoorden tot de evenementen, die wat afwisseling in de sleur van het dagelijks bestaan brachten. Als de zusters inkopen moesten doen, waarvoor ze in het dorp niet terecht konden, wat minstens tweemaal per jaar gebeurde, gingen zij met de schuit naar Rotterdam en gebruikten er dan de maaltijden of de thee bij de families Baelde, Mees en Van Schelle of bij "neef" De Ver, waar zij altijd hartelijk welkom waren.

Tot de geregelde gasten op de pastorie behoorde "nicht De Fremery", vermoedelijk een tante van de predikant, die veel invloed had op Jacoba en haar ook tot het aanleggen van haar dagboek heeft aangespoord. Verder Jacoba's zuster Johanna, echtgenote van de Haarlemse predikant Ds. Gijsbertus de Brouwer, een spotvogel, met wie zij het veel minder goed kon vinden dan met zuster De Fremery en die haar vaak reden tot ergernis gaf door haar schimpscheuten op de "fijnen", tot wie Jacoba het zich tot een eer rekende te behoren. Ook haar broer kwam vaak in Overschie logeren. Zoals in zijn familie gebruikelijk was, was hij voor het herderlijk ambt bestemd. Jacob was erg aan deze jonge proponent gehecht en deelde in zijn verdriet, als hij telkens weer zijn hoop op een beroep zag opgaan. En toen de kerkelijke raad van Spanbroek het ten langen leste aandurfde, was het Jacoba, die in Haarlem inkopen met hem ging doen en de kille pastorie in het Noord Hollands dorp voor hem inrichtte. Met hem onderhield zij een levendige briefwisseling, evenals met de organist Johannis Oyers uit Leiden, die voor haar en haar zuster de rol van geestelijke raadsman vervulde, en zo nu en dan zijn intrek nam in de pastorie. Ten slotte waren er ook nog de vele predikanten op kerkvisitatie of op weg naar een classicale vergadering die op de doorreis een of meer dagen in de gastvrije predikantswoning kwamen doorbrengen of er alleen maar kwamen eten, al dan niet vergezeld van hun echtgenoten, en de kennissen uit Overschie, Kethel of de naburige steden, die een kopje thee in de tuinkoepel kwamen drinken.

In het dagboek treden deze personen geen van allen op de voorgrond, hoe vaak hun namen er ook in genoemd worden. Zelfs de figuren van Ds. De Fremery en zijn vrouw maken zich niet van de achtergrond van het gebeuren los; want dit gebeuren is het avontuur van een ziel, een onsterfelijke ziel, gekerkerd in een tegenstrevend lichaam, doch tot een hoger leven geroepen en van de invloeden die daar ten goede of ten kwade op inwerken. We hebben hier geen relaas van dagelijkse gebeurtenissen voor ons, zich afspelend binnen het kader van de Overschiese dorpsgemeenschap, geen kritiek op plaatselijke toestanden, geen chronique scandaleuse, geen politieke beschouwingen - dat alles telt niet mee waar het heil van de ziel op het spel staat - maar een reeks van naar binnen gerichte overdenkingen en inwendige belevenissen, niet vrij van de hoogmoed der nederigheid, maar toch ook niet van vlagen van zelfverwijt en vertwijfeling over eigen zondigheid, kortom de kroniek van een ziel, de ziel van een ingetogen, bedeesde, devote jonge vrouw van een delicate gezondheid, verweesde predikantsdochter, opgegroeid in een milieu van bevindelijke vroomheid, een sfeer waaruit zij zich niet wilde en, met haar middelmatige intelligentie en aangeboren schuchterheid ook niet kon losmaken; van een jonge vrouw, die, zonder veel middelen na het overlijden van haar vader achtergebleven, het genadebrood moest eten ten huize van haar gelijk geaarde zuster, die het geluk had gehad een predikant haar hand te hebben kunnen schenken.

Samen met die zuster, daarbij geholpen door een gedienstige, die zij dagelijks met twijfelachtig succes in de grondbeginselen des geloofs trachtte te onderwijzen, verrichtte Jacoba de huiselijke bezigheden in de Overschiese pastorie: naai- en verstelwerk, was, inmaak, slacht, e.d. Maar haar gedachten vertoefden te midden van die beslommeringen bij het heil van haar eeuwige ziel het knagend besef van haar tekortkomingen, het onafwendbare naderen van het uur, waarop zij, ja vooral zij, met haar broze gezondheid, wie weet hoe spoedig, voor Gods rechtersstoel zou moeten verschijnen. Geestelijk voedsel vond zij in de geregelde kerkgang ('s zondags tweemaal en bovendien op woensdagavonden) waar "Broer" of een andere predikant uit de classis voorging, in stichtelijke gesprekken met gelijkgestemden en in piëtistisch getinte lectuur.




439 Het ambt van doodgraver in de 18e eeuw in Hillegersberg



In dit artikel zal een overzicht gegeven worden van een eeuw begraven binnen de gemeente Hillegersberg. Hoewel dit onderwerp nu niet direct van opgewekte aard is, moeten wij het toch onder ogen durven nemen, want rijk of arm, oud of jong, ieder zal tenslotte met de doodgraver in aanraking komen. De Prediker vergelijkt ons lichaam met een huis, dat langzamerhand gesloopt wordt, en waaruit het leven wegebt. De vensters worden tenslotte niet meer geopend, zij zijn niet langer verlicht, de deuren aan de straatzijde gaan steeds minder open, het stemgeroes wordt zachter om tenslotte geheel te verdwijnen. De bewoner is vertrokken op een laatste reis naar de Eeuwigheid , want de Huisheer heeft hem geroepen. De Dood komt evenwel niet alleen bij oude mensen, maar hij

"spaart noch zoete jeugd,

noch gemelijke ouderdom".

en wat ook in de loop der tijden veranderd moge zijn, de smart om het heengaan van iemand is dezelfde gebleven evenals de troost, dat de dood slechts een overgang naar een beter leven is. Onder onze vaderen onderschreven velen de woorden van Willem Gnapheus (1531). "De droefenis en de wee des doods wordt door deze hope wel verwonnen. De dood maakt den zonden een einde, hij lost ons van veel cativigheid ende verdriet, hij voegt ons bij God ende zendt ons voort int eeuwig leven".

Was de overledene Protestant dan had de predikant, de vermaner of de ziekentrooster met hem nog gebeden en was hij of zij Rooms, dan was het de pastoor of een rondreizend missionaris, die hem of haar in het geheim bediend had. Wanneer de laatste adem gevloden was, hadden de nabestaanden hem of haar de ogen dichtgedrukt, het huis voorzien van tekenen de des doods en de zorg op zich genomen voor de teraardebestelling.

Het openlijk rouw dragen was in de eerste tijd der Republiek door de Gereformeerde Kerk wel niet verboden, maar zij had toch de gelovigen de raad gegeven zich zoveel mogelijk te onthouden van deze uiterlijke dingen. De gewoonte bleek echter te sterk en het rouw dragen werd feitelijk mode. Men kleedde zich dus in dof zwart en droeg bij de begrafenis de welbekende lamfers, de randen werden neergeslagen, de mannen waren gehuld in rouwmantels, terwijl de vrouwen rouwhulken om de schouders geslagen hadden. Evenals tegen het overdadig rouw dragen was de Gereformeerde Kerk gekant tegen deze pompeuze begrafenissen, maar ook hierbij was het vaak vechten tegen de bierkaai. Geregeld moest tegen de overdaad door de overheid geprotesteerd worden.

Kerkhoven bevonden zich rond de kerken, maar het was deftiger, om niet te zeggen geloviger, de lichamen binnen de kerkmuren te begraven. In het koor ter aarde besteld te worden was slechts voor de aanzienlijken weggelegd. In de loop van de 17de eeuw werd wel eens geageerd tegen het begraven in de kerk, maar pas in de 18de eeuw lieten de spectators hiertegen hun stem horen uit overweging van besmettingsgevaar. In 1770 werd de Doopsgezinde Utrechtse predikant Marten Schagen in de Bildt begraven "opdat hij de levenden niet zou schaden". Deze zielenherder was evenwel een nieuwlichter. In vele plaatsen werd op bepaalde uren, zolang het lijk boven aarde stond, en tijdens de begrafenis de kerkklok geluid. Dit sonore, plechtige geluid wilde men niet missen, maar het was feitelijk het enige ceremonieel, want al werd bij menige Gereformeerde begrafenis nog tot ver in de 18de eeuw de lijkkist bij geopende groeve geplaatst en "erover" gezongen, dit gebruik verdween ook en onze vaderen deden het voortaan zonder lijkdienst, zodat op het einde van die eeuw een Engelsman over ons kon schrijven: "Bij deze natie is tijd te kostbaar om te worden verdaan met plichtplegingen, die de dode toch niet kunnen terugroepen. Daarom geen gebeden of liederen. De kist wordt aanstonds in de groeve neergelaten, de kuil gevuld en de familieleden keren terug naar hun werk".

Thans wordt het tijd ons eens met Hillegersberg bezig te houden. De schoolmeester van Hillegersberg o.a. was belast met het ambt van doodgraver. In het begin van de 18de eeuw werd het ambt bekleed door Elbertus Leeflang, die in het bezit was van een instructie van 25 augustus 1668, waarin een drietal artikelen gewijd waren aan het doodgraversambt. Deze vermeldden, dat de doodgraver wekelijks een naamlijst der begravenen moest inleveren bij de schout en de secretaris en dat hij maandelijks aan de kerkvoogden een staat moest zenden, waarop de bedragen, welke hij voor het begraven en beluiden ontvangen had, vermeld stonden. In deze instructie wordt verwezen naar een kerkelijke ordonnantie op het begraven. Vermoedelijk werden in deze afkondiging slechts onkosten vermeld, hetgeen ook kan voortvloeien uit het feit, dat de doodgraver verplicht was een exemplaar in de kerk op te hangen. Op 31 december 1717 was Leeflang overleden en na veel geharrewar, waarbij de burgerlijke autoriteiten tegenover de kerkelijke stonden, was in juli 1718 Johannes Kindt benoemd. De nieuwe doodgraver werd spoedig het mikpunt van verdachtmakingen. Wat was het geval?

Op zekere dag in juli 1719 waren Leendert Foppen Borgh als metselaar en Bartholomeus Overgaauw als timmerman werkzaam in de dorpskerk van Hillegersberg. Zij hadden toen waargenomen, dat Wouter van Hees in een geopend graf stond, terwijl zich naast de groeve de doodgraver, kladschilder Johannes Arondeus en diens knecht bevonden. Deze personen voerden blijkbaar een sadistisch spel op, want op een berg zand lag een menselijke romp, waaraan het hoofd ontbrak, terwijl aan de ene arm de hand en aan de andere de gehele beneden-arm ontbrak. Zij hadden tot hun grote schrik ook gezien, dat delen vlees op het zand lagen. Vol ontzetting hadden zij dit gruwelijk gebeuren aanschouwd en met afgrijzen hadden zij er met Willem Kievit, die juist in de kerk kwam, fluisterend over gesproken. Die nieuwe schoolmeester moest een heksenmeester zijn, die menselijke vleesdelen nodig had voor de bereiding van zijn duivelse medicijnen. Dit verhaal was het welkom signaal en spoedig zal men het wel aangedikt hebben en kon men griezelen bij de verhalen over ijselijke gebeurtenissen, die zich in de kerk afspeelden. Het sombere jaargetijde maakte alles nog spookachtiger en op 5 oktober had Neeltje, de weduwe van Ingen Simonsz Bonefaes iets op het kerkhof gehoord.

Zij was niet bang en zij had eens poolshoogte genomen en toen had zij gezien hoe Kindt en Van Hees zich onledig hielden met het stukslaan van doodkisten, terwijl Van Hees als een ware duivel met behulp van een haak de lijken uit de kist trok om deze daarna naar de zuidzijde van de consistoriekamer te slepen en ter plaatse oppervlakkig te begraven. Anthony Manicourt had het vervolg van deze heksensabbat waargenomen, want hij had de volgende morgen om ongeveer 10 uur gezien hoe de bruine hond van Leendert Foppen aan de zuidzijde van de consistoriekamer een stuk vlees had opgegraven om er tenslotte met de zwarte hond van meester Kindt over in gevecht te komen. Dit hondengevecht was door meerdere personen waargenomen en toen Dirc Fluysse Verheul in het dorp nog een rib gevonden had, was de afkeer van meesters praktijken wel tot het hoogtepunt gestegen. De kerkvoogden Gerrit Brillenburg en Adriaan van Ter Bregge wilden het hunne ervan hebben en zij wandelden eens naar het kerkhof. Zij hadden het zo ingericht, dat zij meester aantroffen bij de ruimingswerkzaamheden, maar zij hadden niets verdachts kunnen waarnemen. Zij waren daarop, misschien ter geruststelling van de goegemeente, gezellig gaan kouten in het Schoolmeestershuis en onder genot van een pijptabak en een kroes bier hadden zij over koetjes en kalfjes gepraat. Het dorpspraatje was daarmede echter niet van de baan. In de avond van 6 oktober liep de zwaar beschonken Anthony Manicourt door de gemeente en hij zal wel gezongen hebben over de gruwelijke ontdekkingen van die morgen. Tenslotte klopte hij om 11 uur bij het huis van de schout aan teneinde deze mededeling te doen van de vreselijke gebeurtenissen, die zich in de gemeente afspeelden. De schout, hoewel overtuigd dat het dorpsgeroddel betrof, besloot de kerkvoogden te ontbieden tegen de 9de oktober om 18 uur.

De twee kerkvoogden deelden de schout Allert van den Duyn mee, dat zij niets bijzonders ontdekt hadden, maar toen kwam van Ter Bregge nog met een verhaal. Hij was die middag eens naar het knekelhuis gegaan en daar had hij een menselijke romp zonder armen of benen gevonden, waaraan echter nog vleesdelen waren. Toevallig was de herbergier Adriaan Jansz van Dijk getuige geweest van het daarop volgende onderhoud, dat hij met de doodgraver gevoerd had. Na enige discussie had Kindt gevraagd of de kerkvoogd het beter vond, wanneer het geraamte weer begraven werd, hetgeen Ter Bregge bevestigend beantwoord had, waarop de herbegrafenis plaatsgevonden had. Een en ander werd door de schout als kennisgeving aangenomen. Ter Bregge zwijgt echter niet. Deze ambtsdrager tracht de schoolmeester, die door de burgerlijke autoriteiten benoemd is, ten val te brengen.

Een tweede persoon, wiens naam in dit verband geregeld genoemd wordt, is de schilder Johannes Arondeus. Hij zou de stamgasten van de herberg van Matthijs van Heel geregeld onthaald hebben op griezelverhalen van het sinistere duo Kindt-Van Hees. Hij zou de zegsman geweest zijn van het verhaal, dat Kindt een lijk, dat slechts drie maanden geleden begraven was, opgegraven had om het daarna met een schop aan stukken te stoten teneinde er het vet uit te halen, dat hij dan braadde en verkocht. De schilder, die geregeld bij Kindt aan huis kwam, kan een agent provocateur geweest zijn, maar hoe het zij, hij heeft al deze verhalen als verdichtsels gekwalificeerd. Wanneer enkele personen bij hem aankloppen om een en ander schriftelijk vast te leggen weigert hij dit en zegt tot deze lieden: "dat hij Arondeus zig liever leevendig liet van malkander scheuren dan iets tot laste van een eerlijk man te attesteeren 't geen bij hem nooit gezien was". Het zal de vraag zijn of hij deze woorden gestand wilde doen, maar op de 5de februari 1720 scheen het bijna werkelijkheid te worden. Op de avond van die dag was de schilder in het huis van juffrouw Stroom in het Zwaanshals en de kwestie was wederom ter sprake gekomen. Coenraed Casteleyn had hem van onoprechtheid beticht, waarop een vechtpartij ontstaan was, waarbij Arondeus op de grond geworpen was en Casteleyn hem de keel dicht geknepen had tot "dat hij van benaeutheyt paers en blaeuw wert". De schilder was tenslotte bevrijd, maar hij zal wel enkele benauwde ogenblikken doorgebracht hebben.

Uit het bovenstaande blijkt, dat er reeds personen waren, die schriftelijke verklaringen verzamelden. Deze personen wilden alles officieel doen vastleggen en op 19 en 22 oktober verschijnen verschillende mannelijke en vrouwelijke ingezetenen van Hillegersberg bij notaris Herbert van der Mey, die een protocol opmaakt van het hem meegedeelde. Bij deze personen bevindt zich ook kerkvoogd Adriaan van Ter Bregge.




440 ZEDENBEDERF

Sal gelet worden op de wijntaphuysen, geen herbergen sijnde, die soo seer vermenighvuldigen in de stadt ende bevindende eenige exorbitantiën, sullen sonder versuym de vergaderinge worden bekent gemaeckt en sal daer op nader acht worden genomen; sal yder predicant in sijn quartier daerop het ooge laeten gaen en soo daer onder de ledemaeten soodanige sijn, deselve bysonder aenteyckenen.

Resolutiën van de kerkeraad der publieke kerk

d.d. 11 Mei 1661




441 Drie Rotterdamse Watergeuzen

Bestudeert men de lijst van namen der bekend geworden Watergeuzen uit het tijdvak van 1568 tot de zomer van 1572 - na die tijd kan nauwelijks nog van Watergeuzen gesproken worden, wijl de Prins van Oranje in juli 1572 alle oude kaperbrieven introk en aan de geuzenvloot meer het karakter van een staatsvloot verleende -, dan valt het op, dat men daarop zo weinig Rotterdammers vermeld vindt, wellicht nog geen tien op een goede vijftienhonderd. Verbazing behoeft dit echter niet te wekken, want Rotterdam was in die tijd slechts een kleine vissersplaats met een luttel aantal inwoners

Van de Rotterdamse Watergeuzen nu was Jan van Troyen wel de meest op de voorgrond tredende. De drie Watergeuzen waren Jacob Ruymvel, Anthonis Claes zone Moelenaer en Cornelis Dirix zone Calffvel, wier namen voorkomen in het Rijksarchief te Brussel in een ontdekte interessante correspondentie tussen de Raad van Beroerten en de Magistraat van Rotterdam. Ook de brief van Rotterdams vroede vaderen aan de Raad van Beroerten geeft over het leven van deze mannen geen uitsluitsel. Slechts wordt daarin het vermoeden uitgesproken, dat Moelenaer en Calffvel op de kust van Groningen gesneuveld zouden zijn.

Meer bekend is er over Cornelis Dirixz. Calffvel. Uit verschillende bronnen stammende gegevens kan zijn levensloop als volgt geconstrueerd worden: Hij was de zoon van Dirck Cornelisz. Calffvel. In 1551 komt zijn naam te Rotterdam voor het eerst voor. Hij handelde waarschijnlijk in vee, huiden of vlees. In 1553 komt zijn naam voor in het kohier van de tiende penning op de huizen als "Calffsvel, pauper", hij woonde in het stadsdeel gelegen tussen Hoofdsteeg en Rijstuin. Hij werd niet aangeslagen, maar in een ander kohier wel, namelijk voor V11 ponden Vlaams. Hij had drie zoons en ging later in Dordrecht wonen. Op welke datum Calffvel precies bij de Watergeuzen kwam, is niet bekend. Vast staat daarentegen, dat hij in november 1570 diende op het Geuzenschip van de beroemde Nicolaes Ruychaver en in die tijd op de Zeeuwse stromen het marktschip van 's-Hertogenbos plunderde. Vermoedelijk diende hij verder nog onder Dirck Duyvel en Jan Claesz. Spiegel. Op 31 maart 1572 werd hij door Alva verbannen en op 16 april 1572 volgde de afkondiging van het vonnis. Later is zijn naam niet meer genoemd.

Tenslotte moet er nog iets gezegd worden over Johan Gysbrechtsz. Coninck, die, zoals bleek, de drie Rotterdamse Watergeuzen aan de Raad van Beroerten verried. Coninck was de vader van een bekende Watergeus uit Dordrecht. Deze Gijsbrecht Jansz. Coninck , was in het najaar van 1570 bij de aanslag op de Prins van Oranje op Dordrecht tussenpersoon. In het geheim onderhandelde hij met de burgers van Dordrecht in het huis van zijn vader en oom. De aanslag lekte echter uit, Coninck Jr. wist te ontsnappen, maar zijn vader werd gegrepen. Later te Brussel verhoord, maakte deze de namen van Ruymvel, Moelenaer en Calffvel bekend. Veel hebben hem zijn bekentenissen echter niet mogen baten. De brandstapel moest hij toch beklimmen.

BRIEF VAN DE REGEERING VAN ROTTERDAM AAN DE RAAD VAN BEROERTEN.

Rotterdam, 2 maart 1572.

Hooghe Edele en Vermoeghende Heeren. Wij hebben upten XXVJen der voorleden maendt ontfangen van Zijne Excellentie zeeckere missive van date des XVJen der selver maendt, bij de welcke ons geordineert werdt te procederen tot apprehensie oft bij faulte vandyen tot personele dachvaerdinghe, van Jacob Ruymvel, Anthonis Claes zone Moelenaer ende Cornelis Dirix zone Calffvel schippers alhier, beroerende welcken wij Uwer E. adverteren mits desen dat naerdyen de vorseiden personen overmits heurlieden absentie ende meer andere quade suspitien voor ons in persone gedachvaert waeren, tegens d'selve overmits heurlieder non comparitie zoe verre geprocedeert es datter alreede eenige deffaulten tegens hemluyden gedecerneert sijn, ende souden oick alle gebannen geweest hebben dan alsoe wij genouch zeeckerlick onderrecht sijn dat d'voorscreven Calffvel ende Moelenaer omtrent die stadt Groeningen in zee onder de piraten wesende geslaghen zijn, zoe hebben wij mittet voirscreven bannissement gesupersedeert gehadt. Ende voor zoe veel als aengaet de voorscreven Ruymvel, zoe wij verstaen dat de zelve noch in levende lijffve es, zal eerst sdachs tegens den selven geprocedeert werden tot bannissemente. Voorts beroerende heurlieden goeden en connen wij nyet vernemen dat zijlieden eenige hebben, anders hadden wij daer van pertinente annotatie over lange tijt gedaen gehadt.

Hooge Edele ende vermogende heeren, ingevalle Uwer E. nyet jegenstaende tvoorscreven proceduren yet anders jeghens dvoorscreven personen begeert gedaen te hebben sullen wij tallen tijden bereyt wesen tselve te volcomen. Hooge Eedele Heeren Godt almachtich gelieve U.E. te sparen lange in gesontheeyt. Uuyt Rotterdam den 1Jen Martii anno XVc twee ende tseventich stilo communi.

Wes wij vermogen Uwer E. dienaers

Baelliu Burgemeesters ende Schepenen der stede van Rotterdamme.

Adres: Hooge Eedele vermogende Heeren mijne Heeren vanden

Raede van de Coninglijcke Majesteit wesende beneffens

die Excellentie van de hertoge van Alva Gouverneur.

Tot Brussele.

Recepta le X111Je de mars 1572 stil de Rome.




442 Hoge graanprijzen in 1789

De graanprijzen waren in 1789 ongehoord gestegen, zonder blijkbare oorzaak. In de provincie Holland besloot men van overheidswege de prijs van een last graan en die van het brood te bepalen; wat de bakkers voor een last graan meer moesten betalen werd hun uit de stedelijke kas vergoed; zo werd de schade verdeeld onder het publiek, dat het brood duurder moest betalen; de bakkers, die in die verhoogde prijs hun onkosten toch niet goed maakten, en de stedelijke kas, die een gedeelte van de hoge prijs der granen droeg. Het vaststellen en ten uitvoer leggen van deze maatregel gaf Gijsbert Karel van Hogendorp veel te doen. Van Hogendorp doet over het geval een uitvoerige mededeling, welke besloten wordt met : "J'ai exposé" enz. Dan komen twaalf regels Franse tekst, waarvan de inhoud is: de mensen zijn tevreden over Gijsbert Karel, deze over zichzelf, en dat hij niet meer de roem wil najagen.

In het begin van 1789 begon zich in Spanje en Frankrijk een schaarste aan granen te vertonen, hetgeen wegens de strenge winter, die goede verbindingen uitsloot, niet van directe invloed was. Toen de vaart weer vrijkwam, begon de uitvoer, waardoor de prijzen opliepen. Dit verontrustte niet, want straks zouden de Oostzeelanden voldoende afleveren. In mei was de belemmering voor de Oostzeevaart opgeheven, maar men zag een menigte ladingen met granen uit de grote en kleine Oost onze kusten voorbij en rechtstreeks naar Frankrijk en Spanje varen, zodat de Republiek het vierde part niet ontvangen heeft van hetgeen andere landen hebben getrokken.

Deze mededelingen worden enigermate bevestigd door de cijfers van de graaninvoer in de Maashavens, welke de tarwe-invoer zagen dalen van ruim 3000 last in 1788 tot 1015 in 1789 en de rogge-invoer van ruim 12.500 last tot ruim 5200 last, terwijl de uitvoer in beduidende mate toenam. De prijzen liepen op. Ter illustratie: in het laatst van 1788 stond de tarwe op 180 goudgulden het last, in de zomer van 1789 op 370 goudgulden. Deze enorme stijging deed de voorraden snel slinken. Natuurlijk trok het verschijnsel de aandacht, vooral omdat algemeen misgewas niet als oorzaak aan te merken was. Het werd voor geen gering gedeelte toegeschreven aan een plan om Frankrijk in de deerlijkste verlegenheid te storten, door gebrek aan de behoefte des levens, hetwelk zich in dat Rijk reeds onder een schrikbarende gedaante deed zien.

Hoe stond men in Rotterdam tegenover de bemoeiingen van hoger hand? "Bij ons", aldus verhaalt de pensionaris, "was Van der Heim niet ongenegen tot een bepaald verbod van uitvoer" (van granen; daar was namelijk van Zeeuwse zijde over gesproken). "Naderhand was hij zelfs voor een verbod der inlandse granen, en zou hij de laatste deliberaties hier gaarne doorgedreven hebben, dat wy geproponeerd hadden om de Gedeputeerden der Generaliteit te autoriseren, de verdere bondgenoten te onder-tasten, en, was het mogelijk, zulk een verbod te bewerken. Hy vreest, dat de regeering door het volk zoude kunnen gedwongen worden, tot hetgeen zij nu nog met houding kan doen".

Intussen had de regering van Amsterdam aan de bakkers toegezegd, dat hetgeen zij boven de 265 goudguldens per last tarwe moesten betalen, uit de stedelijke kas zou worden bijgepast. Dit was niet naar smaak van de raadpensionaris, die van de Amsterdamse maatregel niet in kennis gesteld werd en hem van derden had moeten vernemen. Gijsbert Karel noteert echter, dat Van de Spiegel meer de lage prijs afkeurde dan de maatregel zelf, omdat "de goeddoening ontzachlijk hoog zou komen te staan". De raadpensionaris, die niet anders kon, dan het Amsterdamse voorbeeld volgen, wilde regeringsvoorraden voor de winter reserveren en de prijs van de tarwe op 290 goudguldens fixeren en het brood op 282, welke schade de bakkerij best kon dragen. Hij slaagde er in Van der Heim tot zijn inzicht over te halen. Aldus vertelt Gijsbert Karel het: "Toen op eenen ogtend met Van der Heim by hem zittende, deedt hy deezen de goeddoening op den gemelden voet aanneemen, hoezeer dezelve tegen de kosten opzag, en, op dat oogenblik, voor eene tegemoetkoming aan de onvermogene ingezetenen alleen scheen te zijn". Gemakkelijk gaf Van der Heim zich niet gewonnen, want Gijsbert Karel noteert nog: "In zyne antichambre sprak Van der Heim met my af, hoe de zaak by ons aan te leggen en zuggte nog verscheidene reizen over de zwaare kosten, die er aan gedaan zouden worden". Dat Van der Heim bij zijn pensionaris weinig steun gevonden zal hebben voor een uitvoerverbod, ligt voor de hand. Te Rotterdam ging de zaak door. In de tweede helft van juni 1789 werd de prijs gefixeerd met terugwerkende kracht van 16 juni af. Ook kocht in de loop van de zomer het stedelijk bestuur, mede op advies van Van de Spiegel, graan in. Tussen Gijsbert Karels papieren bevindt zich nog een notitie omtrent de hoeveelheden stadsgraan, welke op 3 september 1789 voorradig waren.

Op 8 juli begon de zitting van de Staten van Holland en aanstonds kwam de zaak ter sprake. Bij de autoriteiten scheen geen eenstemmigheid te bestaan. Van de Spiegel wilde de prijs fixeren op 290 en adviseerde: "den voorraad te bewaaren en eene goeddoening aan de bakkers te geeven". Een week later evenwel (ik citeer Gijsbert Karel) "in een besogne over deeze zaak, hoorden wij de Gec. Raaden geheel anders praeadviseeren. Zy wilden tegen den by ons bepaalden prys (hieruit schijnt te volgen, dat Rotterdam toen nog alleen stond) graanen uit 's lands voorraad afleveren, en repten van geen goeddoening. Wij bleeven by onze gedagten, of veelmeer by die van den Raadpensionaris in het besogne met Van der Heim en my. Veele Leden vielen ons toe, maar wilden de goeddoening uit 's lands kas voor de steden mede bedingen. Daar kwam de Raadpensionaris tegen op, en droeg voor, dat de stemmende steden voor zig zelven en Gec. Raaden voor het platteland zouden zorgen. Wy ondersteunden die voordragt, Amsterdam sprak ze niet tegen, maar de onvermogende steden schreeuwden hard". Tenslotte kwam op 28 juli een provisionele resolutie tot stand, geldend tot 1 oktober, "volgens welke de voorraad zou bewaard en de goeddoening door G. R. van beide Quartieren ten platten lande, door de regeeringen der steden aan haare bakkers verstrekt worden". Daarna gingen de Staten uiteen.

Eind augustus echter trad op de Amsterdamse graanmarkt een "schielyke daaling" in: de Poolse tarwe of baktarwe kwam er op 255 à 270 goudguldens en de rode tarwe, welke onder de Poolse gemengd werd, op 240 à 255 gg. het last. Deze daling had generlei invloed op de prijzen te Rotterdam en Dordt. Voor de stad Rotterdam was de situatie niet prettig: Amsterdam was van de goeddoening bevrijd (alleen de lagere prijzen "voor arme lieden" bleven), Rotterdam moest voortgaan met vijftig goudguldens per last bij te passen.




443 De strenge winter van 1608

Een lied uit de strenge winter van 1608,

Medegedeeld door Dr. F.K.H. Kossman

In de Cronycke der Stad Rotterdam van S. Lois (1746) vindt men op blz. 110 de volgende aantekening over het jaar 1608:

Den 31 January donderdag na de middag, quam den Marquis Spinola met veel Heeren van Dordrecht over het Ys langs de Mase, met 40 gelade Paerden, 9 Muylesels, 4 Koetswagons, 150 Sleeden met alle haer Bagagie, en werde vande Heeren der Stad Rotterdam heerlyck verwellekomt ende ingehaelt, en bleef tot Rotterdam vernachten, en vertrock den eersten February met alle syn gevolg na den Hage, om met de Staten van Vrede te handelen. In dit Jaer was het soo harden Vorst, dat op de Maes, voor de Stad Rotterdam, wel 40 Tenten stonden op 't Ys, daer men alles verkocht, en men ree tot Delfshaven met Wage en Paerden langs de Maes: het had in 40 Jaer soo harden Vorst niet geweest.

Evenals in later jaren vond de toegevroren Maas ook toen een lofdichter. Deze ondertekent zijn rijmwerk met zijn naam Van der Woude en zijn zinspreuk "In lyden gheduldich". Andere gedichten van deze rederijker zijn mij niet bekend. In de laatste strofe brengt hij zijn eigen spreuk te pas en in het slotvers die van de Rotterdamse rederijkerskamer "De blauwe Acoleyen" "Met minnen versaemt". Het lied bleef bewaard in een klein drukwerkje van 8 bladzijden, dat tevens een dergelijk dichtstuk over de ijsgang op de Schelde voor Antwerpen bevat. De volledige titel van dit boekje, waarvan de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage een exemplaar bezit (Pamflet no. 1564) luidt aldus:

Een Vvarachtich Verhael vanden grooten Ys-ganc die gheweest is inden Jare 1607, ende inden Jaren 1608 opde Schelde, waermen veel wonders ghesien heeft: ghelijc ghy hooren sult. Ende vanden stercken Vorst voor Rotterdam opde Mase, alwaermen veel schoone triumphen bedreven heeft, dwelc hier al in verhaelt is. Tot Rotterdam, houtsnede by Jan van Ghelen, inde West-waghestraet, inden witten Hasewint. 1608. Deze Jan van Ghelen was een uitgeweken Antwerps boekdrukker, de derde van die naam, die de belangrijke werkplaats van zijn vader en grootvader aldaar voortzette van 1577 tot 1597, zich vervolgens in Maastricht vestigde tot 1604, en tenslotte te Rotterdam werkzaam was tot zijn dood in 1610. Hij woonde daar 1606 in de Nieuwstraat, verhuisde in 1607 naar de West-wagenstraat of Delftse Wagenstraat, trok in 1608 naar de Hoofdsteeg, en woonde in 1610 op de Hoogstraat bij de Spui, waar zijn weduwe nog in 1611 zijn werk voortzette. Bij al deze omzwervingen bleef hij trouw aan het drukkersmerk, dat hij en zijn voorvaderen reeds te Antwerpen voerden "Inden witten Hasewint", met de spreuk "Vide numquam polluta" (Met nimmer bevlekte gezindheid). Het Antwerpse lied, op de wijse "Gheeft my te drincken na mijnen Dorst", heft aan: O Heer hoe wonderlijc is u werc, bestaat uit 12 strofen van 8 verzen en is ondertekend: In Liefde groeyende. P.R. Het vertelt niet alleen van de genoegens op het ijs, maar ook van de gevaarlijke afloop van al het vermaak, toen de dooi inzette en wel 300 mensen op de schotsen werden meegevoerd, wat echter tenslotte toch zonder ongelukken afliep.

In 1608 reed Spinola over het ijs, zoals Lois vertelde, om over de vrede te gaan onderhandelen. In 1621, toen het 12-jarig bestand ten einde liep, was de Schelde weer dichtgevroren. Daarvan vertelt "Een Nieu Liedeken vande sterckte des ijs, alsoomen over 't Schelt gaet by Antwerpen, den 20. Februari, 1621", gedrukt T'Hantwerpen, by Abraham Verhoeven, op de Lombaerde Veste; eveneens een boekje van 8 bladzijden groot, bewaard in het Museum Plantijn te Antwerpen, en beschreven in de Bibliotheca Belgica, 2e serie XV11, nr. L 618. Het lied bestaat uit 19 strophen van 8 verzen, op de wijs van het Wilhelmus, en is ondertekend P.R.L.: niet onmogelijk is dit hetzelfde als de Antwerpse ijszanger van 1608.

De bevroren Maas werd later nog bezongen door de niet met name bekende dichter van het wonderlijke bundeltje: 'T Scheeps Oorlogs-leeven in eenen Dag-bespiegeling waar agter myne Scheeps Uitspanningen; onder de spreuk Homo est Homine (sic) Lupus. Te Rotterdam. By J. Hendriksen, in het Hang, het derde Huis van de Groote Markt, 1784. Onder deze uitspanningen vinden wij op blz. 104-108 een gedicht in 9 strophen van 12 verzen, getiteld: Ysvermaek, of Kermisvreugd op de Maes voor Rotterdam, in de maend January 1784. Deze dichter geeft, nog uitvoeriger dan in het lied dat wij hieronder afdrukken, allerlei straat-en marktroepen weer van kooplieden en kermisgasten, die de aandacht van de voorbijgangers trachten te trekken; en elk van zijn strophen loopt uit in denzelfden slotregel: "'t Is Kermis op de Baeren!".

En in 1855 verscheen een gehele bundel: Het ijsvermaak op de Maas te Rotterdam, in Februari 1855; een reeks gekleurde steendrukken naar tekeningen van G.J. Bos, met toepasselijke prozastukjes en gedichten van letterkundigen uit die dagen. Zoals G. van Reyn in zijn inleiding daarbij in herinnering brengt, waren ook in de jaren 1776, 1784 en 1838 prenten verschenen, die hetzelfde drukke bedrijf op de Maas in beeld brachten. Dit boek en deze prenten uit de 18de en 19de eeuw zijn bij de Rotterdammers nog wel algemeen bekend. Het lied van 1608 worde hier thans opnieuw in hun belangstelling aanbevolen.

HIER NAER VOLCHT VANDEN STERCKEN VORST VOOR ROTTERDAM OPDE MASE: OPDE WIJSE:

Alsmen een duysent vijfhondert iaer Met de reprince:

Int openbaer "begostmen daer.

Godts wonder daden men aenschout
Int Jaer acht boven sestienhondert
Want HIEMS als een vorst seer stout
Regeert seer streng en brenght ons ondert
Vriesen subject geen wt ghesondert
Nu SOL in AQUARIUS dwaelt
Elc mens is daer door verwondert
Want dees Vorst tgansche lant bepaelt
Der vriesen Vorst "ons strenghelijc porst
Tis al staet by Turf, Hout "tis kout
De vriesen fel "sijn nu int spel
En maken ons benout.

In plaets daer men te varen plach
met Schuyten, Schepen en Galeyen
Sietmen nu rijden dach aen dach,
met Paert en Sleen in dees contreyen,
menich arm mensch macht wel beschreyen,
door koude als pover ghestelt,
maer den Rijcdom gaet haer vermeyen,
Opt ijs al waert int groene velt.
Paerden en Sleen "zietmen certeen
Nu rijden sonder erch "ten Berch
Na Dort Dergou "met Man en Vrou
Schoonhoven ic ooc verch.

Voor Rotterdam over de Maes
Sietmen nu gaen wenden en keeren
Van Delft somighe voor een solaes
Komen vrymoedich herwaerts veeren
wt s Graven Haegh veel groote Heeren
van Amsterdam en Leyden koen
die van Haerlem over de meeren
tis naet Maes diep dats al haer spoen
Noyt oogh en sach "sulcken ghewach
wantmen daer heeft ghesien "veel lien
wt vremde steen "komen alleen
om twonder te bespien.

Vier ende veertich Tenten hooch
Waren gestelt opt diep warachtich
Wt elc een vlagghe lustich vlooch
Al hadt gheweest een legher krachtich
Weert en Weerdin riepen eendrachtich
komt in en drinct geloutert bier
Elc in zijn Tent zijt dit gedachtich
schonc Bier of wijn en stocten vier,
Twas een jolijt "in swinters tijt
soot scheen aen elcken kant "playsant
datmen propijs "stocten opt ijs
Het vier al waert opt Lant.

Van als al hadt gheweest in Stat
was daer te koop als koec Kerstaengien
den Poppen Kramer daer ooc sat
En wijfs met Appels van Oraengien
Die gewassen waren in Spaengien
Haringh en Broot twert u vertelt
Boeckingh gekomen wt Britaengien
Elc meer al ander haecte naet gelt.
Den dobbelaer "die riep eenpaer
Onder oft boven raet "hoet gaet
Suyker en kooc "nestlinghen ooc
Tis al tot uwer baet.

Vryers en Vrysters seer vaeliant
Reden met schaatsen vast ghebonden
Als Amoreusen hant aen hant
Hoe wel tkout was nochtans doorwonden
CUPIDOS Schicht na mijn vermonden
menich ionc hert ooc int ghetal
wasser menich diet haer verstonden
die int ghelach sloeghen den Bal.
Tsnaren gheklanc "Trompets aenvanc
twert al opt ijs gehoort "en voort
Boer en Boerin "dansten met min
Elc heeft vreughden bespoort.

Meerder als sestien duymen dan
ist ijs gevrosen binnen dry weken
so dat den Schipper schier een voerman
gheworden is tis klaer ghebleken
Dat sy met Paerden zijn ghestreken
Over het ijs met sleen ghelaen
mijn Heeren bleven niet in ghebreken
maecten een brugh om op te gaen.
Den winter sterc "maect noch int perc
thooft van die geerne poyt "beroyt
dat hy t Sint Jan "qualijc en kan
te deghen zijn ontdoyt.

PRINCE

Orloff o Prins wie dat ghy zijt
Bedenct des winters koude dagen
Eer hy u overvalt subijt
wilt voor de keuke sorghe draghen
Al eer ghy moet brenghen by vlaghen
T Goet tot Noom Jan diet al op schrijft
En oft ghebuerde hoort mijn ghewagen
In lijden gheduldich blijft.
Princesse jent "die excellent
Vreucht met u Lief befaemt "noch raemt
Maect dat ghy gans "aen Venus dans
Sijt met minnen versaemt.

IN LYDEN GHEDULDICH.

Van der Woude.

Woordenlijst:

blz. 208

heerlijck = vorstelijck
met minnen = met liefde of met vriendschap
warachtig = waarachtig

blz. 209

bedreven = tot stand gebracht (of behaald)

blz. 210

Baeren = baren (golven)

blz. 215

merk = merk of herkenningsteken

blz. 211

reprince = herdruk
idem gos (begostmen) = begonnen
idem strenghelijck = op harde wjjze
idem porst = kwelt
idem de vriesen = de vrieskou
idem macht = macht of vermogen
idem beschreyen of bewenen (kan wel huilen)
idem pover = arm
idem ghestelt = in (arme) toestand
idem certeen = zeker of gewis
idem erch = pijn
idem verch = voorstel of vraag

blz. 212

solaes = vermaak of plezier
vrymoedich = ijverig of welwillend
herwaerts = hierheen
veren = varen
koen = onverschrokken, vermetel
mere = meer
naet = nat
spaen = zich moeite voor iets geven, zich beijveren, in iets belang stellen
ghewach = drukte
diep = vaarwater
legher krachtig = sterk leger
gedachtig = gedenkende
vier = vuur
propijs = gunstig, geschikt

blz. 213

Stat = stad of plaats
Kerstaengien = Kerst
Bockingh = bokking
eenpaer = aanhoudend
boven raet = boven de prijs
nestlinge = jonge vogels
vaeliant = dapper
vermonden = verteld is
met min = met genoegen, plezier blz. 214

poyt = poetisch (het hoofd op hol brengen)
noom Jan is een eigennaam
ter deghen = geheel, volkomen
jent = gent = sierlijk
raemt = overlegt, beraamt
versaemt = bijeenkomt




444 De schouwburg der Rederijkers

Het derde eeuwfeest van de Amsterdamse stadsschouwburg is voor J.P. van der Weele een aanleiding geweest om een onderzoek in te stellen naar de lotgevallen van de eerste schouwburg, die omstreeks 1631 zijn deuren voor het Rotterdamse publiek heeft geopend. Hoewel deze spoedig weer is gesloten, niet door gebrek aan belangstelling of door onderlinge concurrentie, maar door een overheidsmaatregel, heeft hij niettemin een eigen plaats in het Rotterdamse culturele leven ingenomen. Het besluit om tijdens de kermis ter aanmoediging van een in 1611 door het gasthuis uitgeschreven loterij een "intrede van caemers van rhetorycquen" te organiseren, is kenmerkend voor de toenmalige kunstopvattingen van het stadsbestuur. Het streven van de vroedschap was niet de enigszins in verval geraakte landjuwelen nieuw leven in te blazen uitsluitend ter wille van de kunst. Integendeel. Aan hun besluit lag alleen de bedoeling ten grondslag om de lasten der armenzorg zoveel mogelijk af te schuiven op de goedgesitueerde burgerij, wier belangstelling voor komedie- en rederijkersspelen bekend was. De kunst en met name het rederijkerstoneel werd gebruikt om de taak der overheid te verlichten: de revenuen kwamen ten goede aan godshuizen, waar stadsgenoten werden verpleegd, die niet in eigen onderhoud konden voorzien. Rotterdam bezat niet het monopolie van dit middel om gegoede en kunstminnende poorters en vreemdelingen de onderhoudskosten voor zieken, ouden van dagen en wezen te laten opbrengen. Ook andere steden maakten daarvan bij voorkeur gebruik.

De Rotterdamse rederijkerskamer, die zich de Blauwe Acoleyen noemde en de zinspreuk voerde: Met minnen versaemt, maakte hierop geen uitzondering. Zij kon terugzien op een luisterrijk verleden. In het begin van de zeventiende eeuw betekende zij echter lang niet meer zoveel als tijdens de grote landjuwelen van 1561 en 1598 in de Maasstad. Haar artistieke prestaties kwamen niet meer boven de middelmaat uit. De bloeitijd was voorbij: de kamer was niet meer in staat op prijskampen in naburige plaatsen behoorlijk voor de dag te komen, veel minder nog om deze zelf te organiseren. Er waren nog wel ambitieuze dilettanten te vinden, maar hun kracht lag, ook door gebrek aan bevoegde artistieke leiding, meer in weinig verheffende boert dan in beeldend vermogen. De kluchten en wat er verder van dien aard werd opgevoerd hadden feitelijk alleen nog betekenis als amusement voor de burgerij, die, verzot op berijmde redevoeringen, in groten getale de voorstellingen bezocht. De rederijkers traden ongeregeld op, maar zij waren altijd te vinden op de jaarlijkse kermis in augustus, waar jong en oud, arm en rijk verscheen om zich aan feestvreugde over te geven.

Het is niet te verwonderen, dat een instelling als het Gereformeerde Burger Weeshuis, sedert 1 april 1598 gevestigd in de Goudse Wagenstraat, die voortdurend met geldgebrek te kampen had, al vroeg van de kermis trachtte te profiteren en er voor zorgde, dat althans een deel van het geld, dat de pretlievende burgerij daar met volle handen uitgaf, in haar geldkist vloeide. Daar het rijffel- of dobbelspel zich in een grote populariteit mocht verheugen, wist het Weeshuis in februari 1597 gedaan te krijgen, dat voortaan te zijnen bate jaarlijks tegen Vastenavond en tijdens de kermis dergelijke spelen gehouden zouden worden, waarbij concurrentie uitgesloten was door andere dobbelspelen te verbieden. De invloed van de kerk op de overheid in de eerste decennia der gouden eeuw maakte een einde aan dit wisselvallig kansspel. Daarbij bleef echter buiten het geding de vraag of een instelling als het Weeshuis van de kermis mocht profiteren behalve voor diensten aan exploitanten, zoals het bewaken des nachts van de kramen en tenten tegen betaling van een vierde gedeelte der dagelijkse ontvangsten.

Het lag in de lijn van het eenmaal ingenomen standpunt, dat de weeshuismeesteren, toen het met het dobbelen voorgoed gedaan was, besloten om nu profijt te trekken van de belangstelling van hun stadgenoten voor het rederijkerstoneel. Er was daartoe geen treffender middel dan door dit kunstlievende gezelschap een vast onderkomen te verlenen in hun gebouwen aan de Goudse Wagenstraat. Zij wisten heel goed, dat de burgers ook buiten kermistijd er graag een paar stuivers voor over hadden om naar het optreden van deze dilettanten te komen kijken. Niet ter wille van de kunst dus zorgden de weeshuismeesters voor een behoorlijk ingerichte toneelzaal, maar uit welbegrepen eigenbelang. Want de nauwelijks toereikende fondsen van het Weeshuis moesten noodzakelijk worden aangevuld: de financiële toestand was allesbehalve rooskleurig. Men verwachtte dat dit initiatief toegejuicht zou worden door allen, die den "ouderloosen weeskens, van bloedvrienden verlaten" een goed hart toedroegen. Door dit voornemen, dat ook door de rederijkers met instemming werd begroet, was tevens het voortbestaan der kamer verzekerd en haar positie op vaster grondslag gebracht. De onderlinge band werd versterkt en onenigheid over financiële zaken van te voren uitgesloten, daar de opbrengst der voorstellingen, na aftrek der onkosten, geheel aan het Weeshuis zou worden afgestaan. Al heel spoedig bleken de weeshuismeesteren het bij het rechte eind gehad te hebben. Hun gastvrijheid leverde een financieel succes op, dat de andere middelen, die reeds tot stijving van de kas waren toegepast, overtrof. Het ligt voor de hand, dat de zaal, die ter beschikking van de rederijkers werd gesteld, in het z.g. oosterpand lag, dat zich uitstrekte langs de Goudse Wagenstraat. Niet alleen was dit pand gemakkelijk door een ingang in het midden vanaf de straat te bereiken, maar het verkeerde ook in de beste conditie. Het was gebouwd in 1604, toen het oorspronkelijke gebouw (het zuiderpand, het voormalige, in 1598 verbouwde pesthuis) te klein was geworden voor het voortdurend groeiend aantal wezen. Een rosmolen en een flesbeslagerswerkplaats hebben er het veld voor moeten ruimen.

Er moet door de rederijkers voor het eerst zijn opgetreden tussen 1626 en 1630. Het tijdstip staat natuurlijk in nauw verband met het afschaffen van het dobbelspel, waarvan wij de datum niet weten. Het ontbreken van de rekeningen in het archief van het Weeshuis maakt een nauwkeuriger opgave voorshands onmogelijk, terwijl de resoluties van de weeshuismeesteren (regenten) er met geen woord over reppen, evenmin als de registers van de stedelijke magistraat. De registers van de kerkenraad, die zich ongetwijfeld met het toneelspelen in het Weeshuis heeft bemoeid, zijn eerst vanaf 1639 bewaard. Het verhandelde in de classis van Schieland, die, wanneer er later moeilijkheden rijzen, het lot van de schouwburg in handen heeft, daalt te weinig af in finesses, al zijn deze acta zeer instructief voor de mentaliteit van de kerkelijke autoriteiten ten opzichte van het toneel. Het onder één dak verblijven van rederijkers met wezen, die een Christelijke opvoeding genieten, is niet zo met elkaar in tegenstelling als aanvankelijk schijnt. Natuurlijk handhaven burgemeesters en weeshuismeesters het Gereformeerde geloof, dat met hun staatkundige gezindheid onverbrekelijk is verbonden, maar in hun hart zijn zij lang niet zo puriteins als zij zich voordoen. Daarom trekken zij bij het weeshuisbeheer de scheidslijn tussen wat wel en niet geoorloofd is niet zo scherp. Zij koesteren geen bezwaren tegen de schouwburg, waarin niemand iets verkeerds ziet, noch tegen het zingen van het nieuwjaarsvers door de wezen in de stad, noch tegen het rondgaan als "pinxterblom". Zwaarder dan het zedelijk heil der wezen weegt voor de bestuurders de vraag, hoe in de steeds groeiende behoeften van het huis te voorzien. Eerst later duiken naast deze materialistische opvattingen overwegingen van kerkelijk-politieke aard op.




445 De concertzaal in de Bierstraat

In Petrus Albertus van Hagen, organist van de Grote Kerk, hebben wij de man te eren, die zo stimulerend gewerkt heeft op het Rotterdamse muziekleven in de 18de eeuw, dat zelfs in 1940, na zoveel jaren, de roep die er destijds van hem uitging, nog niet geheel verklonken is. Omstreeks 1714 te Königslutter in Brunswijk geboren, openbaarde hij al spoedig een meer dan gewone muzikale begaafdheid, zodat, naar de Rotterdamse dichter Frans de Haes het beeldrijk uitdrukte:

"Van Hagen uit zijn kindsheit rees
Als 't licht der Kunstenaren
En aen de nooitvermoeide Faem
Zoo rijk een stof bestelde,
Dat zij eerlang met zijnen naem
Naer 't eind der aerde snelde'
Zoodat zich mijter, troon en kroon
Wel vaek gelukkig achtten
In 't luistren naer den schellen toon
Van Petrus' kunstgedachten."

Met andere woorden, Van Hagen was een wonderkind, dat de Rotterdammers zich gelukkig achtten op zeventienjarige leeftijd voorgoed in hun midden te mogen zien en als een der hunnen te beschouwen. Wie de Maecenas geweest is, die hem in staat gesteld heeft, het vermoeiende reizen op te geven en zich, onbezorgd voor de toekomst, blijvend in deze koopmansstad neer te zetten, is een vraag, die gemakkelijker te stellen dan te beantwoorden is; misschien was het wel dezelfde Hugo Cornets de Groot, die ook later een rol in zijn leven zou spelen, en die rijkdom aan zin voor de schone kunsten paarde.

Dat onze musicus zich in 1731 of kort daarvoor in Rotterdam moet hebben gevestigd, blijkt uit een langademig vers, dat de meergenoemde Frans de Haes in dat jaar maakte "Op de luit- en vedelkunst van de heer P.A. van Hagen". Na het spel van de jonge man uitbundig geprezen te hebben ("Is alles Engelenbanket, wat ge op uw' hoogen Kunstdisch zet"), spreekt hij Rotterdam aldus toe:

"Geluk dan, ô mijn Vaderstad,
Geluk met zulken nieuwen schatt',
Ontfang Hem als uw' ingeboren;
Geluk met eenen Kunstenaer,
Wiens weergaê gij, in honderd jaer,
Niet hebt gehoord, of ligt zúlt hooren.

Dat dan, ô Maes, uw zilvren vloed,
Met eerbied, dien Arion groet',
O Rotte, wil den lof ontvouwen
Van dees Amfion, die uw' wal
En Kunstmuur, door zijn kunstgeschal,
Tot aen 't gestarnt' zoekt op te bouwen."

In 1741 kreeg Van Hagen een vaste betrekking als organist van de Oosterkerk. In 1748 kon hij het zich veroorloven, het burgerrecht van Rotterdam te kopen.

Acht jaar later (1756) bevatte de Rotterdamse Courant een advertentie van de volgende inhoud: "Op Zaturdag den 27 Maert sal P.A. van Hagen te Rotterdam ten synen huyse concert houden en door den onlangs uyt Italien gearriveerde zangers Sigre. Baratti, Sigre. Quilici, Sigra. Castelli en Sigra. Barbirie gesongen en o.a. het Stabat Mater door een beroemde Sigre. Pergolesi gecomponeert (waarvan den inhoud soo in het Latyn als Hoogduyts by den voorn. Van Hagen te bekomen is) aldaer geëxecuteert werden: men betaelt voor yder persoon 30 st. en de billietten zijn te bekomen by den Houder des Concerts in de Bierstraat); Begint ten half ses uuren".

Van Hagen hield dus in 1756 openbare concerten te zijnen huize in de Bierstraat. Aangezien concerten destijds bijna uitsluitend door middel van affiches plachten te worden aangekondigd en deze helaas niet bewaard gebleven zijn, vormen de couranten, waarvan de advertentierubriek in de 18de eeuw nog maar heel beknopt is, vrijwel de enige bron voor onze kennis van het muziekleven, waar brieven en memoires over dit onderwerp volkomen ontbreken. Zo is het alleen door een advertentie bekend, dat de 16de februari 1760 het zesjarig dochtertje van Petrus Albertus "in 't concert bij P.A. van Hagen" een groot vioolconcert van Tartini ten gehore bracht en dat dit meisje een jaar later op het benifice-concert van een harer broers optrad in "een concert carillon op glaazen". De beide zoons hadden kort te voren (28 februari) in "'t laatste inschrijving-concert bij P.A. van Hagen een trio op twee luyten" gespeeld.

Het huis in de Bierstraat wordt in een advertentie voor een concert op 2 maart 1768 te geven door de heren C. Vermeulen en G. Bolizki "de Groote Concertzaal" genoemd en voortaan wordt het steeds met deze naam aangeduid. Het pand was in 1754 voor rekening van de meergenoemde Cornets de Groot gebouwd. Van de stadsrooimeesters had deze in dat jaar vergunning gekregen, daar een nieuw pakhuis te bouwen "en boven een dito woonhuys". Mr. Hugo Cornets de Groot, afstammeling van zijn beroemde naamgenoot, was een man van aanzien in Rotterdam. Behalve oud-schepen, lid van de Vroedschap en burgemeester was hij lid van het college der Admiraliteit op de Maze, bewindhebber van de Kamer van Rotterdam der V.O.C. en commissaris der posterijen. Met zijn gezin bewoonde hij een groot huis aan het Haringvliet z.z., destijds een der meest gezochte woonwijken van Rotterdam. Dat hij een der Maecenaten was van het Bataafs Genootschap bewijst, dat het culturele leven van zijn tijd niet aan hem voorbijging. Toen hij in 1777 overleden was, kon een dichtlievende anonymus -in een Lijkklagt van hem getuigen:

"Een Toeverlaat voor oeffenaars van Kunsten
En Wetenschap, dien hij bescherming bood
Door velerlei en ongehouden gunsten".

Hoewel het alweer niet te bewijzen is, ligt het voor de hand, aan te nemen, dat de burgemeester zijn huis in de Bierstraat al aanstonds van een ruime zaal heeft voorzien, geschikt voor het houden van selecte concerten voor muziekliefhebbers.




446 Vijftig jaar kunstzinnig leven in Rotterdam van 1898-1948

Toen dr. Vorenkamp mij in mijn vakantieverblijf overviel met het verzoek een causerie te houden over het culturele leven van Rotterdam gedurende de 50 jaren dat H.M. de Koningin heeft geregeerd, schoot mij plotseling het oordeel te binnen van een te goeder naam en faam bekend staand Indiaans opperhoofd over de bleekgezichten en hun cultuur. Ik heb dat oordeel ik weet niet meer waar gelezen en vind het frappant genoeg om er deze causerie mee te beginnen. Het Indiaanse opperhoofd verklaarde dan - en hij meende het serieus - dat bleekgezichten zonder één uitzondering op hem de indruk maakten, krankzinnig te zijn, schizofreen, "geschift" dus. Hij kon met hen de vredespijp niet delen in een rustig bezonnen gesprek. Achter hun goed sluitend gordijn van woorden (vond hij) schemeren gedachten, die de woorden niet dekken, en hun sigaretten roken zij zo, dat je niet kunt zien of de spreker ze rookt, of de denker daar achter, want geen van twee, waarin het bleekgezicht gedeeld pleegt te zijn, schijnt er zich bewust van te zijn dát hij rookt. Automatisch kan een mens natuurlijk niet roken, want een mens is geen trekpop. Het bleekgezicht moet dus nóg verdeelder zijn dan bij eerste waarneming al kan worden waargenomen. Een dérde in hem heeft het welbehagen aan de tabak. Geen wonder, dat de krankzinnigheid het bleekgezicht uit de ogen straalt, want er is geen harmonie in hem, maar alleen geschift zijn.

Wij hebben natuurlijk de neiging om het Indiaanse opperhoofd, dat zo sprak, rancuneus zélf voor krankzinnig te verklaren, of hem tenminste op te sluiten in een natuurreservaat, maar de Indiaan wás zo gek nog niet! Wij leven geschift! Ik schrok alweer, toen ik mij deze causerie zag voorbereiden. Voor ik het besefte, was ik bezig, de snit en de kwaliteit van ons culturele leven te bepalen, alsof het een jas was, die men het leven in Rotterdam kan uittrekken. En het betreurenswaardige is, dat dat tot op zekere hoogte nog kán ook! Men kan het leven in deze stad een láág cultuur afstropen en dan loopt het nog weg. En men kan het z'n politieke colbertje net zo goed uittrekken zonder iets te beschadigen En dan kan men er het kerkelijk leven ook nog af afhalen, en het liefdeleven en - nu ja - dan heeft men het intiemste gehad. Allemaal lagen, die de naaktheid kleden. Niets schijnt zó aan onze armzaligheid vastgekleefd te zijn, dat wij onder deze behandeling zouden sterven. Het moest echter zo zijn, dat één van die kledingstukken ons zélf, niet afgestroopt kon worden als een huid. Het moest zo zijn, dat al die kledingstukken delen van ons zenuwstelsel waren, verweven met al ons andere weefsel, tot in het diepst gelegen orgaan, onverschillig of het onze spijsvertering regelt of de orde op ons netvlies. Niettemin zijn er boeken vol geschreven over dat wijd om ons slobberende culturele leven. Wat tenminste nog chirurgische boeken hadden moeten zijn, zijn maar gewoon handboeken, ten dienste van de culturele kleermakerij.

Kijk, en nu heb ik meteen een aanknopingspunt voor mijn overzicht, want in het begin van de periode, die ik te behandelen kreeg, omtrent de eeuwwisseling, bestonden er namelijk enige idealisten in den lande, die, onder invloed van de geniale Engelsman William Morris, de vernieuwer van de ambachtskunst, droomden van een gemeenschapskunst, van een ongedeelde, niet geschifte, homogene gemeenschapscultuur. De monumentale muurschilderkunst werd vooral een machtige strijdbijl voor de gevederde cultuurvernieuwers in die tijd als: Der Kinderen, Toorop, v. Konijnenburg, Thorn Prikker en R.N. Roland Holst, die zich inspireerden op Puvis de Chavannes. Niet alles van die beweging is Rotterdam voorbijgegaan. Thorn Prikker, die in 1894 aan Borel schreef: "ik zou wel eens een wandschildering willen maken", heeft de stad kunnen verrijken met kostelijke composities, waarvan er hier enkele in ons Museum zijn, en andere, in een reeks, de Burgerzaal van het Stadhuis tooien. Maar gemeenschapskunst is het werk van Thorn Prikker nooit geworden. De Rotterdamse gemeenschap heeft er integendeel altijd vreemd tegenaan gekeken. Weliswaar is de Burgerzaal geen atmosfeer waarin de werken van Thorn Prikker tot hun recht kunnen komen. Maar ook in een ideaal aangepaste omgeving zouden de werken cerebraal aandoen, hoewel zij constructief ongemeen schoon zijn en in ons oog winnen als wij het basisplan voor de wederopbouw verwerkelijkt denken. In elk geval zagen de idealisten van omstreeks de eeuwwisseling hun droom verdrietig schiften en zo leven wij nu (1948) nog - en weer: met cultuur, die niet genoeg van ons merg is, met kerken zonder gemeenten, met kunst die vaak geen publiek vindt en met beginsels zonder toepassing daarvan in de staatkunde en de economie.

Elk gebied des levens is bovendien zo gerationaliseerd en geraffineerd, dat specialisme de om ons heen slobberende cultuur uiteengereten heeft. Wij zijn niet meer bij machte een synthese te bewerkstelligen. De Westerse cultuurfase scheen Spengler dan ook te zijn uitgeput. Toynbee weet evenmin veel goeds te voorspellen. Maar: zij hebben beiden te weinig rekening gehouden met vulkanische krachten, die de mens in het onderbewustzijn nog met zich meedraagt en waar hij door zijn verderfelijke wapen, de analyse, de tegenstelling dus van de synthese, toegang toe krijgt, tot zijn heil. Medailles hebben nu eenmaal twee kanten. De tak van cultuur, die nog het meest met het leven in deze stad vergroeid is, door zelfbeoefening in allerlei vormen, is de muziek. Eigenlijk verwaarloos ik nu al verscheidene andere zaken, die, omdat het hemd nader dan de rok is, ons inniger aangaan. Onder andere spreek ik nu niet over het religieuze leven, dat toch méé onze cultuur bepaalt. Maar ik heb stof voor tien lezingen en moet mij beperken tot wat in een museum geperst kan worden, dus tot wat-van-de-snaren-komt.

Met de muziek in tal van variaties en bedoelingen zijn genoeg Rotterdammers vertrouwd om van haar te kunnen zeggen, dat zij in belangrijke mate de cultuur van Rotterdam bepaalt. Het is niet nodig, dat alle Rotterdammers muziekbeoefenaren zijn of graag naar muziek luisteren, want cultuur is niet iets dat door de gemeenschap gedragen zou moeten worden als confectie kleding, cultuur zou moeten zijn een gesteldheid, een geestelijk klimaat, dat dun of dik kan zijn, wisselvallig of standvastig, bevorderlijk voor verdere geestelijke groei of schraal. Nu kan het Rotterdamse culturele klimaat wat de muziek betreft nogal bevorderlijk zijn. Dat is al lang geleden begonnen. In 1829 werd hier de landelijke Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst opgericht. De afd. Rotterdam daarvan stelde zich steeds onder leiding van figuren van betekenis, zoals Frans Coenen, Johannes Verhulst, W.F.G. Nicolai, Woldemar Bargiel en Friedrich Gernsheim, die ook directeuren van de Muziekschool waren, daarna wat het koor betreft onder leiding van A.B.H. Verhey en Evert Cornelius en wat de Muziekschool betreft onder leiding van Joh. Sikemeier, Wouter Hutschenruyter en Willem Pijper.




447 Justitie in Rotterdam



In het eerstbedoelde versje (dat op de wijs "Van de Spaanse Ruiter" kon gezongen worden) wordt een der veroordeelden sprekend ingevoerd:

Inderdaad waren drie van de terechtgestelden veroordeeld wegens het crimen nefandum; de vierde was een valse munter.

Het najaar van 1730 is bekend geworden door een algemene vervolging van lieden, die zich aan het eerste misdrijf hadden schuldig gemaakt. Het was begonnen in Utrecht, waar het kwaad, naar de volksmond wilde, zich in verband met een toevloed van vreemdelingen bij de vredesonderhandelingen in 1713 had geopenbaard en daarna snel om zich heen had gegrepen. Ook de andere provincies waren er niet van verschoond gebleven. In boeken en vlugschriften werd de toenemende zedenverwildering aan de kaak gesteld en in 1730 zag de overheid zich alom in het land genoodzaakt krachtig in te grijpen en voorbeelden te stellen. Wagenaar, de historieschrijver vertelt, dat het kwaad vroeger, zo het al was voorgekomen, bij lange na niet zo algemeen was geweest als in de laatste jaren en dat het daarom "door geene openbare wetten beteugeld" was, ofschoon men het vanouds door verbranding placht te stuiten, die dan gewoonlijk nog heimelijk werd ten uitvoer gebracht. "Maar 't kwaad, nu gemeen en genoegzaam openbaar geworden zijnde, scheen ook openbaare en strenge straffen te vorderen".

Naar aanleiding van een brief van het Hof van Holland verklaarden de Staten van Holland op 14 juni 1730: "Het is ons seer smartelijk en wij moeten met leetwesen klaagen, dat boven soo veele misdaaden en hooggaande sonden, als daagelijks in ons Land worden bedreeven, ons seedert eenigen tijd ook te vooren zijn gekoomen soodanige delicten waarover de natuur selfs een afgrijsen heeft en die in een land, waarin de Christelijke Gereformeerde Religie werd geleert, selfs niet behoorde genoemt, veel meer bekent te zijn". De Staten meenden, dat nu de tijd gekomen was, om lieden die zich aan deze afschuwelijke misdaad hadden schuldig gemaakt niet langer "in stilte van kant te maaken", maar "daarover een publicque straf, tot meerder afschrik van andere te moeten oeffenen". Voortaan behoorde de strafmaat niet meer aan het oordeel van de rechter te worden overgelaten. En een maand later, op 22 juli, vaardigden de Staten een plakkaat uit, waarbij vastgesteld werd, dat deze delicten voortaan met de dood bestraft en dat de lijken verbrand, in zee geworpen of aan de galg gehangen en tentoongesteld moesten worden "als de begrafenis onwaardig zijnde"; dit alles "opdat God almagtig gelijk als hij voor deesen ontrent soodanige grouwelen gedreigt heeft, de ongeregtigheid van het land met Sijne vreeselijke oordeelen niet koome te besoeken en het land met sijne inwoonderen niet koome uit te spouwen en alsoo den rijkdom van Gods langmoedigheid en verdraagzaamheid over Ons Lieve Vaderland een einde koome te neemen".

Maar al een week voor de afkondiging van dit plakkaat, de 17de juli had de Rotterdamse schepenbank besloten, de drie mannen, die in de kerker van het Raadhuis hun straf afwachtten "anderen ten exempel met alle rigeur" te straffen en hen veroordeeld "omme te werden gebragt op het schavot agter het Raadhuys en aldaer door den scherpregter aen een pael gestelt met de koorde gewurgt en daerna met vuur geblaekt te werde, dat er de dood naer volgt en dat (hun) lichaemen in de zee gesonken sullen worden om soodanige de memorie van die gruwelijke sonde uyt het midde van ons weg te doen" en dit alles onverminderd de proceskosten en de verbeurdverklaring van hun goederen.

De veroordeelden waren lieden van gering aanzien. Van de vrouw van Leendert de Haes is bekend dat zij een winkelnering dreef in het Hang, Caspar Schrooder was een handwerksgezel en Huybert van Borsele werd "lijfknecht" genoemd. De vierde misdadiger had heel iets anders op zijn kerfstok. Hij was een Antwerpenaar, Arnoldus Becks, die op 15 juni met de beurtschipper van Antwerpen in Rotterdam was gekomen. Bij de bakker Abraham van Brienen op de Botersloot had hij een oortjeskoekje gekocht en, bewerend dat hij geen kleingeld had, een gulden ter wisseling aangeboden. De bakker ontdekte al gauw, dat de gulden vals was, liet de schout waarschuwen en de man schaduwen en kon er zich zodoende op beroemen, de justitie aanwijzingen te hebben verstrekt welke leidden tot de in hechtenisneming van de vreemdeling, die in het begin weliswaar alle schuld ontkende, maar bij volgende verhoren door de mand viel en zich ontpopte als middelpunt van een complot van valsemunters in Antwerpen, dat op grond van zijn mededelingen door de Antwerpse autoriteiten spoedig onschadelijk kon worden gemaakt. Schepenen overwogen, dat het maken en uitgeven van vals geld een misdaad was, die de meest catastrofale gevolgen kon hebben en daarom streng behoorde te worden gestraft en veroordeelden Becks om op het schavot achter het Raadhuis "met den koorde" te worden gestraft, terwijl zijn lijk naar het Galgenveld zou worden gebracht "omme aldaer tot spectakel aende galge gehangen te worden".




448 In memoriam Ed. Nijgh (1900 - 1949)

Door Mr. K.P. van der Mandele

"Captain of industry."

Dat was de naam, die men, vóór de oorlog, hier veelal placht te geven aan een man uit het bedrijfsleven van groot formaat. Nijgh was "a captain", but not of industry, commerce or navigation only: he was a captain allround by character, through the grace of God.

Zijn gestalte, zijn gang, zijn houding, zijn blik gaven het al aan: stevig, vierkant, rustig. Zo was ook zijn aanleg: kalm, gedecideerd, rondborstig. Hij moet zo geweest zijn in zijn jeugd, in zijn schooljaren: een moedig verzet tegen een leraar, die te ver ging in zijn uitlatingen, is er het bewijs van. Hij was zo in de oorlogsdagen van mei. Als kapitein, commandant van een sectie kustartillerie in Zeeland, was hij de evenwichtige dappere Hollander, die in de strijd nooit gezwicht zou zijn. Hij was zo in de bezettingsjaren. Kloek en kalm steunde hij het verzet waar hij kon en de boekhouding van menig illegaal fonds was op zijn kantoor in zijn vertrouwde handen goed geborgen. Hij was zo in de naoorlogse dagen toen hij de brug beklommen had van zijn schip - zijn bedrijf - dat weer vlot gekomen was, en hij onmiddellijk met grote energie en voortvarendheid alle bevelen uitgaf voor het herstel: het tankbedrijf aan de Waterweg, platgeslagen door het geweld, werd als met toverhand weer opgericht en verrees in een jaar tijds. Nijgh heeft de hele wereld gekend en in zich opgenomen. Het schijnt dat men hem eerst voor de marine bestemd had: hij zou een goed admiraal zijn geworden. Maar nu heeft hij die zeemanseigenschappen als groot-koopman en reder kunnen geven: aan zijn bedrijf, aan zijn stad en haven, aan zijn land. Want zovele bedrijven, buiten het zijne, zochten zijn hulp en steun - bank of werf of industrie of rederij - en hij was gul die te geven zoals hij ook het algemeen belang diende waar hij kon. De Kamer van Koophandel nam hem op in haar midden, plaatste hem aan het hoofd van de belangrijke scheepvaartcommissie en benoemde hem spoedig daarop tot haar vicepresident: de admiraalsstaf scheen dáár voor hem gereed te liggen.

Weer trok hij er op uit, op een verre reis, om een van zijn concepties in daad te kunnen omzetten. Hij zou er niet van terugkeren en toen op een stralende zomerdag de "Molenkerk" vanuit het verre Oosten de haven binnenviel, hingen de rederijvlag van Van Ommeren, het groen-wit-groen van de stad Rotterdam en het rood-wit-blauw van het Vaderland, alle drie, halfstok, ten teken van diepe, diepe rouw. Mij schieten enkele woorden te binnen uit Walt Whitman's vaarwel aan Lincoln:




449 Perikelen van den havenmeester

Op huyden den XX April XV1 C drie ende tsestich compareerde voor mij Zeeger van der Brugge notaris publycq Willem Snow ende John Golton beyde borgeren alhier, dewelke verclaarden en attesteerden ter requisitie van Dirck Heemstee, havenmeester mede alhier, waar ende waarachtigh te weesen, dat op gisteren sijnde geweest den negenthienden deeser der voornoemden requirant op het Oude Hooft heeft gekomen ende gevonden een kabeltouw van het schip genaamt St. Jan daar schipper op is Hendrick Jacobszoon dwars over de haven vast gemaakt aan het Westers hooft ende het schip leggende aan de grond ende dat daarop een ander schip van buyten in kortende door tselve scheeren van het cabeltouw verhindert wesende in te komend den voornoemde requirant tegens het volck van het voorschreven schip de St. Jan seyde: "laat uw kabeltouw schieten, dat de man daer door mach", daar op het selve volck seyde dat sij het niet wilden doen, waarop wederom denselven requirant heeft gesecht: "laat uw touw schieten of anders sall het u niet wel vergaan" ende dat wederom daarop het selve volck heeft geseght tegen denselven requirant: "wat bruyt ons desen kontlycker?"; waarop wederom deselve requirant heeft gesecht: "soe ghij het niet en wilt laten schieten soe sal ick het touw afhacken", daarop het volck wederom heeft geantwoordt: "hackt het aff hebt ghij het hart en soe ghij het affhackt sullen wij wederom in uw vleijsch hacken", dat voorts den voornoemden requirant het mesch om het touw aff te hacken uythalende het selve volck het touw met der tijdt een weynich hebben laten schieten, daarop de voornoemde requirant in het ander schip gegaan wesende, verclaarden sij comparanten dat het volck van het voorschreven schip de St. Jan het voorschreven touw wederom hebben op gewonden ende dat daarover de selve requirant andermaal aan het selve schip de St. Jan is gegaan en gesecht, sij mosten het touw laten sacken ende los maken, die daar alwederom op seijde: "wij willen 't niet doen, wij bruyen u liever in uw ribben" ende alsoo daarover de selve requirant het voorschreven andere ingecomene schip trachte voor op te winden soo verclaarden sij comparanten dat het voorschreven touw aan het selve schips roer hechtende deselve requirant tot twee a drye malen heeft gesecht dat sij (te weten het volck van het voorschreven schip St. Jan) het selve touw aan landt wederom souden losmaecken ende maken aan de voorpaal op het Oude hooft vast ende dat daar wederom het selve volck op hebben geantwoort: "wij en willen 't niet losser maken jouw schelm, jouw schobbejacker, jouw schoyer, jouw klaploper." Eindelijck verclaarde sij comparanten noch, dat de schipper van het voornoemde ander ingekomene schip op het hooft bij de voornoemde requirant is gekomen ende heeft geklaacht, dat het touw van het schip (denuncierende daarmede het voorgeschreven schip de St. Jan) aan sijn roer hechte ende hem het incomen belette, versoeckende dat hij requirant daarover geliefde te adsisteren ende te helpen ende dat daarop de selve requirant, het houwmesch in de hand hebbende, nochmalen aan het selve schip de St. Jan heeft geroepen, sij souden het touw om reden voorschreven losmaken ende laten sacken ofte dat hij requirant het anders soude afhacken ende dat daarop het selve volck aan e voorschreven requirant antwoorde: "hackt het aff hebt ghij het hart, wij hebben den bruy aan uw" waarop sij deposanten hebben gesien dat den selven requirant het selve touw heeft affgekapt ende dat daarop het andere ingekomene schip eerst in de haven is ingegaan ende ingeschoten, daarvan het eerst door het voorschreven kabeltouw was verhindert geweest, verclarende mede sij deponenten gehoort ende gesien te hebben dat de voornoemde requirant heeft door dreygementen dat sij hem wilde koomen slaan ende smijten wech gegaan ende dat een van het selve volck de kabelgaren in de hant hebbende seyde: "hier is kabelgaren van het touw dat ghij afgehackt hebt om uw op te hangen". Eijndigende sij deposanten hiermede dese hare depositie.




450 Hillegersbergse schoolmeesters uit de 18de eeuw

Door Dr. J. Verseput

Een indruk van de dorpsschool uit de 18de eeuw kunnen wij krijgen, wanneer wij de Mensenvriend opslaan van het jaar 1788. In dit periodiek verschijnend geschrift, dat door Martinus de Bruyn in Amsterdam uitgegeven werd, komt de volgende beschrijving voor, die ik als inleiding wil nemen.

"In de morgenstond begeven zich de kindertjes reeds ten acht uren op weg, voorzien van een leerboekje, en wel de meesten van een linnen zakje, waarin zij hun middagmaal medenemen. Naarmate de menigte aangroeit, wordt ook de woestheid vermeerderd. Haast geraakten zij van het gewone wandelpad in de beslijkte rijweg. De een vecht met zijn leerboek, de ander met modder, de derde met zijn proviandzakje, en al vechtende en tierende nadert men de school. Met een verbazend geweld dringt men al schreeuwende en slaande de deur in, waarbij hun bemorste rokjes niet weinig nadeel lijden. Welk een holderend bolderend geluid! Elk wil als eerste op zijn zitplaats wezen; men springt en buitelt over banken, stoelen, tafels.

De schoolvoogd verschijnt in zijn oud belapte rok en besmeurde kastorale hoed, hij plaatst zich met een barse houding op zijn houten troon, legt het zwart smuigertje neder, geeft met de bullenpees een hevige slag, en roept luidkeels, stil! Allen gehoorzamen en eensklaps gaan de hoedjes af. De meester begint met een lamentabel geteem het ochtendgebed: hij dankt de Algoede voor de bewaring in de nacht, bidt verder voor de Heren Staten, voor de Bondgenoten, voor zijne Doorluchtige Hoogheid en het Vorstelijk Huis, voor de regering van die plaats, voor de kerk, voor de predikant, voor de land-, vee- en steeman, en vergeet vooral niet zijn misnoegen, dat hij op de een of ander heeft, daarin te vermelden. De kinders, die van zijn gebed even weinig begrijpen als wanneer hij het in de Arabische taal deed, hebben ondertussen elkander bij het haar, zien door de ruiten, wijzen naar het een of ander voorwerp, fluisteren, lachen. Dan de meester zegt: amen, ja amen!

Hoedjes op! Welk een schrikbarend geluid. Alle monden gaan tegelijk open én en, dát dat: Jan, Piet, Klaas en meer anderen lopen tegelijk naar de houten stoel en roepen: meester een pen! Terwijl ieder een duit neerlegt. Zacht! Klaas, de zoon van een schepen, klaagt: "Meester, zwarte Dirk heeft mij voor de neus gestompt!" De monarch grijpt de bullenpees, zet twee gespalkte blikken, en roept met een donderende stem: Dirk! loeder kom hier! Dirk wil zich verontschuldigen maar de knaap leeft van de armenkas, en dus wordt hij niet gehoord. De meester grijpt hem in zijn haren, rost hem op een onbarmhartige wijze, en zendt hem met een blauwe rug onder het faveur van enige oorvijgen weer naar zijn plaats. Alles is onder deze rechtspleging in rep en roer. De schoolvoogd verheft zijn stem, en de verwarde leerdeun begint opnieuw.

Het onderwijs neemt zijn aanvang, zes naderen tegelijk de leerstoel, drie klimmen het trapje op en beginnen tegelijk, de een e-n en, de ander, d-a-t dat, v-a va, d-e-r der, vader; de meester versnijdt intussen de pennen, en maakt fraaie letters op groot mediaan met allerlei figuurtjes, om het voornaamste present te geven; om de vijf minuten geeft hij een schreeuw en herhaalt deftig d-a-t dat. Naar je plaats is het, en hij trekt met een vaart een streep, daar ze eindigen. De anderen treden op, rammelen op dezelfde wijze, en zo doen binnen een uur dertig of veertig kinderen. Hierna komen de lezers; die het luidst schreeuwt en de kerktoon van de voorlezer het naast komt, krijgt de grootste loftuitingen. Van zinsnijdingen spreekt de meester niet, omdat ze hem onbekend zijn; alles wordt gelezen op dezelfde deun, op zulk een wijze, die elk verstandig hoorder overtuigt, dat noch meester noch leerling weten wat zij lezen. Dit werk is met dertig leerlingen tegelijk in een half uurtje afgelopen. Het druisend leergeluid klimt al hoger. Enige kinderen zijn bezig met schrijven. De meester werkt weer aan zijn pennenstukjes, of aan zijn sollicitatieboek, of schrijft voor de schout. Wederom een andere vertoning. Matres verschijnt met een grote trommel vol koekjes. De negotie begint, de een neemt voor één duit, de ander voor twee; hiervan heeft ze een woekerende winst. Elk is voorzien; meester (roept ze) kom je! Het half elfje is klaar! De schoolvoogd vertrekt op het eerste geluid. Hij vertelt zijn wijf, hoe deftig hij Dirk heeft afgerost, en zij is van oordeel, om hem in 't vervolg zo genadig niet te behandelen. De meester gaat wederom naar school.

Twee of drie jongens krijgen order, om de loden der klok op te winden, andere om de kerkenstraat te wieden. Thans verschijnen enigen met hun kladschriften voor het plankgestoelte en het voorname werk van de meester neemt een aanvang. 't Is nu bijna half twaalf en de toon zal hoger klimmen. De meester krijgt het psalmboek en roept met luider stem: Laat ons ter ere Gods en tot ons aller stichting, opzoeken en met heilige aandacht zingen de berijmde 109 psalm van de Profeet David, daar het begin is beginnende; hij leest twee verzen. Nu rijst er een geluid op, waarbij het geblaat van honderd schapen lieflijk is, noch toon noch maat neemt men in aanmerking. Hierop sluit de meester al dankende en biddende. Zoals hij zegt: amen! ja, amen! vliegt de menigte wild en woest door elkander, berst de deur uit, en zwiert in het rond al slaande, stotende, trekkende, schreeuwende. In de namiddag wordt bijna hetzelfde toneelstukje gespeeld. Eenmaal in de week schrijft men echter om de voorrang; deze kunstbladen worden door de meester met allerlei krullen en figuren betrokken, vervolgens naar waarde gerangschikt, en aan een touwtje ten toon gehangen. Vrijdag of zaterdag is er ook onderwijs in de godsdienst. Nog heb ik vergeten, dat de meester, vooral in de winteravonden, onderwijs geeft in de rekenkunst. Dit doet hij volgens het gewone boekje, ziet elke som na, brengt de mis-gerekende in orde, en spreekt over het waarom en daarom geen enkel woord, omdat deze hem ten enenmale onbekend zijn."

Deze beschrijving staat niet alleen en wij mogen gevoeglijk aannemen, dat de bovenstaande uitbeelding een goede weergave is van het achttiende-eeuwse onderwijs op verschillende dorpsscholen.




451 Een Fransman over Rotterdam in 1792

Uit: François Armand Frédéric duc de La Rochefoucauld (1765-1848), Souvenirs du 10 Août 1792 et de l'Armée de Bourbon. Publiés par Jean Marchand. Paris, 1929. De graaf, die als officier gevochten had in het leger der Franse emigranten in België tegen de oprukkende scharen van generaal Dumouriez, moest na Fleurus de wijk nemen naar Maastricht. Toen hij en de zijnen zich ook daar bedreigd voelden, reisden zij naar Rotterdam om zich daar naar Engeland in te schepen. Zijn verblijf te Rotterdam duurde van 21-27 november 1792.

Rotterdam is een zeer aanzienlijke stad, gebouwd volgens een geheel nieuw plan voor hen die nog niet in Holland zijn geweest. Ik kan haar met geen enkele stad vergelijken en ik heb toch in veel verschillende landen gereisd.

Bijna alle straten zijn doorwaadbare plekken, de grachten zijn heel mooi; ze zijn breed en goed recht; ze zijn bijna allemaal begrensd door een rij bomen aan elke kant. De gewone ruimte is die tussen de bomen en de huizen en is geplaveid met rechtopstaande klinkers, of kleine stenen. Over elke gracht zijn verscheidene witgeschilderde bruggen, die een heel mooi effect geven; het zijn een soort dubbele ophaalbruggen, waarvan de ene plank tegen de andere rust, ze zijn zeer sterk en dragen de zwaarste lasten. De huizen zijn gebouwd van bakstenen of hout en over het algemeen bepleisterd; enkele met steen. De openbare gebouwen zijn allemaal van steen. De hele wereld heeft horen spreken over de netheid waarmee de huizen van binnen en van buiten zijn onderhouden, een vermoeiende en hinderlijke netheid zelfs.

Deze stad moet in de zomer een bekoorlijk uiterlijk hebben. Alle grachten zijn bedekt met schepen; elk komt uit precies voor de opslagplaatsen en men kan bedenken dat de straten zijn gevuld met een groot aantal werklieden van allerlei soort. Elk huis is een winkel of een magazijn, en bijna al hun koopwaar is voor de export, want men ziet nooit kopers in de winkels. Het vervoer van pakjes vindt plaats in de treintjes die in de kleinste straatjes kunnen komen, want er zijn er enkele in het midden van de groepjes huizen, die zijn als straatjes. Ze zijn geplaveid met bakstenen. De paarden die zijn ingespannen voor de treintjes zijn enorm groot en beslagen met ijzers die vier duim groot zijn. Dat is nodig om hen stevig te houden in de magazijnen en in de straten die met kleine sterk glijdende steentjes geplaveid zijn. De ijzers maken een enorm lawaai, vooral wanneer de paarden er snel mee lopen. Ik logeerde in een kleine herberg die men Le Petit Maréchal de Turenne noemde, waar ik me tamelijk goed ondergebracht voelde. Ik had een verwarmde kamer, die heel moeilijk te vinden is in Rotterdam, want er zijn nooit verwarmde kamers op de bovenste verdiepingen, er zijn alleen op de begane grond ijzeren kachels die slechts hoofdpijn veroorzaken en op een onaangename wijze verwarmen.

Meneer en mevrouw de la Ferronnays en veel andere van mijn vrienden logeerden bij het bord van de Tête de Cochon, die een van de betere herbergen is. Men betaalt er 3 franc per bed en men brandt er een soort turfkluiten, die erg duur zijn. Ik at aan de tafel van de gastheer van deze herberg, het kostte ongeveer 40 stuivers per maaltijd. Deze tafels waren er veel, er waren zelfs Franse dames; men had er bijna 40. Na het diner trokken wij ons terug en lieten onze plaats aan de garnizoensofficieren, die rookten en dronken tot in de nacht, en zijzelf werden overeind gezet door een club van rokers en drinkers. Deze mannen leken over het algemeen smeerlappen en ongemanierde lieden. Ik maakte kennis met enkelen van hen die me uitnodigden en me brachten naar de Société in een club waarvan de locatie heel mooi is, maar men sprak over de rechten van de mens, over de Franse Revolutie, alsof die prachtige dingen inhield. Dit alles kon mij nauwelijks passen met mijn kledij, want ik had nog het uniform van de uitgewekene.

Zo ging ik een enkele keer naar la Société; nog gebeurde het dat ik ruzie kreeg met een onverdraaglijke Jacobijn. De volgende dag ontmoette ik een ander lid van de Société, die me uitnodigde om zijn huis te bezoeken en me uitstekende koffie aanbood, maar al lopend langs de verschillende appartementen, waarvan ik de netheid en pracht bewonderde, zei dat ze niet met zoveel zorg worden schoongemaakt als die men aanbood aan iemand als M. Dumouriez. Ik verzekerde hem dat ik dacht zijn appartement niet te bevuilen en ik liet hem stomverbaasd achter. Ik geloof dat hij deze onbeleefdheid heel stom vond. Men kan die kleine voorbeelden van hoop in Rotterdam als de meest mogelijke patriottische beoordelen. De drie delen wensten het arriveren van de Fransen, dat beweert men heel arrogant op de Beurs. Ik geloof dat men ook zo werkte. Ik heb in de straten van de Fransen ook verscheidene malen mannen ontmoet die ik heb gezien in de Assemblée Nationale of rond de Assemblée, en ik stel me voor dat deze heren, door hun werk eer zouden willen verwerven, met het geld dat men hun waarschijnlijk gaf.

Het volk had het meest op met het ondersteunen van de belangen van het Huis van Oranje, wat in tegenstelling is met de andere landen. Elke persoon droeg een kokarde van oranje kleur.




452 Lofdicht op Rotterdam

Lofdicht op de wijtvermaerde koopstadt Rotterdam 1623.

Wat zyn in dese stadt / al menigherley zinnen;
Elck denckt al dit off dat / wil ick nu gaen beginnen.
De een maect schepen groot, / de ander huyzen bout,
De backers backen 't broot, / den brouwer naerstigh brout,
Den smit seer vroegh op staet / tot elckeen sijn gheryef,
Stijf met den hamer slaet / yder na sijn belyef;
Den kuyper dapper raest / met smijten op de tonnen,
Dus loopt elck metter haest / oft sij maer eerst begonnen.

Een ander denckt: 't is best / dat ick vaer over zee,
Heb ick wat in mijn nest, / dat wil ick nemen mee,
Zien of ick ruylen kan / met de vreemde Japannen
Off eenigh Indiaen / off andere swarte mannen,
Die 't koper wel voor gout / en glas voor silver kiesen.
Dus vaert elck even stout, / dencken na geen verliesen.
De buysman vaert al mee / op p'rijckel van sijn leven
Om haring uyt der zee / off 't gheen hem God wil gheven.

De koopman doet sijn best / om oock te reeden uyt,
Na Oost en voort na 't West / al om de Spaensche kluyt
En om de suyker zoet / en menich confituer;
En zout is oock seer goet / en wijn verdrijft getruer;
Naer Noorweghen om hout / en Schotlandt om de kolen,
Mesire brenght het mout, / elck doet hem werd bevolen;
Dan komt de kleyne jaght / en halen 't weder uyt,
Hetgheen hier is ghebracht / van Noorden en van Zuyt.




453 Rotterdam vrijer dan een vrijhaven

Begripsomschrijving

Is Rotterdam een vrijhaven? Om de een of andere reden schijnt dat een belangrijke vraag te zijn. "Vrijhaven" is een begrip, dat sterk tot de verbeelding spreekt. Welnu, het antwoord op de vraag is: "Neen, Rotterdam is géén vrijhaven". Althans niet in de gebruikelijke zin van het woord. De Rotterdammers voegen daar evenwel iets aan toe: "Rotterdam is vrijer dan een vrijhaven". Dat klinkt als een slogan en het is dat misschien ook wel. Maar dan een reclameslagzin, die voldoet aan de eis van "Truth in advertising". Met dit geschrift wordt beoogd duidelijk te maken dat Rotterdam inderdaad, zeer ten voordele van hen die van deze haven gebruik maken, vrijer dan een vrijhaven is. Er wordt bovendien mee beoogd duidelijk te maken hoe de haven van Rotterdam douane-technisch functioneert.

Wat is van het wettelijk systeem de praktijk? Uit de Algemene Wet inzake de douane en de accijnzen van 1822 - vervangen door de nieuwe wet van 1961 - , waarop het Nederlandse douanesysteem rust, en uit verschillende Koninklijke Besluiten en uitvoeringsbeschikkingen, uit dit gehele samenstel van wettelijke voorschriften is in de praktijk met een grote soepelheid een douanesysteem gegroeid, dat in vele opzichten uitsteekt boven een z.g. vrijhaven. Niet het gehele geldende wettelijke systeem zal hier de revue passeren, doch slechts de grote lijnen van de praktijk en wel van de te Rotterdam en elders aan de Nieuwe Waterweg geldende praktijk.

Hoe de bokken van de schapen te scheiden? De Staat heft, evenals aan de landsgrenzen, ook in de zeehavens invoerrechten, accijnzen en omzetbelasting van de goederen, welke worden ingevoerd voor binnenlands gebruik. De moeilijkheid is echter uit te maken, wat van het uit het zeeschip geloste goed wordt ingevoerd en wat niet. Grote hoeveelheden immers verlaten het Nederlands grondgebied weer, hetzij landinwaarts, hetzij zeewaarts. Van andere is niet aanstonds bekend, of ze in het binnenlandse verkeer zullen worden gebracht dan weer de grenzen zullen passeren. Ja zelfs van de goederen, waarvan vaststaat, dat ze als zodanig niet meer hun weg naar het buitenland zullen vinden, eist de Staat niet zonder meer betaling van rechten. Indien b.v. verwerking van die goederen plaats heeft in een voor uitvoer bestemd product, heeft het in bepaalde gevallen geen zin van die goederen invoerrecht, accijns of omzetbelasting te laten betalen, omdat de betaalde rechten bij uitvoer toch teruggegeven zouden moeten worden.

Het Nederlandse systeem is veelzijdig. De douane heeft tot taak er voor te zorgen dat de wettelijk verschuldigde rechten worden betaald. De wijze waarop zij dit doet, kan zeer verschillend zijn. Zij kan zich daartoe bedienen van het instituut vrijhaven, van entrepots, van z. g. inrichtingen voor douaneopslag; ook kan zij in elke haven verscheidene van deze technieken tegelijkertijd toepassen. Dit laatste heeft de Nederlandse douane gedaan. Het aan de steeds hoger wordende eisen der praktijk aanpassen van een bijna 150 jaar oud systeem heeft hiertoe geleid.

Waar het om gaat. Wat maakt nu bovenal Rotterdam praktisch tot een vrijhaven? In de eerste plaats het systeem der inrichtingen voor douaneopslag; in de tweede plaats het "vlagvervoer" en het "open vervoer". Daarnaast zijn de verschillende vormen van entrepot van veel belang. De douaneloodsen en de douane-entrepots bieden gelegenheid het goed, zonder dat de rechten betaald worden, te laten liggen. De vrije verbinding tussen deze "vrijplaatsen" onderling en met andere punten in het havengebied, waar zeevaart, binnenvaart, autovervoer, luchtvervoer of spoorweg hun beginpunt hebben, wordt tot stand gebracht door "vlagvervoer" en "open vervoer". Kosten wegens het door de douane uitgeoefende toezicht zijn, althans tijdens de gewone diensturen, nagenoeg niet verschuldigd. Er is een schema van een overzicht van de verschillende "vrijplaatsen", van de geboden faciliteiten en van de wegen, welke de goederen na lossing uit het zeeschip kunnen volgen. De mogelijkheid van verwerking van buitenlands goed in een uit te voeren product, draagt er tenslotte mede toe bij, dat Rotterdam in feite een vrijhaven is.

Binnenkomst van goederen uit alle windstreken. De stroom van buitenlandse goederen die Rotterdam bereikt, kan op verschillende manieren Nederland zijn binnengekomen. De aanvoer per spoor, vliegtuig of met rivierschepen is belangrijk, doch het grootste gedeelte van de goederen in de Rotterdamse haven is afkomstig uit schepen, die over zee hun lading aanbrengen. Om te bereiken dat alle goederen die het land binnenkomen onder controle van de douane worden gebracht, mogen deze slechts via daartoe speciaal aangewezen landwegen, waterwegen en spoorlijnen op bepaalde plaatsen worden aangebracht.




454 Binnenkomst van goederen

Uit alle windstreken. De stroom van buitenlandse goederen die Rotterdam bereikt, kan op verschillende manieren Rotterdam zijn binnengekomen. De aanvoer per spoor, vrachtauto of vliegtuig of met rivierschepen is belangrijk, doch het grootste gedeelte van de goederen in de Rotterdamse haven is afkomstig uit schepen, die over zee hun lading aanbrengen. Om te bereiken dat alle goederen die het land binnenkomen onder controle van de douane worden gebracht, mogen deze slechts via daartoe aangewezen landwegen, waterwegen en spoorlijnen op bepaalde plaatsen worden aangebracht. Ter wille van de overzichtelijkheid worden de verschillende wijzen van binnenkomen hieronder afzonderlijk behandeld en wel:
  1. binnenkomst uit zee
  2. overige wijzen van binnenkomen met rivierschepen, spoortreinen, vrachtauto's, vliegtuigen.
Binnenkomen uit zee: geen formaliteiten. Een schip dat uit zee de Nieuwe Waterweg binnenloopt, kan - ook bij nacht - zonder enige formaliteit te vervullen, doorvaren naar Rotterdam.

Lossen zonder oponthoud. Als het schip in een van de havens ligplaats heeft gevonden, moet onverwijld aangifte worden gedaan van alle goederen, welke zich aan boord bevinden. Daartoe dient de generale verklaring, welke opgaven inhoudt:
Voor de onder a genoemde goederen worden doorvoerlijsten gebruikt, voor de onder b genoemde volglijsten. Hoewel wettelijk lossing vóór het doen van de generale verklaring niet mogelijk is wordt doorgaans ambtelijk toestemming verleend om in afwachting van die verklaring direct na aankomst met de lossing te beginnen. Als regel is de bedoelde toestemming reeds voor de aankomst van het schip verkregen, zodat de ambtenaren tijdig ter plaatse aanwezig zijn en het schip geen vertraging ondervindt. Bij de inklaring uit zee dient zekerheid te worden gesteld voor de goederen vermeld in de doorvoerlijsten en dan nog alleen voor zover die goederen niet met hetzelfde schip weer ter zee zullen uitgaan.

Handel en goederenvervoer in de haven:

Lossen. De goederen, die over zee in Rotterdam aankomen, kunnen verschillende bestemmingen hebben. In de meeste gevallen zal, als de lossing begint, deze bestemming wel vast staan. Is dit niet het geval, dan kunnen de goederen in afwachting van een definitieve bestemming - zonder dat nieuwe formaliteiten nodig zijn - worden opgeslagen:
Een groot gedeelte van de goederen wordt voor verder vervoer - zonder opslag - overgeladen in zee- of binnenschepen, vrachtauto's, spoorwagons of andere vervoermiddelen.

De goederen worden door middel van kranen, elevators, laadbruggen e.d. uit de ruimen van het zeeschip gehaald en in of op andere vervoermiddelen op de wal geplaatst. Vorkheftracks en andere transportmiddelen zorgen voor overbrenging naar de loods, of naar een meer geschikte plaats op de kade. De opslag in loodsen en op de kade vindt plaats onder dekking van de genoemde volglijsten, nadat voor de opslag zekerheid is gesteld. Opslag op de kade vereist een bijzondere ambtelijke toestemming.

Douaneloodsen. De plaatsen in de gemeente Rotterdam, waar lading of lossing van douanegoederen mag geschieden, zijn nauwkeurig aangewezen. Deze bevinden zich in hoofdzaak in het havengebied. Bijna alle loodsen op de kadeterreinen en ook nog een klein aantal daarbuiten, zijn in hun geheel of voor een gedeelte goedgekeurd als douaneloodsen. Om aan deze douaneloodsen hun maximale nut van goederenpakhuis te verzekeren is toegestaan dat daarin, behalve opslag van de goederen welke zijn ingevoerd, ook opslag plaats heeft van goederen welke worden doorgevoerd of uitgevoerd en moeten wachten op het inladen. Voor de goederen, welke na aanvoer vanuit het buitenland worden opgeslagen heeft de Wet een bijzonder regime van opslag in het leven geroepen nl. dat van de voorlopige opslag, welke een begrensde tijdsduur heeft, gevolgd door de tijdelijke opslag, welke zo nodig onbeperkt kan worden verlengd. Formeel wordt door de voorlopige en de tijdelijke opslag de toestand, waarin de goederen zich in het schip bevonden, bestendigd. Voor bepaalde aangewezen goederen is zelfs opslag buiten deze loodsen toegestaan.

Deze loodsen die voor het merendeel eigendom zijn van de Rotterdamse havenbedrijven of in enkele gevallen deze van de Gemeente zijn gehuurd, zijn vanwege de douaneadministratie goedgekeurd. Teneinde deze goedkeuring te verkrijgen, dienen de loodsen aan de nodige voorwaarden te voldoen. Zo is b.v. bepaald, dat de loodsen door de douane gesloten moeten kunnen worden. In de praktijk komt dit hier op neer, dat de douanebeambten na afloop van het werk de loodsen afsluiten en steeds vóór het begin der werkzaamheden weer aanwezig zijn om deze te openen. Vrijwel alle Rotterdamse cargadoors hebben zich tegenover het Rijk voor deze voorlopige opslag in douaneloodsen of op de wal verantwoordelijk verklaard en zekerheid gesteld, zodat de ontvanger of de afzender van het goed door het Rijk niet kan worden aangesproken in geval van onregelmatigheden.




455 Douaneloodsen en voorlopige opslag

De plaatsen in de gemeente Rotterdam, waar lading of lossing van douanegoederen mag geschieden, zijn nauwkeurig aangewezen. Deze bevinden zich in hoofdzaak in het havengebied. Bijna alle loodsen op de kadeterreinen en ook nog een klein aantal daarbuiten, zijn in hun geheel of voor een gedeelte goedgekeurd als douaneloodsen. Om aan deze douaneloodsen hun maximale nut van goederenpakhuis te verzekeren is toegestaan dat daarin, behalve opslag van de goederen welke zijn ingevoerd, ook opslag plaatsheeft van goederen welke worden doorgevoerd of uitgevoerd en moeten wachten op inladen. Voor de goederen, welke na aanvoer uit het buitenland worden opgeslagen heeft de Wet een bijzonder regime van opslag in het leven geroepen nl. dat van de voorlopige opslag, welke een begrensde tijdsduur heeft, gevolgd door de tijdelijke opslag, welke zo nodig onbeperkt kan worden verlengd.

Formeel wordt door de voorlopige en tijdelijke opslag de toestand, waarin de goederen zich in het schip bevonden, bestendigd. Voor bepaalde aangewezen goederen is zelfs opslag buiten deze loodsen toegestaan. Deze loodsen die voor het merendeel eigendom zijn van de Rotterdamse havenbedrijven of in enkele gevallen door deze van de Gemeente zijn gehuurd, zijn vanwege de douaneadministratie goedgekeurd. Teneinde deze goedkeuring te verkrijgen, dienen de loodsen aan de nodige voorwaarden te voldoen. Zo is b.v. bepaald, dat de loodsen door de douane gesloten moeten kunnen worden. In de praktijk komt dit hier op neer, dat de douanebeambten na afloop van het werk de loodsen afsluiten en steeds vóór het begin der werkzaamheden weer aanwezig zijn om deze te openen. Vrijwel alle Rotterdamse cargadoors hebben zich tegenover het Rijk voor deze voorlopige opslag in douaneloodsen of op de wal verantwoordelijk verklaard en zekerheid gesteld, zodat de ontvanger of de afzender van het goed door het Rijk niet kan worden aangesproken in geval van onregelmatigheden.

Niets is zo permanent als het tijdelijke. De binnengekomen goederen kunnen onmiddellijk gelost worden zonder dat nadere aangifte heeft plaatsgevonden, in tegenwoordigheid van - of althans met voorkennis van - de douane. De lossing zal, zoals gebleken is, veelal eindigen in voorlopige opslag. Zolang nu niet bekend is of de goederen met betaling van rechten in het vrije verkeer zullen worden gebracht of naar andere landen zullen worden doorgevoerd, kunnen de goederen "voorlopig" opgeslagen blijven. De aan deze "voorlopige opslag" verbonden termijn van ten hoogste vierenhalve maand bleek in de prakrijk te kort te zijn. Deze periode kan nu, ingevolge de regeling voor tijdelijke opslag, ook te Rotterdam aanzienlijk uitgebreid worden, hetgeen er in de praktijk toe heeft geleid dat de aldus opgeslagen goederen praktisch onbeperkt kunnen blijven liggen, zonder betaling van rechten. Hierdoor is bereikt dat voor te Rotterdam aangevoerde goederen een stelsel van opslag is gegroeid waaraan de handel behoefte heeft en dat ertoe heeft bijgedragen dat vele buitenlandse ondernemingen besloten hebben hun opslag en voorraadvorming in Rotterdam te doen plaatsvinden.

Behandeling in voorlopige opslag. De goederen die voorlopig worden opgeslagen mogen in principe tijdens deze opslag geen bewerking of verwerking ondergaan. Bepaalde voorzieningen kunnen echter noodzakelijk zijn. Zo kan het voorkomen dat goederen beschadigd zijn, waardoor het risico bestaat, dat tijdens de opslag de kwaliteit verder achteruit zou gaan, indien geen maatregelen kunnen worden genomen. In deze gevallen kan vergunning verleend worden om de goederen in voorlopige opslag te ontpakken of te verpakken. Ook kan toegestaan worden, dat monsters getrokken worden, of wel dat de colli gesplitst worden, wanneer men aan de goederen een verschillende bestemming wenst te geven.

"Heel Rotterdam" vrijhaven. Aan het instituut van de voorlopige opslag is te Rotterdam een uitgebreide toepassing gegeven. Het aantal inrichtingen voor douaneopslag bedraagt te Rotterdam 510, grotendeels bestaande uit loodsen of gedeelten van loodsen en voor een kleiner deel uit douaneparken, douanelichters en opslagplaatsen op de wal. De ligging en de uitgestrektheid van het gebied, waarin deze douaneopslagplaatsen zich bevinden, hebben in Rotterdam een situatie geschapen, die sterk doet denken aan een vrijhaven. Andere faciliteiten versterken deze gelijkenis met een vrijhaven nog. Hierdoor heeft Rotterdam een duidelijke voorsprong op de bestaande vrijhavens in andere landen.

Opslag op de kade. Naast de opslag in douaneloodsen is de opslag van goederen onder douaneverband op de kade, de z.g. walopslag, van grote betekenis.




456 Mijn oorlogsdagboek

10 mei 1940 t/m 12 mei 1940

Dr. H. Mees

Uit: Mijn oorlogsdagboek

10 mei 1940 - 8 mei 1945

Dr. H. Mees

Rustend huisarts te Rotterdam

Vanmorgen, vrijdag, 10 mei 1940, ongeveer half vier, wakker geworden door het lawaai van vliegmachines en afweergeschut, meest in de buurt van Waalhaven. Wij begrijpen spoedig, dat wij ook in de oorlog zijn betrokken, die nu misschien eerst recht gaat beginnen, wij, het geheel onschuldige en neutrale landje, welks koningin nog voor enkele weken Hitler geluk wenste met zijn verjaardag. Gelukkig, dat we acht maanden de tijd hebben gehad om ons, althans gedeeltelijk, te prepareren en we nu niet geheel onvoorbereid zijn; waarom heeft Hitler ons niet voor acht maanden aangevallen? Zou het zijnerzijds een wanhoopsdaad zijn? Gelukkig waren we al lang gemobiliseerd en waren de verloven sinds enkele dagen ingetrokken; de regering scheen al onraad te hebben geroken en veel regeringsgeld was naar Amerika gebracht. Hitler tracht zijn inval te rechtvaardigen met de beschuldiging dat wij niet neutraal waren, daar wij de Engelsen doortocht zouden hebben beloofd om het Ruhrgebied te bezetten; het gewone Duitse smoesje en voorwendsel.

's Morgens al vroeg een ultimatum van Hitler, die ons beloofde (hetgeen natuurlijk niets zegt) ons land, koloniën en de dynastie te zullen herstellen, wanneer we ons onvoorwaardelijk zouden overgeven; ondertussen vielen de Duitsers ons land binnen zonder oorlogsverklaring, eveneens in Denemarken. Direct heeft onze koningin fier geantwoord, dat we ons in oorlog met Duitsland beschouwen en hulp gevraagd aan Engeland en Frankrijk, welke ons werd toegezegd. Aan België en Luxemburg werden dezelfde eisen gesteld als aan Nederland, met hetzelfde resultaat. Helaas veel verraad in ons land door de N.S.B. en door hier te lande gastvrijheid genietende Duitsers; deze schoten van daken en uit huizen; ze hadden helaas verschillende gebouwen bezet, b.v. het Maashotel (over de Maasbrug), Rhenania aan de Prins Hendrikkade; deze gebouwen werden gelukkig direct geheel van het gespuis gezuiverd en in brand gestoken. Zoveel mogelijk N.S.B.-ers werden opgeborgen. Op verschillende plaatsen in Holland zijn parachutisten neergekomen, deels in Nederlandse uniformen of als boer, pastoor of non verkleed. Ook zijn uit kolenschepen onder Duitse vlag, Duitse soldaten tevoorschijn gekomen, (evenals in Noorwegen). Mijn neef Mans kwam 's avonds uit Amsterdam per fiets; hij vertelde dat Schiphol in brand stond en door de onzen onbruikbaar was gemaakt door er oude auto's en betonpalen neer te zetten. De scholen zijn gesloten.

11 mei 1940.

De Maasbrug zou tijdelijk in handen van de Duitsers zijn geweest, die daar met rubberbootjes lagen, welke uit vliegmachines, gistermorgen al vroeg, zijn neergelaten. Ongeveer de hele Noord- en Zuidblaak en omgeving zouden in brand staan met de gebouwen van de Twentse Bank, Beursstation, Beurs, Nationale, enz. door brandbommen. Aan de Boompjes en hier en daar in de binnenstad zou verwoed worden gevochten, voornamelijk tegen N.S.B.-ers. 's Avonds verschrikkelijk grote brand in het oosten; het Noordereiland zou door de onzen in brand zijn geschoten, omdat daar zoveel gespuis zou zitten. Vova en Volksdagblad zijn verboden; de Beurs is natuurlijk gesloten. Geen tram, bus, taxi, trein, post; krant veel kleiner en bevat weinig nieuws en niets uit onze eigen stad. Gegeten in het Wester Koffiehuis. Mevrouw Dr. Touw vertelde, dat gisteren al de gehele Linker Maasoever in Duitse handen was, ook het vliegveld (dat nu door Nederlandse en Engelse bommen wordt bestookt) en het Zuider Ziekenhuis, waar Duitse doctoren nu de baas zijn, Duitse machinegeweren zijn opgesteld en waar haar man nu een ondergeschikte rol speelt. De Zuidhoek en Schulpweg zouden in puin liggen (d.w.z. het vliegveld Waalhaven). Onze telefoon werkt niet; alleen doctoren, ziekenhuizen en militairen of politiediensten kunnen telefoneren.

Allerlei verraad ook om verwarring te stichten: zo zou aan de Essenburgsingel huis aan huis zijn aangezegd, dat de bewoners de huizen moesten verlaten met beddengoed en eetwaren, daar de Engelsen daar bommen zouden gaan strooien: dit is door de radio tegengesproken. Deze waarschuwt tegen valse berichten en bezweert ons alleen maar naar de drie bekende omroepstemmen te luisteren; ook 's nachts telkens uitzendingen. In Amsterdam zou een valse politieauto rondrijden. In Brussel zijn aan allerlei palen reclamebiljetten aangeplakt, aan de achterzijde waarvan wegwijzers voor de Duitsers. De Duitsers zouden ten noorden van Arnhem over de IJsel zijn getrokken, maar elders worden tegengehouden met behulp van Fransen en Engelsen. De Duitsers zouden bij Venlo Nederlandse krijgsgevangenen als schild gebruiken. Ook Delfzijl zou nog weerstand bieden. De koningin zou aan Mussolini hebben gevraagd, of hij deze schandelijke agressie goedkeurde. De hele wereld is verontwaardigd; de Italianen zouden zijn "geschokt". Amerika zou geld sturen voor het Rode Kruis, ook ambulancewagens.

12 mei 1940

Eerste Pinksterdag: "Uitstorting van de Heilige Geest" (d.w.z. bommen!). Geen kerkdiensten, (ook morgen niet) om zo weinig mogelijk mensen op de straat te hebben. Niemand wordt vertrouwd door het verraad binnenslands; men mag niet lopen met de handen in de zak of op de rug. Vanmorgen vroeg een bom in de Schietbaanlaan, waardoor enige huizen verwoest zijn; er liggen mensen onder het puin. De marinierskazerne en het oogziekenhuis zijn door bommen vernield; de patiënten uit dit ziekenhuis zijn uit de schuilkelder overgebracht naar het ziekenhuis aan de Bergweg; hier liggen ook enkele gewonde Duitsers, die de hemel danken veilig in een goed ziekenhuis te liggen en die vertelden (?), dat ze met de revolver waren gedwongen in een vliegmachine plaats te nemen, waar ze moesten staan tot ze boven Holland er weer uit waren gegooid. Het waren jongens van 18 tot 20 jaar (of zelfs 15 tot 16 jaar?). In Oost-Indië zijn 1000 Duitsers en N.S.B.-ers gevangen genomen en de Duitse schepen zijn in beslag genomen. Het Zuider Ziekenhuis is geheel in Duitse handen; de Rotterdamse patiënten zijn in twee kerken ondergebracht. Onophoudelijk ziet men vliegtuigen westwaarts vliegen en elk ogenblik hoort men door de radio dat zoveel Messerschmidts of Henkels zijn gesignaleerd, zoveel duizend meter hoog in de lucht en in die of die richting vliegend; deze berichten horen we soms vier minuten, nadat ze ergens zijn gesignaleerd. Dr. Brat vertelde, dat hij bezig was een huis te zoeken, daar het zijne onbewoonbaar was geworden door een bom op de hoek tussen Kruiskade en Westkruiskade, waardoor in de hele buurt de ramen waren gesprongen, deuren ontzet, enz. Trouwens meer mensen moesten hun huizen verlaten, zo b.v. op het Westplein en in de Witte de Withstraat. Op straat is het zeer stil; de doctoren kunnen niet al hun patiënten bezoeken, daar sommige straten zijn afgezet, door loopgraven ontoegankelijk zijn of doordat er geen taxi's zijn te krijgen. Het Maasstation zou nog in Duitse handen zijn.

In België schijnt hard te worden gevochten tussen Duitsers en Belgen plus Engelsen en Fransen. Het is toch wel treurig, dat de kleine, onschuldige landen weer de dupe worden en dat de eigenlijk oorlogvoerende landen tot nu toe zo goed als geen schade leden. In onze Maas liggen Duitse mijnen, waardoor o.a. de boot werd beschadigd, waarmee de familie Dr. Voorzanger nog hoopte te kunnen vluchten. Steeds mooi weer en wassende maan en mooie sterrenhemel. Mijn schoonzuster heeft zo nu en dan blokvergadering, waarvan ze leidster is. Ama logeerde al een week hier, maar nu zijn Jo en de juffrouw ook hier ingetrokken om allen bij elkaar te zijn en om mekaar, zo nodig, wat op te beuren; het dienstmeisje, dat aan de Overkant woont, is niet meer verschenen (de Linker Maasoever schijnt geheel in handen der Duitsers te zijn en de Maasbrug zou zijn beschadigd). 's Avonds nog veel rook in het oosten. De oorlog duurt nu nog geen drie dagen en er is al zoveel geruïneerd! Curaçao, zou in overleg met onze regering, er een Engelse bezetting bij hebben gekregen om een overval te voorkomen.

13 mei 1940

Vrij rustige nacht. Het vliegveld Waalhaven zou door de bombardementen geheel onbruikbaar zijn. De Duitsers zouden IJsel, Maas en Waal zijn overgestoken; we zijn nu ruim 3 dagen in oorlog, en het heette, dat er vier dagen nodig zouden zijn om de Hollandse waterlinie in orde te hebben. In Utrecht zou het erg kalm zijn, zouden Mientje en Tom er nog zitten en hoe zou Martha het hebben in Amersfoort? Steeds sirenes om ons te waarschuwen, dat er een luchtaanval dreigt met afweergeschut en kanongebulder, waaraan we al aardig wennen. Natuurlijk is 's nachts alles verduisterd, maar de vele branden werken dit tegen. Burgemeester Oud heeft een alcoholverbod uitgevaardigd; ook wordt gewaarschuwd tegen dubieuze versnaperingen en sigaretten, steeds weer wegend het gevaar van verraad. Ook zouden er quasi politieagenten rondlopen, die niets met de politie hebben uit te staan. Verder verbod om 's avonds na acht uur op straat te wezen. Nog steeds geen post; heden ook geen boter. Hier in de Mathenesserlaan zou uit een raam zijn geschoten; hierom mogen ook geen ramen meer openstaan. De radiodistributie geeft geen buitenlandse aansluitingen meer. Van Noorwegen horen we zo goed als niets. Zojuist het bericht, dat het uitvarende stoomschip Van Renselaar bij IJmuiden op een mijn is gelopen en gezonken, waarbij vijf doden. In Engeland zouden ook parachutisten neerdalen. De Duitsers zijn doorgedrongen tot het IJsselmeer en de Langstraat, waar onze troepen terugtrekken. Overschie is in handen van enkele Duitsers; de witte bus naar Schiedam rijdt weer. Veel rook in het oosten en zuidoosten van ons, dus meer in het zuiden en het centrum van de stad. Juliana en haar beide dochtertjes zijn vandaag door haar man naar Engeland gebracht, vanwaar de prins weer naar hier is teruggekomen. In Indië is 116.000 ton Duitse scheepsruimte in beslag genomen, terwijl de Duitse bemanning één schip nog kon laten zinken. De radio laat weten, dat niemand op de openbare weg mag zijn van 20 uur tot 's morgens zes uur. Vervelend is, dat je eigenlijk nergens toe komt; geen lust tot studeren, geen lust te lezen of zelfs om te bridgen. De koningin en de regering hebben zich naar elders begeven om zich volle vrijheid van handelen te verzekeren. Wij moeten maar kalm afwachten, wat er zal gebeuren; we staan machteloos tegenover het geweld. In België zouden de Duitsers op één plaats zijn doorgebroken en nu met alle krachten verdere voortgang te forceren. 10 uur: De Duitsers zouden de Moerdijk overtrekken.

14 mei 1940.

Bij dr. Moerman. Dr. Touw opgebeld. Mevrouw Dr. Roegholt vertelde, dat de Linker Maasoever geheel in handen is van de Duitsers en dat daar geschut stond opgesteld om de Rechter Maasoever te beschieten. Men mocht daar niet meer naar de Hollandse radio luisteren en er waren al Duitse distributievoorschriften! Mijn vriend, dr. V.d. Borg (jood), heeft vanmorgen cyaankali ingenomen; hij had er al vaak over gepraat, ook met z'n vrouw, die niet met hem mee wilde gaan (maar waarom het niet eerst even aangezien en afgewacht); al die narigheid werd hem teveel en toen hij vanmorgen hoorde, dat de Duitsers over de Moerdijk trokken, gaf hem dit de doorslag: arme Nounou. Onze hele familie gaat naar Van 't Hoff, waar een goede schuilkelder is. Hier allerlei gestrande mensen, die plotseling het ziekenhuis moesten verlaten of wier huis aan de Scheepmakershaven is verwoest en anderen die geheel van streek zijn door een bom, die aan de Heemraadssingel vlak bij hen insloeg. Maar 's middags om vier uur gaan we weer naar huis, nadat de witte vlag is gehesen ten teken van overgave! Langere tegenstand is nutteloos en zou alleen de ruïne nog erger maken. Tegen dit duivels, efficiënt, geraffineerd, volmaakt en minutieus raderwerk, dat rücksichtslos, haast met wiskundige zekerheid werkt, is niets uit te richten. De debacle is al zo verschrikkelijk groot; wij zullen het wel niet meer beleven, dat alles weer is opgebouwd. Steeds vlogen bommenwerpers over onze hoofden en bestrooiden de weerloze stad met brandbommen. Ten noorden en oosten van ons veel vuur en vlammen en telkens ziet men plotseling weer nieuwe rookzuilen opstijgen (Rotterdam zou juist zijn 600-jarig bestaan vieren!). Een groot deel van de binnenstad schijnt verwoest en verbrand te zijn: het ziekenhuis is gebombardeerd en brandt. De ontruiming zou schitterend georganiseerd zijn en alle patiënten zijn gebracht naar de Roomse kerk in de Van Oldenbarneveltstraat. Het is één vuurzee van de Schiedamse singel (Schoolvereniging), Baan, Schiedamse dijk, Leuvehaven (mijn vroeger huis, Havendienst, John Smith), Terwenakker, Scheepmakershaven, Boompjes, Blaak, Coolsingel, enz. En dat alles zonder enig militair nut, alleen om de bevolking te terroriseren; het is beestachtig, onmenselijk, die vernielzucht. Men ziet veel mensen lopen, fietsen en rijden met beddengoed, kleren, enz., die ze een ogenblik later weer verliezen (schoenen, boeken, enz.). Drie schepen van de H.A.L. zouden in brand staan; deze zouden door de onzen in brand zijn gestoken, daar het Duitse of N.S.B.-nesten waren; de "Veendam" zou minder hebben geleden; de Maasbrug zou niet te passeren zijn. Bij de Afsluitdijk en bij Den Helder zou een Duitse aanval zijn afgeslagen. Telkens en telkens weer gaat de sirene en velen kruipen dan in een schuilkelder om er weer uit te komen, wanneer deze slechts één toon laat horen; dit is alleen om velen zenuwachtig te maken. Dat de koningin naar "elders" is vertrokken schijnen velen niet in de haak te vinden; het zou deprimerend werken op volk en leger.

15 mei 1940. 3 uur.

Zo juist komen hier minstens 30 zware Duitse tanks voorbij, die dus over de Moerdijk en de Maasbrug moeten zijn gekomen. Waar gaan deze heen? Voor Den Haag of Amsterdam zullen ze wel niet nodig zijn: voor Engeland, of naar Den Helder? In Rotterdam-Zuid zouden de Duitse soldaten al zingen: "Jetzt gehen wir nach Engeland", tussen de kadavers van de Nederlanders. Prachtig weer, 70 graden Fahrenheit met flinke oostenwind is gevaarlijk voor uitbreiding van de branden naar het westen. Amsterdam zou blusmateriaal hierheen hebben gestuurd; lastig is, dat de waterleiding niet werkt en het bluswater dus alleen uit de niet al te zindelijke singels moet komen: alles is even droog, maar het is goed weer voor de daklozen. Vanmorgen heeft Den Haag zich ook overgegeven en Amsterdam zal dus vandaag of morgen ook wel volgen; in deze steden schijnt weinig beschadigd te zijn. Mijn neef Mans zal proberen per fiets, via zijn broer Hans (in Leiden) Amsterdam weer te bereiken. De Maatschappij "Nederland" zal ook wel niet goed weten, hoe ze er voor staat nu Nederland bezet is en Oost- en West-Indië niet meer zijn te bereiken. De directie zat gelukkig al in het buitenland. De telefoon van Dr. Touw werkt niet meer; men zegt dat de centrale defect is; andere lijnen hier in het westen werken wel. Nog steeds geen post, krant, radiodistributie, water (wel in het oosten), ook geen tram. Steeds hoort men over uitbreiding van de branden. De Aert van Nesstraat en Van Oldenbarneveltstraat met zijstraten staan in brand, eveneens het huis van Dr. Brat (hij heeft alleen nog de kleren, die hij toevallig droeg), de hele Mauritsweg wordt bedreigd, met kans van overslaan van de brand op de Westersingel door de sterke oostenwind; verder Nieuwe Haven; het restaurant Wolff is ook uitgebrand en Gerzon zou beginnen te branden, eveneens de Bijenkorf en het daarnaast in aanbouw zijnde flat, Jungerhans, Soetensteeg (Van Huet), Sandeman, ook de Oude Binnenweg en de winkels van Vroom & Dreesmann, waaruit gisteren nog veel dekens en matrassen zijn gerekwireerd. Zou Domhoff nog bestaan? Hij heeft twee nieuwe pakken van mij onderhanden en één om na te zien. Ook de straten tussen Oostzeedijk en Oudedijk staan in brand.

Herman is vanmorgen naar de Academie geweest (Van Alkemade plein); gisteren stond deze er nog, alleen de omgeving was erg beschadigd; nu is het gebouw ook vernield, maar niet verbrand. Gelukkig zijn beide schilderijen in de kelder niet beschadigd. Er zijn nu al drie werken van hem vernietigd, n.l. van Brunsting in de Nationale en twee portretten van Hudig, die bij de lijstenmaker waren. Ook de Stationsweg zou branden; de familie Key is vertrokken, maar Dr. Röell (wiens auto is gestolen, terwijl hij ergens hulp verleende!) wist niet waarheen. Steeds veel rook, stof, papier en brandlucht. Hoe zou het gaan met de safes, deposito's, belastingkantoren, girodienst enz.? Een troost is, dat ieder ieders lotgenoot is. En nu zijn we Duits, (Westmark?) en wonen in één land met Berlijn, Wenen, Praag, Warschau, Kopenhagen en Oslo; en hoe zal het hier gaan met de joden? Zo nu en dan komen Duitse auto's en soldaten (vaak zeer vermoeid) voorbij met geschut, tanks enz. En onze soldaten, die zich vierenhalve dag kranig hebben gehouden, lopen geheel gewapend: gisteren zagen we de voorbijgangers hier passeren met de handen in de hoogte. Van velen is alles verbrand: papieren, kwitanties, rekeningen, giro, gehele administratie, antieke meubels en porselein; zouden we allen ineens arm zijn geworden? En wat zal er van de verzekeringen terechtkomen? Steeds nog allerlei verhuispartijen met koffers, pakken, beddengoed enz. Verbrand zijn nog: Oppert, Weste Wagenstraat, Delftse vaart, stuk Botersloot, het oude Gymnasium, deel van de Jacob Catsstraat en Noordsingel (waar de gevangenen zouden zijn vrijgelaten). Verder de gehele Van Oldenbarneveltstraat (met de Rooms Katholieke Kerk, waarheen gisteren nog de patiënten uit het ziekenhuis werden gebracht en die nu weer zijn overgebracht naar schepen aan de Aelbrechtskade), Aert van Nesstraat. Aan de Roovalkstraat zou men huizen laten springen om het St. Franciscus-Gasthuis te beschermen. Tot nu toe is het westen er het best afgekomen. Ook het Delftsepoortstation zou in brand staan. Het Museumplein zou vol zwaar afweergeschut staan, dit zou ook staan van Den Hoek tot aan Den Helder; alles is wel tot in de perfectie geregeld! 't Is maar te hopen, dat de geallieerden ons nu niet komen helpen, waardoor wij nog meer de dupe zouden worden. In Zeeland zou nog hard worden gevochten tussen onze troepen plus Engelsen, Canadezen en Fransen tegen de Duitsers (het huisje in Zoutelande staat er nog). Het leven zal voorlopig heel anders worden, vervelender en eentoniger; geen onafhankelijke kranten meer, alleen het nieuws, dat Duitsland goed voor ons vindt, dus zeer eenzijdig georiënteerd en tendentieus; en alles zonder luxe, alles mondjesmaat; geen vrije radioberichten meer, zodat je eigenlijk in het geheel niet meer hoeft te luisteren; en alles is gerantsoeneerd en op een heel veel lager niveau ingesteld. Er zijn ook verwoestingen in Blijdorp en aan de Schie (ook de schuilkelder van het Emmahuis, waarbij vijf oudjes zaten is gebombardeerd; eveneens het Hofplein. 4 uur. Er is weer leidingwater en ook een beetje gas. De Doelen is ook afgebrand, eveneens de Meent. En om vijf uur verscheen Hans (die Mans dus niet had getroffen); in Leiden was eigenlijk niets gebeurd. Nog zouden zijn verdwenen: Goudsesingel (Dr. Hack?, in elk geval is zijn praktijk voor het grootste gedeelte naar de maan), Slaak, Boezemsingel, omgeving Veemarkt, Hugo de Grootstraat, Warmoezenierstraat, Jonker Fransstraat, Hofplein (Loos), Pschorr, Teilingerstraat, alles met "deutsche Gründlichkeit".

16 mei 1940

Rustige nacht, alleen passeerden wat Duitse kanonnen en munitiewagens. Ook telkens een knal, waarschijnlijk doordat men muren of huizen laat springen om de brand te stuiten. Nog steeds geen post, giro of tram. Marietje (ons dienstmeisje) was heden terug van de Overkant. Daar schijnt niets te zijn beschadigd (alleen een deel van het Noordereiland). In de haven enige beschadigde schepen; alleen het trottoir van de Maasbrug is hier en daar wat gehavend. Op het Noordereiland is veel kapot en aan de Boompjes zou geen enkel heel huis meer staan (belastingkantoor!). Domhoff zou zijn afgebrand met mijn drie pakken (ik heb nu nog anderhalf pak over en een zwart colbert). Ook het kantoor van notaris Leopold, (maar de safe is in veiligheid). Gisteravond even na acht uur ging het elektrisch licht uit, maar vanmorgen brandde het weer. Ook was er gisteren geen water, maar dat is nu ook weer in orde. De Bosjeskerk is verbrand, evenals de Doopsgezinde Kerk, de Zuiderkerk, de Roomse Kerk in de Van Oldenbarneveltstraat. Van de Grote Kerk staat alleen nog de toren, die erg geblakerd is. De Blauwe Molen en die aan de Oostpoort staan er nog. Er zouden veel lijken onder het puin liggen; deze liggen ook op straat of hangen uit de ramen. Het huis van Dr. Kleipool heeft alleen waterschade, maar de hele binnenstad ligt in puin en is één ruïne. 's Middags wordt dit stuk afgezet om stelen te voorkomen; 's morgens liepen zeer velen er nog rond om tussen de verwoestingen hun vroegere huizen te zoeken; zelfs moesten ze soms zoeken naar hun straat! Allerlei zaken, kantoren, winkels zijn verdwenen en velen van deze daklozen hebben niets meer over.

Morgen krijgen we de Duitse tijd. Ook weer bons, evenals in de vorige oorlog van f 1.- en f 2.50; men mag niet meer weigeren Hollands bankpapier in betaling aan te nemen. Uit Den Haag en verdere omgeving wordt veel voedsel gebracht. 's Middags kwam mevrouw Van 't Hoff vertellen, dat ons nichtje Annie Rutgers-Palm door een bom voor haar huis in Wassenaar was gedood; anders zou ze met haar man ongeveer 1 juni naar Indië zijn vertrokken! De kazernes bij Waalsdorp zijn geheel verwoest. Dr. Hertzberger en dr. Marx en zijn vrouw hebben zich van kant gemaakt (joden). De Gemeentereiniging werkt nog steeds niet; overal verschrikkelijk veel stof en alles is vuil. Zeep zal wel zeer schaars worden. Zuidvruchten kunnen natuurlijk niet meer worden ingevoerd. En zou men nu binnenkort huis aan huis gaan nakijken, welke voorraden voedsel enz. men nog heeft en b.v. de boeken gaan nasnuffelen op "ongeschikte" lectuur"? Sedert twee dagen 's avonds een klein krantje, waarin sterk Duits getint en eenzijdig nieuws, geen familieberichten. Door de radio (natuurlijk niet de distributieradio) Frans en Engels nieuws; bij Hasselt, Leuven, Namen, Dinant schijnt heel hard te worden gevochten, waardoor de Duitsers ook troepen uit Holland laten aanrukken. En hoe zou het gaan in Zeeland en Den Helder? De Duitsers zouden de waterlinie weer droog laten lopen (daarbij zou veel verraad zijn gepleegd door sluizen open te zetten).

Sedert deze morgen is het een week geleden, dat we in de oorlog werden betrokken en we leven nu in een half afgebrande stad met dubieuze voorziening van alles. Geen post, geen giro, banken nog gesloten; wat er van onze financiën terechtkomt, is helemaal onzeker. En wat een ruïne; behalve Rotterdam schijnen er maar weinig plaatsen te hebben geleden. De brandlucht is nu grotendeels verdwenen. Maar er loopt weer een tram (waarheen en hoe ver?) en onze telefoon werkt deels weer, maar nu al een week geen post. De werklozen worden opgeroepen voor de opruiming, anders wordt hun steun ingehouden. De Duitsers krijgen er wel slag van de machine in de veroverde landen weer op gang te brengen; wij zijn al het zesde veroverde land en organiseren zit de Duitsers toch al in het bloed. Zoeven dr. Van den Borg begraven, alles zeer eenvoudig op Crooswijk, waar het een druk heen en weer rijden was. Terwijl de heer Van den Toorn (de begrafenisondernemer) bij Portielje was om over de begrafenis van dr. Van den Borg te spreken, is zijn hele zaak weggebombardeerd, zodat dit bezoek misschien zijn behoud is geweest. Mijn neef Hans is vanmorgen weer naar Leiden vertrokken en Boy wilde naar Den Dolder, maar moest dit plan opgeven daar fietsen en autorijden verboden is, gelukkig maar: het verkeer en het gedrang van nieuwsgierigen maakten dit verbod nodig. Rob van den Borg vertelde, dat in Amsterdam al minstens 200 gevallen van suïcide waren voorgekomen; hij zelf had er, als assistent in het ziekenhuis, wel 100 mensen de maag gespoeld; ook veel niet-joden, b.v. Prof. Bonger en zijn vrouw hebben zich van kant gemaakt. Prof. Noordenbos (die als anti-Duits bekendstond) is met zijn assistenten uit zijn kliniek gezet, waar nu de Duitsers werken. De radio vertelt, dat men voor één gulden anderhalve mark krijgt. De safe bij de firma R. Mees & Zonen is weer te bereiken.

Nog twee opmerkingen: De Duitse soldaten, die in ons land zijn gevallen, zijn voor een deel als kind na de wereldoorlog hier geweest om weer op krachten te komen; vandaar zeker dat ze hier zo goed de weg kennen! En ten tweede: zou er in deze dagen veel gebruik zijn gemaakt van de bloedtransfusiedienst? Ik denk het niet; men had het veel te druk met nodiger dingen, telkens verhuizen en nieuw inrichten enz. Dit moet men op zijn gemak kunnen toepassen. Evenmin zijn gasmaskers te pas gekomen. De Duitsers mogen niet worden ingespoten met bloed van Nederlanders, daar een pas ingespoten Duitser van de operatietafel opstaande, ging zingen: "Wien Neerlands bloed door de ad'ren vloeit"!

18 mei 1940.

Gisternacht even over twaalf een geweldig luchtbombardement ergens betrekkelijk dichtbij: Zeeland, België, op zee? Vanmorgen elf uur een briefkaart van mijn zuster Martha uit Winkel, waarheen ze is geëvacueerd en waar ze met Robs zit; alles wel; ze hoopt spoedig weer naar Amersfoort terug te kunnen gaan; ze is vandaag jarig. Gisteravond per giro mijn pensioen ontvangen. In de krant stond een bericht, dat Duitsland ontkende vermomde parachutisten te hebben neergelaten. Maar dit is zeker wél waar, want honderden mensen hebben het gezien; ander Duits nieuws zal dus evenmin betrouwbaar zijn. Berichten van Mientje en Tom via Mans uit Amsterdam: alles goed. Hedenavond ging de radiodistributie weer, natuurlijk alleen gekeurde berichten, zodat er geen aardigheid aan is, evenmin als aan de krant, vervelende boel. Je kunt nu evengoed niet luisteren en geen krant lezen; weg rust, gezelligheid, veiligheid. Kritiek mogen we niet meer horen of laten horen. Waar zitten nu de verraders en de gevaarlijke N.S.B.-ers? Volgens de krant zouden er driehonderd doden zijn onder de burgers in Rotterdam; het zullen er wel veel meer wezen, maar of we ooit het juiste getal zullen vernemen? We hebben nu al groentedistributie; evenals van benzine. Gelukkig ben ik niet jong meer en heb een goed leven gehad; ik zal het verder wel met de herinnering moeten doen.

19 mei 1940.

Behalve de soldaten moeten ook de werklozen meehelpen de binnenstad op te ruimen. Hoe lang zal dat opruimen duren? Eén jaar, drie jaar? Eerst worden de verkeerswegen en de trambaan vrijgemaakt. Er schijnt, niettegenstaande de afsluiting van de binnenstad, toch nog erg te worden gestolen (o.a. de safe van Both). In de parken zijn massagraven gemaakt, daar het niet mogelijk is alle doden op Crooswijk te begraven. De Duitse doden schijnen per vliegmachine naar Duitsland te worden vervoerd, evenals veel Duitse zieken uit het Zuider Ziekenhus. De vrouw van Dr. Gogarn kwam per auto met haar man uit Renkum terug: hun huis lag in de vuurlinie (de Grebbe), was erg beschoten en door de Duitsers bezet. Er was daar erg gevochten: vier Duitse divisies zouden daar in de pan zijn gehakt (40.000 man, meest Oostenrijkers). Ze had zelf de lijken op hopen zien liggen. Wageningen en Rhenen zouden geheel zijn verdwenen, behalve de Cuneratoren (dit blijkt overdreven te zijn). Zeeland heeft zich overgegeven; Middelburg zou met de grond gelijk zijn gemaakt (ook overdreven); ook zou Vlissingen zijn beschoten. Brussel en Antwerpen zijn gevallen. Wij krijgen hier Seyss-Inquart als vertegenwoordiger van de Führer (de Quisling van Oostenrijk).

20 mei 1940.

Herman geeft vanmorgen weer les in het museum Boymans. Dr. Muller kreeg bericht, dat hij vandaag inkwartiering zou krijgen van een Duits officier (maar deze is niet gekomen, daar hij plotseling naar België moest). Mr. W.A.C. van Dam (reserve-overste) schreef, dat hij het goed maakte. Eupen en Malmédy zijn weer bij Duitsland gevoegd; zou dit heel misschien er op wijzen, dat België (en dus ook Nederland) weer vrij zou worden? In de krant alleen Duits getinte berichten, maar toch geen grote overwinningsberichten; zou het de Duitsers toch nog niet helemaal voor de wind gaan? Amerika blijft neutraal, Mussolini wacht nog steeds af, maar houdt daardoor toch een groot deel van de geallieerde vloot vast. Zelfs de Duitsers zouden het vele verraad hier minderwaardig vinden; ze zouden hebben gezegd: "wir lieben den Verrat, aber wir hassen die Verräter". De N.S,B.-ers zouden dan ook niet veel kans hebben hier aan de regering te komen.

21 mei 1940.

Vannacht veel lawaai van vliegmachines, bommen en vooral van afweergeschut; ik dacht, dat Waalhaven weer werd gebombardeerd, maar vanmorgen hoorden we, dat de petroleumtanks en de Sunlight-zeepfabriek in Vlaardingen zijn gebombardeerd en dat deze tanks in brand geschoten zijn. Steeds nog veel stof overal; in al die tijd heeft het nog niet geregend. Vanmiddag vertelde wethouder Donner hoe de overgave van Rotterdam en het bombardement waren toegegaan. De Duitsers hebben toegegeven, dat het een "Fehler" van hun zijde was geweest. Onze regering, Gemeentebestuur, enz. treffen in het geheel geen schuld, zoals valse berichten willen doen geloven.

22 mei 1940.

Vannacht weer een aanval op de tanks in Vlaardingen, maar je went er aan. Als de Engelsen nu maar niet de brug over de Maas of over de Moerdijk gaan bombarderen. In Frankrijk schijnen de Duitsers de laatste twee dagen niet veel op te zijn geschoten, wel veel gescheld en kwaadsprekerij op de Engelsen en Fransen. Deze zouden wanhopig zijn en geen raad meer weten. De Engelsen zouden de Belgen bestelen en zich al weer gaan inschepen; Parijs zou worden ontruimd. Ciano sprak dreigende taal. Zouden de arme, dappere Fransen weer stand houden in dezelfde streek als in 1914? De Belgische regering zou in Frankrijk zijn. Door de radio niets.

23 mei 1940.

Alles nog even stoffig, vuil en droog. Vanmorgen een heel klein buitje, het eerste sedert de invasie in ons land. Steeds ook nog brandlucht, o.a. doordat de Statendam weer brandt. Nog steeds geen bericht of de safe van de Twentse Bank zich goed gehouden heeft. Ik weet ook niets af van mijn hypotheken en wat er van mijn effecten wordt; zouden de Duitsers de deviezen in beslag nemen of ruilen tegen half waardeloze "Staatsanleihe"? Nog steeds moet alles worden verduisterd uit vrees voor Engelse aanvallen; deze nacht is het rustig gebleven. Niets in de krant, dus schieten de Duitsers in Frankrijk niet op, want anders zouden we het zeker wel horen. Ook niets van onze regering of van de koningin. We hebben nu een meisje D. in huis, een klasgenoot van Boy, tot de overgangsexamens. Het huis van haar vader op het Noordereiland is verwoest; de kogels vlogen hun daar om de oren. Herman heeft zich erg geweerd om de Academie weer op gang te brengen, hetgeen is gelukt; nu is hij erg moe, heeft spit en gaat vroeg naar bed. Vaak ziet men aanpappen met de overweldigers; vooral het vrouwelijk geslacht. Dr. Stibbe, officier van gezondheid, was heden terug; hij was teruggeslagen van De Peel tot Oost-Capelle. Ook hij had het over het vele verraad; je kon je buurman zelfs niet vertrouwen. Onze buitenlandse handel ligt natuurlijk helemaal stil; schepen kunnen niet in onze haven binnenkomen, alles wat van overzee moet worden aangevoerd, zal dan ook wel binnenkort zijn opgebruikt: tabak, koffie, thee, cacao, graan, rijst, veevoeder, zuidvruchten. Schoenen mogen niet meer worden verkocht. Naast ons is Dr. Folpmers komen wonen, wiens huis aan de Schiedamsesingel is verbrand. De huur is door de politie vastgesteld op f 1200,- (de joodse eigenaar van dit huis was nog juist bijtijds gevlucht). Alle leegstaande huizen in de buitenwijken zijn direct bewoond door de verdreven mensen uit de binnenstad; vele kantoren geven hun nieuw zakenadres op; dit is eigenlijk het enige van belang, dat in de krant staat. Velen laten zich inenten tegen tyfus (febris typhoidea en paratyfus). Het enige dat ik er vóór vind, is dat er niet zo heel veel tegen is: alleen dat men enkele weken juist vatbaarder is. Natuurlijk moet de melk worden gekookt, sommigen koken ook het water. Vanmiddag zijn we hier allen ingeënt. Gelukkig zij alle mensen zeer hulpvaardig en meevoelend, maar voor hoelang? Onze gulden zou in het buitenland op f 0.09 staan. Amiens zou weer in Engelse handen zijn; in elk geval schijnen de Duitsers niet op te schieten, anders zouden wij het wel horen. Volgens de geallieerden zou Duitsland de oorlog op deze manier nog één maand vol kunnen houden; de Duitsers zouden beweren, dat de oorlog half augustus uit moet zijn! Nog zijn geheel verdwenen het Technisch-Scheepvaartkundig Museum (Ir. Cankrien) en het Museum van Notaris van Wijngaarden (niet zo'n heel groot verlies), beide aan het Haringvliet. Verder alle waardevolle, oude bescheiden en oude instrumenten van het Bataafs Genootschap.

24 mei 1940.

Vanmorgen met Dr. Muller meegereden langs Westerstraat, Willemsplein, Boompjes, Oosterkade, Lusthofstraat en terug langs Slaak, Goudse Rijweg, Hugo de Grootstraat, Goudsesingel, Meent, Coolsingel, Aert van Nesstraat; alles één rokende en smeulende ruïne, waarin men de straten vaak niet herkent; 't is wanhopig om aan te zien, voor een groot deel mijn praktijkbuurt; wat ben ik blij, dat ik daar niet meer behoef te komen; ik begeer het dan vooreerst niet meer te zien. In het begin, toen er nog niet zoveel muren waren omgetrokken en ook nog overal pieken in de hoogte staken, moet het nog luguberder zijn geweest dan nu. Van de St. Laurenskerk staan alleen nog maar een paar muren; de grote toren zou misschien kunnen worden hersteld. Wat hebben de moffen veel op hun geweten! Toen we over de Goudsesingel reden (het was moeilijk deze te herkennen) zagen we links de huizen van de Linker Maasoever en rechts die van de overkant van de Rotte! Van de kantoren van de 40 notarissen hier zouden er nog zes over zijn.

25 mei 1940.

Voor 14 dagen leefden we nog gelukkig en tevreden in ons landje van melk en honing; nu zijn we onze onafhankelijkheid kwijt, zonder koningin en regering, worden onze winkels leeggekocht door de moffen, kunnen we niet bij ons geld komen, moeten we 's avonds geheel verduisterd zijn, loopt het hier vol Duitse militairen, die zich hier geheel thuis voelen en blijven we in spanning verkeren. Daarbij 's nachts steeds aanvallen van de Engelsen en Duits afweergeschut; het Noordereiland zou worden ontruimd wegens vrees voor aanvallen van de Engelsen op de Maasbrug. De chauffeur vertelde ons gisteren nog, dat zijn zoon had gevochten aan de Grebbelinie; 60.000 Duitsers zouden daar zijn gevallen (Dr. Gogam vertelde van 40.000), tegen 15.000 Nederlanders. De Duitsers gebruikten krijgsgevangenen als schild, evenals bij Venlo. Gisteren was hier de heer Krijger, wiens zuster woont in de Liduinastichting. Het centrale huis van deze stichting is in Vechel, waar 200 zusters en 400 pensionaires huisden. Deze 600 mensen moesten op bevel van de Duitsers de inrichting verlaten, maar mochten er na vier dagen weer in. Toen was alles gestolen: voedsel voor een jaar, dekens, lakens, zelfs lepels, vorken en messen!

En het buitenland verneemt natuurlijk niets, evenmin als wij iets horen uit Tsjecho-Slowakije, Denemarken of Noorwegen. Vanmorgen een briefkaart terug, die ik naar Indië schreef naar Annemarie Campert wegens: "verkeer tijdelijk gestaakt". Vandaag ontvingen we een hele dunne radiobode, met o.a. Vlaams, Engels en Frans nieuws, d.w.z. alles Duits. Gisteren ontvingen we ook de Haagse Post, (de uitgever Leopold heeft zich van kant gemaakt; de Haagse Post was nooit erg deutschfreundlich, zodat hij vreesde wel spoedig door de Duitsers gevangen te worden genomen), alles zeer Duits georiënteerd. Ze kunnen en mogen natuurlijk niet anders schrijven. De niet-beroepsmilitairen worden gedemobiliseerd. Van Mientje bericht, dat ze in Amersfoort gingen wonen voor de goedkoopte; ze waren toch al niet zo dol op Utrecht.

Zondag 26 mei 1940.

Mientje's verjaardag. De restaurateur Wolff was hier; hij meende, dat ik hem een verdacht persoon vond en hem liever niet wilde zien, omdat ik niet zo erg opgewekt keek. Hij vertelde dat er in de Duitse kranten niets mocht verschijnen over de verwoesting van Rotterdam. Hij kende iemand, die naar Duitsland was geweest, een Duitser, maar die moest eerst zweren niets over Rotterdam te zullen vertellen! Wethouder Donner vertelde gisteren, dat er tot nu toe ruim 400 lijken in de binnenstad waren tevoorschijn gebracht, bijna alle onherkenbaar en niet meer te identificeren. De meeste schade is teweeg gebracht door de branden, die op het bombardement volgden. Hoewel we alleen zeer eenzijdig nieuws horen, lijkt het er toch naar, alsof het de geallieerden niet te best gaat. De Duitsers zouden op vele plaatsen aan de Kanaalkust zitten, o.a. in Boulogne. Er zou een grote Frans-Belgische legermacht zijn ingesloten zonder kans op ontsnappen. Vooral de Duitse luchtmacht zou zich erg weren (steeds, volgens de Duitsers, worden er driemaal zoveel geallieerde vliegmachines neergehaald als Duitse) en vele oorlogs-en transportschepen zouden worden getroffen. Vanmiddag voor het eerst een mals regentje, goed tegen al die stof en de boeren verlangden er ook zeer naar.

27 mei 1940.

Weer hetzelfde mooie weer met vrij veel wind. Zelden hebben we zo'n mooie meimaand gehad, maar deze is geheel bedorven door de oorlog. Vannacht even over één uur een flinke klap van een inslaande bom. Vanmorgen bleek het, dat de Engelsen een bom hadden laten vallen op het Burgemeester Meineszplein (die wel voor de brug over de Schie zal zijn bestemd geweest) en o.a. een winkel van Jamin heeft geraakt: van je vriendjes moet je het maar hebben! Daar ze de brug niet hebben geraakt (evenmin als de Maasbrug en die over de Moerdijk), kan dit gebombardeer nog wel een poosje zo doorgaan. Door de betrokken lucht waren er geen zoeklichten te zien. De jonge Van der Veen, die naar Zeeland is geweest om te proberen iets te vernemen van zijn familie en die deze allen goed heeft bevonden, vertelde, dat Middelburg voor een groot deel was platgeschoten; in Vlissingen liggen Engelse oorlogsschepen, die Vlissingen en Middelburg bombarderen, waarom daar 's nachts de mensen allemaal op zijn. De Duitsers hebben enige keren geprobeerd van uit Vlissingen de Schelde over te steken, hetgeen is mislukt en hun duizenden doden zou hebben gekost, waarom ze dit plan hebben opgegeven. Men meent in Zeeland, dat de geallieerden het zullen winnen. Breskens (Burgemeester Drost) zou in vlammen staan.

28 mei 1940. Dinsdag.

In de krant staat niets, dus gaat het de Duitsers (wij noemen hen hier de "Grieken", voor het geval we zouden worden beluisterd) niet meer zo best; zouden ze nooit gebrek krijgen aan benzine of zouden ze zoveel krijgen uit Roemenië of Rusland? Gisteravond werd verteld, dat de koningin door de Engelse radio had laten weten, dat Juliana een onvoldragen, levenloze zoon had gekregen, ook natuurlijk de schuld van de Grieken, als het tenminste waar is (maar later hoorden we dat het niet waar was). Mientje schreef, dat 10 mei 's morgens vroeg het Huis Ten Bosch omringd was door parachutisten; de koningin kon nog net vluchten naar het paleis Noordeinde, waar ook al parachutisten waren. Vanwege het Duitse gezantschap zou men haar hebben willen dwingen een papier te ondertekenen, waarbij ze afstand deed van Nederlands-Indië, hetgeen de koningin weigerde. Met geweld is ze toen door onze officieren in een geblindeerde auto gebracht, roepende: "o mijn volk, mijn volk". Terwijl er steeds op haar werd geschoten, vertrok ze naar Zeeland; op het schip werd ook geschoten; daar ze niet meer naar Zeeland kon komen, moest ze toen wel naar Engeland oversteken. De radio uit Engeland en Frankrijk wordt door de Duitsers zo goed als onverstaanbaar gemaakt. Vanmorgen twee dikke onderbroeken gekocht voor de winter. Gek, dat we niets horen van Bartha en Sebald. Vandaag heeft koning Leopold gecapituleerd met zijn leger, tegen de eenstemmige wil van zijn ministerie.

29 mei 1940.

Im Westen nichts Neues.

30 mei 1940.

Seyss-Inquart heeft in de Ridderzaal bij het aanvaarden van het ambt van Rijkscommissaris een rede gehouden. "De Duitse weermacht moest ons land in bescherming nemen" om te verhinderen, dat het met miskenning van alle beginselen der neutraliteit (!) tot basis werd gemaakt van een stoot naar het hart van het Duitse industriegebied door de geallieerden"! Bravo! En deze plechtigheid werd besloten met een driemaal Sieg heil, het zingen van een Duitsland über Alles en het Horst Wessellied; intreurig. De koningin of onze regering worden niet genoemd. Zo nu en dan horen we nog ontploffingen veroorzaakt door het opruimen van niet-ontplofte Duitse bommen. Gisteren met lijn 16 naar de Oudendijk gereden; de afsluiting van de tramwagen bleef gesloten van de Witte de Withstraat tot de Veemarkt. Overal is men druk bezig met het opruimen. Hoeveel lijken er onder het puin tevoorschijn komen is niet bekend (meestal zijn ze geheel verkoold); men hoort 20.000 tot 13.000; volgens wethouder Donner zijn het er ruim 400. Dit getal is zeker veel te laag, maar misschien moeten de autoriteiten dit getal zo laag mogelijk opgeven.

31 mei 1940.

Al een week lang heten grote legerafdelingen, Belgische, Franse en Engelse (400.000 man?), ingesloten te zijn tussen Calais, Boulogne, Lille, Valenciennes en Amiens. Na de overgave van België zou hun positie zeer precair zijn geworden. Maar het duurt toch wel lang, dat dit leger zich overgeeft, hoewel zijn toestand niet erg gunstig zal wezen. De laatste twee dagen zouden er wel 60 geallieerde oorlogs- en transportschepen tot zinken zijn gebracht. Naar onze distributie-radio is niet te luisteren; deze scheldt verschrikkelijk op de Engelsen en Fransen; deze zouden gevangenen mishandelen en doodschieten, steden en inwoners plunderen, er unfaire methodes op na houden, open Duitse steden bombarderen! (Vergelijk Warschau, Rotterdam, Middelburg, Rhenen! enz.) En dat zeggen dezelfde heren, die ons onschuldige neutrale landje onder de voet liepen en Rotterdam voor een groot deel verwoestten zonder enige noodzaak of militair nut, alleen om de bevolking te terroriseren, gelijk Tsjecho-Slowakije, Polen, Noorwegen, enz.

Aan de hulpmiddelen van Duitsland schijnt nog geen einde te komen, trouwens nu halen de Duitsers Denemarken, Noorwegen, Luxemburg, Nederland en België weer leeg. De Duitse soldaten zien er goed gevoed en gekleed uit en benzine schijnen ze ook nog meer dan genoeg te hebben. Zo juist, als proef, f 100,- gehaald van de Bijbank der Twentse Bank; dit ging zeer gemakkelijk. Men vertelde mij, dat men reeds bij de safe op de Blaak was geweest en dat alles intact was. Dit is tenminste één troost, maar of de Duitsers niet alles zullen inwisselen tegen Staatsanleihe? Vanmorgen voor drie weken waren we nog vrij, onafhankelijk, tevreden, enz. en nu is alles onzeker. 1 uur: Zojuist even geluisterd naar de Nederlandse radio-uitzending uit Parijs. Vooral wordt het "verraad" van koning Leopold hoog opgenomen; vele Belgen zouden nog doorvechten. Vele Duitse gewonden zouden oostwaarts worden vervoerd, vooral naar Wenen, waardoor het volk daar ontevreden zou worden. De geallieerden zouden in het Kanaal de meerderheid hebben boven de Duitsers, wat betreft de macht ter zee en in de lucht; er zouden veel meer Duitse vliegtuigen worden neergeschoten dan geallieerde (net precies andersom dan de Duitse berichten vertellen). Narvik zou nu geheel in handen zijn der geallieerden. De laatste nachten is het rustig, geen bommen of afweergeschut. Men zegt, dat onze regering, via het Amerikaanse consulaat, de Engelsen heeft verzocht niet meer bruggen enz. hier te vernielen. Het laatste geval van bommenwerpen was op het entrepot bij de Rosestraat, waar de Engelsen een grote benzinetank in brand bomden, maar waarbij ook een paar huizen in puin vielen en enige mensen omkwamen. Wel overdag steeds ontploffingen van tot ontploffing gebrachte bommen of van muren, die omvergehaald worden en waarbij soms nieuw ingezette ruiten breken; vandaag zijn de muren van het Grote Ziekenhuis naar beneden gehaald.

1 juni 1940. Zaterdag.

Vannacht weer bombardementen, veel vliegmachines in de lucht, veel afweergeschut; het schijnt weer gericht te zijn geweest op de Rosestraat. De afspraak, waarover ik het gisteren had, om Rotterdam niet meer te zullen bombarderen, was dus niet waar: B. en W. hebben er wel over gesproken, maar ze konden niets besluiten buiten de Duitse bevelhebber om; maar als deze er ook op aandrong, dan zouden de Engelsen zeer waarschijnlijk denken, dat dit in het voordeel der Duitsers zou zijn en juist bombarderen, waarom deze stap achterwege is gebleven. Er is in Rotterdam 286 H.A. verwoest, alleen de bebouwde oppervlakte, zonder de straten; er ligt ongeveer 2 miljoen kubieke meter puin, 24.000 woningen met gemiddeld 4 personen per woning, zijn verdwenen. Donner had het plan voor wederopbouw gezien, hetgeen hem over het algemeen nogal mooi leek. Het centrum zou een city worden met ongeveer 10.000 woningen (in plaats van de verwoeste 24.000), zodat dus velen naar de buitenwijken zouden moeten verhuizen; grote verkeerswegen, o.a. Oost-West en Noord-Zuid. Het Maasstation zou voorgoed verdwijnen en er zou een boulevard komen langs de Maas; de Blaak en het West-Nieuwland zouden worden gedempt; de Oude Binnenweg even breed worden als de Nieuwe Binnenweg, waardoor nog enige van de gespaard zijnde huizen moeten worden opgeofferd; een brede weg van het begin van de Aert van Nesstraat naar de West-Kruiskade, eveneens van het West-Nieuwland door de oude vervallen stadsdriehoek naar de Goudsesingel; 't Hofplein en de Schie zouden worden veranderd; het Oostplein zou worden vergroot en van de Nieuwe Plantage zou er een brede weg komen schuin naar de Oudedijk; ook zou de Rotte worden veranderd. Boompjes, Nieuwe Haven, Haringvliet en Leuvehaven zouden weer worden opgebouwd. Vele problemen zijn door het bombardement en de brand opgelost (b.v. wat men zou moeten doen met de Oude Beurs), maar vele nieuwe zijn er voor in de plaats gekomen. Een groot bezwaar bij de opbouw zal wel zijn het gebrek aan materiaal, vooral ook, daar onze scheepvaart geheel is stilgelegd. Zo langzamerhand beginnen we al meer de komende moeilijkheden te merken; distributie van suiker, koffie, thee, textielgoederen. In het Tijdschrift voor Geneeskunst ziet men, dat 25 medici alles hebben verloren; verder alle tandartsen en apothekers; tevens zijn hier verbrand de Gemeenteapotheek en die in het ziekenhuis aan de Coolsingel, ook de bibliotheek in het ziekenhuis; verder twee oogziekenhuizen. Drie Joodse medici pleegden zelfmoord. Verder zijn minstens 5 poliklinieken, 16 kerken en het Leeskabinet verdwenen.

2 juni 1940.

Van landgenoten uit Arnhem en Maastricht hoort men, dat er op vele plaatsen in Duitsland brand wordt gezien: Düsseldorf, Duisburg, Bonn, het Ruhrgebied, Hamburg, Bremen, door Engelse en Franse bombardementen om de bevoorrading van het Duitse leger in Frankrijk te bemoeilijken en misschien ook als represaille. Berlijn, Parijs, Londen zouden tot nu toe worden ontzien, uit angst voor weerwraak. Velen zouden uit Bremen en Hamburg zijn geëvacueerd naar Groningen en Friesland, omdat de Duitsers het niet aandurfden hen oostwaarts te zenden; daarom zouden ook vele gewonden van het westfront naar Oostenrijk worden vervoerd, om de Duitsers niet te verontrusten. Maar in Wenen zou daardoor grote ontevredenheid ontstaan. Of dit alles waar is?

Dat het de geallieerden erg goed gaat geloof ik niet; evenmin geloof ik voorlopig, dat Engeland zich gemakkelijk zal gewonnen geven, zelfs al mochten daar wat parachutisten landen en al mochten er enkele Duitse schepen in slagen een legertje in Engeland te laten landen en al kost het de geallieerden ook wat oorlogs- en transportschepen en duikboten. En Amerika verleent alleen maar "geestelijke" hulp. Hoewel er eerst veel grotere verliescijfers werden genoemd van onze soldaten, heet het nu, dat er 2500 zouden zijn gesneuveld en tien maal zoveel Duitsers. Deze verhouding lijkt wel wat geflatteerd. Ons leger schijnt kranig te hebben gevochten, hoewel enkele officieren zouden zijn weggelopen, zogenaamd om instructies in Den Haag te halen, maar het was niet zo goed en modern uitgerust als het Duitse, dat zich ook al in Spanje, Polen, Noorwegen, enz. had geoefend. Ons afweergeschut was best, maar er was veel te weinig. Vooral de mariniers hebben zich goed geweerd. En dan het verraad allerwege, waardoor veel soldaten werden vastgehouden. Zo zag men b.v. hier in de Mathenesserlaan Nederlandse soldaten met het geweer op onze daken gericht, vanwaar op hen was geschoten; deze soldaten hadden anders beter werk kunnen doen. Nu staat er wel in de krant, dat het Eerste Kamerlid Mr. Van Vessem (N.S.B.) een onderhoud heeft gehad met generaal Winkelman en generaal-majoor Van Voorst tot Voorst, waarbij Winkelman zou hebben verklaard, dat hij geen enkel bewijs van verraad van de N.S.B. had, maar dit onderhoud is verdraaid. Generaal Winkelman heeft hiertegen in de krant willen protesteren, maar dit stuk mocht niet worden opgenomen. Ondertussen schijnt het toch wel dat de Duitse regering de N.S.B.-ers niet erg ter wille is.

Er staat niets interessants in de krant en alles is eenzijdig en verdraaid; de N.R.C. schrijft zelfs al over "onze vijanden" als deze het heeft over de Engelsen en de Fransen. Het lijkt wel minderwaardig, maar ze kunnen en mogen misschien niet anders, maar de N.R.C. is toch het ergste van allemaal en de hoofdredacteur Mr. Huyts deugt helemaal niet. Wanneer bij de N.R.C. de hoofdredacteur eenmaal is benoemd, dan hebben de commissarissen niets meer over hem te vertellen, alleen kunnen ze hem wel ontslaan, verder is hij geheel onafhankelijk. Dit heeft veel voor, maar nu blijkt toch ook de schaduwzijde hiervan. Men noemt de N.R.C. nu "die Huyts'sche Zeitung".

3 juni 1940.

Vanavond een advertentie in de N.R.C., dat de kluizen van de Twentse Bank ongeschonden zijn; dat is tenminste één troost. Ik moet van mei nog enige dividenden bijgeschreven krijgen, maar wat zijn mijn papiertjes waard en zijn ze verkoopbaar? En is de open bewaarneming ook safe? Het heet, dat in Amerika de gulden op f 0, 06 staat genoteerd! Nu moet ik nog het nieuwe adres weten van mijn tandarts Willemse, maar hoe zal ik daar kunnen komen nu je geen taxi kunt krijgen? En van mijn kleermaker Domhoff hoor ik ook nog niets. Onze logee beweerde zo-even, dat ze dacht, dat over een maand de oorlog wel uit zou zijn, d.w.z. dat de Duitsers het dan zouden hebben gewonnen: de wens is vaak de vader van de gedachte!

4 juni 1940.

Vannacht tussen 12 en 1 zijn ze weer flink bezig geweest in de lucht, ik denk nog erger dan op 10 mei. Engelse vliegtuigen (men zegt, dat ze op weg waren naar Duitsland, volgens anderen lieten ze bommen vallen op Waalhaven enz.) werden beschoten met afweergeschut en vanuit vliegmachines; vaak zag men meer dan 10 zoeklichten tegelijk bij een prachtige sterrenhemel. Granaatsplinters (waarmee sommigen nu in hun zak lopen) hoorde en zag men gloeiend op de straat neervallen. Maar in de krant leest men er natuurlijk niets over; elders moet het lijken, alsof het hier alles pais en vree is. Ook in Den Haag moet het zeer onrustig zijn geweest door de vele Engelse vliegtuigen, die over ons land vlogen om Duitsland te bestoken.

5 juni 1940.

Gisteren is Duinkerken gevallen. Het grootste deel van het Engelse (en Franse en Belgische?) leger is op grote en kleine transport- en oorlogsschepen naar Engeland overgestoken, waarbij verscheidene schepen, vooral door Duitse vliegmachines, tot zinken zijn gebracht. Er zouden 40.000 gevangenen zijn gemaakt. Dit deel van het oorlogsterrein met de Kanaalhavens is dus nu in Duitse handen. En nu zou er al weer een nieuwe veldslag aan de gang zijn van de kust tot Soissons. Het heet, dat de Duitse bevoorrading erg zou zijn bemoeilijkt door geallieerde bombardementen in het Rijnland, waar veel branden zouden woeden. De Duitsers zeggen dat de geallieerden ook vele niet-militaire objecten bombarderen, hetgeen ze zelf nooit doen, maar wanneer wij het Duitse ultimatum niet hadden aangenomen dan stonden er in Osnabrück 250 bommenwerpers klaar: 100 voor Amsterdam en 50 voor Utrecht, Den Haag en Rotterdam elk!

Waren dit militaire doelen? "Was dem Reiche nützt ist Recht"). Laat men dan eens in Rotterdam komen kijken, een onverdedigde stad, waarvan het gehele centrum is verwoest, met vier ziekenhuizen (Coolsingel, Raampoortstraat en de beide oogziekenhuizen aan het Haringvliet en in de Nadorststraat), 20 kerken, enz. En Middelburg dan enz.? Zou Zwitserland nu aan de beurt komen? Dit landje schijnt daar nogal veilig te liggen, maar volgens Duitse kranten zouden Zwitserse vliegtuigen zijn neergeschoten, die boven Frans gebied op Duitse vliegtuigen zouden hebben geschoten. Erg waarschijnlijk lijkt dit niet, het lijkt meer op een Duits voorwendsel voor een eventuele aanval op Zwitserland; de gewone Duitse truc.

6 juni 1940.

Niet veel nieuws. Verandering in het Franse ministerie, o.a. Daladier afgetreden. Groot Duits offensief aan de Somme, de Fransen houden tot nu toe stand.

9 juni 1940.

't Is nu bijna een maand geleden, dat ons land, geheel buiten zijn schuld, door Duitsland werd aangevallen en zich na vierenhalve dag moest overgeven. Er schijnt in het gehele land veel verraad te zijn geweest van de N.S.B.-ers en hier te lande vertoevende Duitsers; ook schijnen Nederlandse officieren hun posten te hebben verlaten. Beide heel treurig en om je te generen, maar ook zonder dit zouden we het niet lang tegen zo'n machtige tegenstander hebben kunnen uithouden, die buitendien al een groot deel van ons land had verwoest en dreigde de rest ook met de grond gelijk te zullen maken; dit geheel zonder direct militaire noodzaak, maar alleen om ons te terroriseren en murw te maken (9/10 van de gehele schade in ons land betreft Rotterdam.) Daar dus verdere tegenstand geen enkel nut had en de toestand van ons volk alleen maar erger kon maken, moesten we ons wel overgeven. We hadden 10 mei nog wel hulp gevraagd aan Engeland en Frankrijk, maar deze konden in zo'n korte tijd niet veel anders doen dan vliegtuigen sturen en wat troepen naar Zeeland. Hoe alles precies is gegaan, zullen we alleen vernemen, wanneer de oorlog is afgelopen en dan nog alleen wanneer Duitsland het niet te glansrijk wint. Evenzo is het geval met de gedwongen vlucht van onze regering en van de koningin. Wat we nu in de kranten lezen, is zo eenzijdig en verdraaid, dat het helemaal geen waarde heeft. Het is vaak walglijk te lezen, wat er b.v. staat in de N.R.C. of Haagse Post. Natuurlijk zijn ze niet meer vrij om te schrijven wat ze willen, maar zo kruiperig en soumis als ze nu schrijven is treurig. Al hun eigenwaarde is verdwenen; als het niet was om de familieberichten en om de nieuwe adressen, dan zou men het krantenlezen gerust kunnen afschaffen. Zo'n krant is natuurlijk voor een deel een financiële zaak en als ze zich niet aanpaste, dan zou ze spoedig moeten opdoeken, waardoor vele families brodeloos zouden worden, maar er zijn toch grenzen. En steeds is het maar het mooiste weer, dat je je denken kunt. Nu alle cafés in de binnenstad zijn verwoest, hebben de enkele overgeblevene in de buitenwijken een zeer voordelige tijd; jammer voor hen, dat geen sterke drank mag worden getapt en dat ze reeds om 10 uur moeten sluiten. Van onze toekomst is niets te zeggen, evenmin als van die van Indië, hangt alles af van de afloop van de oorlog. Tot nu toe schijnen de Duitsers te trachten ons zo weinig mogelijk te hinderen; waarom zouden ze zich ook haasten, nu ze elders zo hard bezig zijn en we ons toch niet kunnen verzetten of ons land verlaten? Het is trouwens hun eigen belang, dat het hier rustig blijft en dat alles zoveel mogelijk geregeld loopt. Maar mochten de Duitsers het winnen, dan zal het wel gauw veranderen. De burgers in Duitsland hebben het niet best, waarom zou men het in een overwonnen land beter hebben?

Van vele dingen is er distributie en de volgende week krijgen we oorlogsbrood. Nu er niets meer van overzee binnenkomt, zullen we wel van alles mondjesmaat krijgen, ook doordat Duitsland hier alles weghaalt en wegkoopt voor zo goed als waardeloze Deutsche Scheine. Dit zal wel inflatie geven en wat hebben we dan nog aan onze papieren? Daar alles wel veel duurder en slechter zal worden, schijnt het het beste te zijn om nu nog alle goederen te kopen, die men nog kan krijgen en die men toch op den duur nodig heeft. De safes zijn weer toegankelijk, maar goud en deviezen mag men er niet uithalen (goud heb ik ook niet). Benzine is er weinig meer, zodat er geen taxi's meer rijden. Hoe moet het straks met het opruimen van de ruim 2 miljoen kubieke meter puin in de binnenstad? Met paard en kruiwagen schiet het niet erg op. De schatting is nu, dat dit opruimen 5 tot 6 maanden zal duren, maar als er geen benzine meer wordt verstrekt voor de vrachtauto's dan zal het heel wat langer duren. Buitendien zou er over een half jaar al gebrek zijn aan veevoeder. Het beste vervoermiddel is de fiets; vele medici, die nu ook al haast geen benzine meer krijgen, hebben de fiets weer voor de dag moeten halen. Het puin wordt gebracht in de Schie, die toch gedempt zou worden ("vroeger lag de Schie in Rotterdam, nu ligt Rotterdam in de Schie"), in de Konings- en Waalhaven, die te diep waren geworden, achter het Gymnasium, enz. Schoon is de toekomst dus niet en het meest zitten natuurlijk de joden in angst en vooral diegenen onder hen, die hier de laatste jaren uit Duitsland waren gekomen, vaak nog met een deel van hun geld. Het land uit kunnen ze niet meer; men hoort dan ook nog steeds van zelfmoorden, soms van hele families. In het Tijdschrift v. Geneeskunst van gisteren werden opgegeven als overleden door zelfmoord en gewelddadige dood alleen in Amsterdam in één week meer dan 180 gevallen meer dan normaal.

Wat de afloop van de oorlog betreft, ziet het er ook niet mooi uit. Hitler heeft het oerinstinct van het Duitse volk goed begrepen; soldaatje spelen, gehoorzamen, de slavennatuur zit hen in het bloed en hiermee heeft Hitler de enorme Duitse legermachine gemaakt, waartegen niets bestand schijnt te zijn en tegen wier "blitzschnelle" aanvallen tot nu toe alles moest wijken. Hoewel! De laatste dagen schijnen de Duitsers aan de Somme weinig op te schieten; in plaats van de prachtige Duitse overwinningsberichten hoort men nu alleen maar schelden op Engeland, maar ook op Frankrijk, onze koningin, prins Bernhard, enz. Ook schijnen de geallieerden heel wat schade in het Rijnland en Hamburg te veroorzaken, waardoor de bevoorrading van het Duitse leger wordt bemoeilijkt en men in Duitsland ook eens aan den lijve iets van de oorlog bemerkt. De Nederlandse (40.000?) krijgsgevangenen zouden al sinds enige dagen via Oldenzaal en Zevenaar in ons land terugkomen, maar dit wordt steeds uitgesteld, waarschijnlijk ook wegens verkeersmoeilijkheden en de behoeften van het Duitse leger gaan natuurlijk voor. 't Is haast niet te begrijpen, maar 't is helaas een feit, dat er in ons land nog zovelen zijn, die nog half pro-Duits, anti-Engels of anti onze vroegere en tegenwoordige regering zijn. Het zijn meest ontevredenen, niets presterende kankeraars, onevenwichtige asocialen, de beste stuurlui aan de wal, met half of heel N.S.B.-mentaliteit, die alles beter zouden hebben gedaan; right or wrong my country bestaat bij hen niet. Velen van hen zeggen nu al: "Wacht maar, je zult Rotterdam eens zien over 25 jaar; dan is het veel groter, veel voorspoediger, veel rijker". Misschien is hier iets waars in , maar ze vergeten, dat ze dan slaaf zijn onder de plak van Hitler of zijn opvolgers; ik begeer het in ieder geval niet te zien.

Wij hebben de Duitsers in ieder geval helemaal niet nodig; we konden best tegen hen op; wij konden best met de Duitsers concurreren, Wel waren hier vrij veel Duitsers, wat met dat grote achterland ook wel niet anders kon, maar alle grote zaken en maatschappijen waren in Nederlandse handen. Ook speelden, tenminste in Rotterdam, de joden geen grote rol; alleen enkele zaken waren in joodse handen, maar niet de handel of het bankwezen, zoals in Duitsland het geval was. In ons gezegende land wonen veel verdreven Hugenoten en Portugese joden; steeds was het hier een toevluchtsoord voor vervolgden; zelfs de Duitse keizer woont al meer dan 20 jaar hier (en onze familie komt ook uit Aken).

10 juni 1940.

Slechte dag. De Noren hebben de strijd gestaakt en Narvik is in Duitse handen; de koning en de regering blijven in het buitenland. En Italië heeft tegen morgen vroeg de oorlog verklaard aan Engeland en Frankrijk; één maand na de overval van Duitsland op Nederland. Gisteren zijn enige duizenden Nederlandse krijgsgevangenen in ons land teruggekomen uit de buurt van Berlijn, Stettin en van de Oder; de zoon van onze burgemeester is nog steeds niet terecht.

11 juni 1940.

Het schijnt, dat Italië de geallieerden nu voldoende verzwakt vindt om met een goede kans op succes zich ook in de strijd te begeven, niettegenstaande de niet bepaald pro-Duitse gezindheid van het Italiaanse volk, maar ook om hierdoor later ook recht te hebben op een deel van de buit: Tunis, Malta, Corsica, Nice, Suez, Djiboeti. Alléén hebben de Italianen nog nooit gewonnen (alleen de Negus in Abessynië, dank zij hun vliegmachines, bommen en gifgassen konden ze overwinnen); misschien hebben ze nu een kans, hoewel enthousiasme alleen niet voldoende is. Maar hun vliegmachines, duikboten en oorlogsschepen schijnen wel up to date te zijn. Amerika is woedend over het meedoen van Italië en zal de geallieerden nu helpen door nog meer leveranties van alle mogelijke oorlogsmateriaal. Wegens verbranding van Amicitia, Doelen en de bezetting van de Sociëteit De Maas, genieten deze verenigingen nu gastvrijheid op de Kralingse Sociëteit. De cafés mogen weer alcohol schenken en tot 10 uur openblijven. Juliana en haar beide kinderen zouden zich bevinden in Quebec; dat ze bevallen zou zijn van een dode zoon, zal wel niet waar zijn.

14 juni 1940.

Gisteren en vandaag regen. Vandaag is het daarbij kil, maar deze regen was zeer gewenst. Sedert enige dagen geen nachtelijke bomaanvallen. Verder weinig nieuws, alleen schijnen de geallieerden langzaam terug te trekken. Van heldenfeiten van Italië horen we nog niet veel, alleen bomaanvallen op Tunis. De Abessyniërs zouden enthousiast voor Italië vechten! Parijs zou zich hebben overgegeven en de Duitsers zouden er binnentrekken! Later ook Havre. Volgens Japanse berichten zouden 2000 Engelse soldaten in Oost-Java zijn geland; dit wordt tegengesproken door Nederlands Indië en door Engeland. Ook zouden wij een Japanse vissersboot, die in verboden water viste, hebben beschoten! Dit is waarschijnlijk om een voorwendsel te hebben, om ons van niet-neutraliteit te beschuldigen en ons aan te vallen. Trouwens Japanse vissersboten in ons Indië werden steeds, en terecht, vervolgd. Er gaan ook allerlei verhalen over de slechte behandeling van Nederlandse krijgsgevangenen in Duitsland. De Fransen en vooral de Engelsen zouden het nog erger te verduren hebben en 't ergst zouden de Senegalezen er aan toe zijn. De hakenkruisvlag waait van de Eifeltoren! Vandaag is weer de eerste trein van Dordrecht over de Maasbruggen en over de viaduct gereden.

15 juni 1940.

De Duitsers zijn gisteren Parijs binnengetrokken en hebben wachten geplaatst bij het graf van de onbekende soldaat, bij dat van Napoleon en in Versailles. Verder horen we niets meer, daar de Parijse radio nu ook Duits is. Door de regen van eergisteren en gisteren zijn vele branden geblust, maar nog steeds hier en daar rook en smeulen, vooral in de tabakspakhuizen; alleen in Rotterdam is voor 18 miljoen gulden aan tabak verbrand (Van Beek, Koch & Co). Spanje heeft geheel Tanger bezet en de Sowjet-troepen Lithauen. Volgende week 2000 gram oorlogsbrood per persoon, voor hardwerkenden meer. Er zullen noodwinkels in de binnenstad worden aanbesteed. Aan de puinopruimers wordt f 100.000,- per dag uitbetaald (waarvan de steun, die anders verleend werd, moet worden afgetrokken). Een achterneef van Dr. Moerman heeft in een bioscoop in Duitsland opnamen gezien van de brand en de ruïnes van Rotterdam: het onderschrift luidde: "Gevolg van het bombardement van de Engelsen op Rotterdam"! Je moet maar durven!

17 juni 1940.

Gisteren nam Rusland Lithauen, vandaag aanvaardden Letland en Estland de Sowjet-eisen, natuurlijk noodgedwongen. In Frankrijk is Reynaud afgetreden en met hem de Franse regering. De 84-jarige Pétain is nu minister-president. Bij Saarbrücken zijn de Duitsers door de Maginot-linie gebroken; Besançon is ingenomen. Het terugtrekkende Franse leger is in ontbinding en Frankrijk wil de wapens neerleggen. Hitler en Mussolini zullen nu over de toestand overleggen. Italië heeft nog net op tijd aan de oorlog deelgenomen en zal nu wel al zijn eisen ingewilligd krijgen, haast zonder te vechten. En nu zal Duitsland zeker tegen Engeland optrekken, maar zou dat ook zo gemakkelijk gaan? We beleven wel grote tijden, maar sombere! En Churchill verklaart dat Engeland zal doorvechten.

18 juni 1940.

Hitler en Mussolini zouden heden in München tot overeenstemming zijn gekomen en zijn weer uiteengegaan. In Frankrijk, waar de regering de wapens neerlegde, wordt nog gevochten, maar het leger moet telkens terugtrekken, gevangenen en legervoorraden achterlatende. De continentale oorlog is nu wel afgelopen en nu komt Engeland aan de beurt. Het heet, dat het nu spoedig met de Britse heerschappij ter zee zal zijn afgelopen, (niettegenstaande de materiële hulp van het grotendeels Angelsaksische Amerika), ook door de machtige Italiaanse vloot, die Engeland, dat zichzelf niet kan voeden, zal gaan blokkeren (maar eerst moet de vloot Gibraltar passeren!).

20 juni 1940.

Franse gevolmachtigden zijn in een witgeverfde vliegmachine vertrokken om zich met de Duitse in verbinding te stellen om over de overgave te praten; Frankrijk moet zich op genade of ongenade overgeven. Weer zal er een hoofdstuk uit "Mein Kampf" bewaarheid worden: "Frankrijk, de erfvijand van Duitsland moet voorgoed onschadelijk worden gemaakt!" Ondertussen halen anderen ook een deel van de buit binnen: Frankrijk moet beloven aan de Chinezen geen voorraden meer te zullen sturen, hetgeen door Japanse ambtenaren zal worden gecontroleerd. En de Franse concessie in Tientsin zal worden opgeheven. Het Franse leger is gedesorganiseerd en trekt overal terug; Verdun, Straatsburg, Brest, Cherbourg, Orleans zijn in Duitse handen. Al minstens 40.000 Franse soldaten zijn over de Zwitserse grens gevlucht en daar ontwapend en dit geheel neemt nog steeds toe. De kinderen van de koning van België zijn, via Spanje, naar Lissabon vertrokken. En onze prins Bernhard? De Russen hebben ondertussen de Baltische staten geheel ingepalmd en versterken zich daar (de daar wonende Duitsers waren na de val van Danzig al naar Duitsland gevlucht). Rusland vist nu ook in troebel water en Duitsland kan er niets tegen doen. En nu Engeland! Over en weer bombarderen Duitsland en Engeland elkaar. Hier worden daarvoor de vliegvelden in Eelde, Schiphol, Soesterberg en Waalhaven uitgebreid. En 's nachts komen meestal Engelsen over ons land deze vliegvelden bombarderen of ze zijn onderweg naar Duitsland.

21 juni 1940.

Dat Engeland zich gemakkelijk zal overgeven geloof ik niet; er kan daar niet zoveel verraad zijn als hier is gebleken het geval te zijn (al wordt dit nu ook van officiële kant ontkend, ook door de Haagse Post en door het fictieve interview met generaal Winkelman), verder kunnen daar nooit zo verschrikkelijk veel parachutisten landen en een groot leger per schip over te brengen, wanneer men er op is voorbereid, lijkt ook haast onmogelijk. Zo langzamerhand is Engeland beter gereed; steeds komen ook van overzee Canadezen, Australiërs en Nieuw-Zeelanders aan, vooral de eerste met vliegmachines en voorraden. En zou Duitsland maar steeds zo door kunnen gaan? Is zijn mensenmateriaal, benzine, enz. onuitputtelijk? En zou Amerika maar steeds lijdelijk toezien? De vroegere Belgische regering schijnt in Lissabon te zitten. Van onze koningin of onze regering horen we niets. Japan schijnt van de machteloosheid van Europa te willen profiteren door Indo-China en Siam te bezetten en misschien zelfs ons Indië. (Dat Amerika klaar zou zijn, duurt minstens tot het eind van '41 en in die tijd kan er veel gebeuren). En Rusland heeft de vroegere Baltische staten weer geheel ingepikt; het zou er al een miljoen soldaten hebben en een flinke vloot in de Oostzee. En hier nog steeds aanvallen van Engelse vliegers op Waalhaven, Schiphol en misschien elders (want weten doen we haast niets).

22 juni 1940.

Nadat eergisteren Bordeaux enige keren was gebombardeerd, heeft de Franse regering de stad verlaten, waardoor Bordeaux een open stad werd. Gisteren zijn Franse onderhandelaars met de Duitse in Compiègne samengekomen om de Duitse wapenstilstandsvoorwaarden in ontvangst te nemen. Mals zullen deze wel niet zijn; Duitsland zoekt wraak. Nadat deze voorwaarden waren ontvangen stelden de afgevaardigden zich met Pétain en zijn regering in verbinding; we zullen dus wel spoedig hierover vernemen. Verder niet veel nieuws. Roosevelt heeft zijn kabinet in een coalitiekabinet veranderd en vraagt grote kredieten aan voor de aanmaak van wapenen en oorlogsschepen en voor de uitbreiding en oefening van het leger. Meevechten zal Amerika wel niet meer, maar misschien zal het nog een woordje meespreken bij de vredesvoorwaarden en misschien ook Japan verhinderen ons Indië op te slokken. Rusland nam de Baltische staten geheel in bezit "om ze voor het oorlogsgevaar te behoeden en hun onafhankelijkheid te bewaren"!; ondertussen wordt daar alles communistisch. Wij horen, dat er grote rivaliteit heerst tussen de Duitse civiele machthebbers, die elkaar tegenspreken en ieder op eigen houtje de baas willen spelen. Seyss-Inquart heeft gisteren Rotterdam bezocht en van de toren van het stadhuis de ruïnes aanschouwd, die door de Duitsers hier geheel onnodig zijn veroorzaakt. Hij had het ook over het ultimatum van drie uur aan Rotterdam gesteld; dit is een leugen, want het ultimatum sprak van twee uur. Zes-en-een-kwart wijdde verder zijn aandacht aan de positie van Nederland in de loop der gebeurtenissen en herhaalde de verzekering dat "Nederland door de gang der gebeurtenissen niet werd gegrepen om duurzaam schade te lijden of beperkt te worden in de krachten van zijn volksaard en in de vrijheid van zijn handelen"! Wij zullen afwachten, maar veel geef ik voor deze verzekering niet.

Vorige week was hier het colporteren met kranten verboden, "om herrie te voorkomen"; de procureur-generaal stelde zich hierover in verbinding, waardoor dit verbod werd opgeheven, maar men mocht niet colporteren in uniform en geen provocaties verwekken (N.S.B.), wat toch gebeurde. En een leraar van het neutrale lyceum (Van Daalen) verscheen op school met zijn zoon met een N.S.B.-vlag op hun fiets; dit zal wel geen goede invloed hebben op de toeloop naar dat lyceum (en dat een leraar, die niet eens orde kan houden!). Er was een commissie ingesteld van vooraanstaande mannen om de toestand te lenigen, onder voorzitterschap van Burgemeester de Vlugt uit Amsterdam. De N.S.B.-ers Rost van Tonningen en Woudenberg vonden, dat ze ook zitting moesten hebben in de commissie en togen naar de Duitse bevelhebber, die hun verzoek inwilligde. Daarop heeft de commissie bij monde van Burgemeester de Vlugt, het ontslag van de gehele commissie aangeboden. Deze commissie is nu weer ontbonden en er is een nieuwe ingesteld, waarin alleen de Commissarissen der Koningin zitting hielden. Om deze reden werd de nationale inzameling twee keer uitgesteld!

27 juni 1940.

Eden heeft gezegd, dat Engeland thans een voldoende hoeveelheid kanonnen, vliegtuigen en afweergeschut heeft en niet alleen meer defensief, maar ook agressief op Duits grondgebied zou optreden van af Noorwegen tot de Zwitserse grens; vannacht werden dan ook niet alleen Nederlandse vliegvelden bestookt, maar ook verschillende delen van Rotterdam, Haarlem en Den Helder; buitendien het Ruhrgebied en plaatsen aan de Rijn. Onze Waterweg is afgesloten, waarschijnlijk in verband met werkzaamheden voor de aanval op Engeland. Rusland zond een ultimatum aan Roemenië om Bessarabië af te staan, eveneens een deel van de Boekowina en van de Dobroedsja met Constanza! Vandaag weer de eerste raadsvergadering in Rotterdam, waarin Burgemeester Oud (wiens zoon nog niet terecht is) de gevallen burgers en soldaten herdacht, dankte voor de hulp aan onze stad verleend en waarin hij iedereen aanzette om mee te werken aan de wederopbouw en het herstel. Velen hebben (meest pro-Duits of anti-Engels) weinig vertrouwen in het uithoudingsvermogen van Engeland nog een geheim wapen: zeer zware bommen, gas, schepen om troepen te landen enz.? Velen geloven ook aan een inval in Engeland, via Ierland. Deze mensen denken (en hopen), dat de oorlog in september zal zijn geëindigd. Ik hoop het niet; wanneer de oorlog zo spoedig uit zou zijn, dan zou dit alleen kunnen, doordat Engeland dan op zijn knieën zou liggen, hetgeen ik niet hoop; maar dat Duitsland over twee maanden uitgeput zou zijn, geloof ik ook niet.

5 juli 1940.

De Standaard is voor 8 weken verboden wegens een stuk van Colijn, waarin geprotesteerd werd tegen de inhoud van het Duitse Witboek als zouden wij niet neutraal zijn geweest en afspraken hadden met de geallieerden; ook Winkelman heeft hiertegen geprotesteerd. Dit is dus het derde protest van Generaal Winkelman: 1. Dat interview als zoude W. hebben gezegd, dat hem niets bekend was over het verraad van de Duitsers en N.S.B.-ers, 2. over het ultimatum, en 3. en nu over het Witboek: Brief aan Burgemeester en leden van de Raad van Rotterdam van 27 juni 1940 over het Duits ultimatum: Onderwerp: Rede van de Rijkscommissaris Dr. Seyss-Inquart: Ter gelegenheid van zijn bezoek aan Rotterdam heeft de Rijkscommissaris, Dr. Seyss-Inquart een rede gehouden, waarin hij, blijkens de in de pers verschenen verslagen o.m. heeft medegedeeld, dat de vernietiging van een deel van Rotterdam aan onze eigen schuld zou zijn te wijten. De Rijkscommissaris voegde er aan toe, dat dit niet bedoeld was als een verwijt aan de Nederlandse bevelhebbers, omdat ten gevolge van de afwezigheid van de leiding de besluitvaardigheid van deze leiders zou zijn geremd. Deze voorstelling van zaken is in strijd met de feiten, zoals deze zich in werkelijkheid hebben voorgedaan, zodat ik mij genoodzaakt heb gezien bij Dr. Seyss-Inquart een protest tegen zijn rede in te dienen. Daarbij heb ik deze autoriteit meegedeeld, dat het feit, dat de regering zich, terecht, in veiligheid had gesteld, van geen nadelige invloed op de Nederlandse bevelhebbers is geweest en dat mij van minder besluitvaardigheid van de bevelhebbers te Rotterdam niets is gebleken. Voorts heb ik gezegd, dat het niet onze schuld is geweest, dat Rotterdam werd gebombardeerd. Daar het u ongetwijfeld belang zal inboezemen, hoe de ware toedracht in deze is geweest, geef ik u hieronder de bijzonderheden, waarmede ik mijn protest heb gestaafd.

Op 14 mei te 10.30 uur ontving de commandant in Rotterdam, Kolonel Scharroo, een schriftelijk stuk, behelzende een ultimatum om de verdediging onmiddellijk te staken, daar anders de scherpste maatregelen tegen de stad zouden worden genomen. De tijdsduur van dit ultimatum bedroeg 2 uur. Het antwoord moest dus uiterlijk om 12.30 uur zijn ingekomen. Daar de brief niet was ondertekend en dus de mogelijkheid van mystificatie niet uitgesloten was, heb ik per omgaande schriftelijk doen weten, dat een dergelijk voorstel alleen dan in overweging kon worden genomen, indien het behoorlijk gewaarmerkt was en door een bevoegde commandant zou zijn ondertekend. Dit antwoord was om 12.15 uur, dus een kwartier voor het verstrijken van de termijn te bestemder plaats, Noordereiland nabij Koningsbrug aangekomen. De Nederlandse kapitein Bakker heeft daar echter met een Duitse overste, Von Choltitz, tot 12.30 uur moeten wachten op aankomst van Duitse generaal. Te 13.20 uur is aan kapitein Bakker een nieuw, thans behoorlijk ondertekend ultimatum, met een geldigheidsduur van 3 uren, overhandigd. Hiermede is genoemde kapitein in gezelschap van 2 Duitse officieren naar de Nederlandse commandant teruggekeerd. Intussen was om 13 uur 22, bij de nadering van een Duits vliegtuigeskader, op last van de Duitse luitenant-generaal Schmidt, een rode seinpatroon afgeschoten (volgens Duitse verklaring als teken, dat het Duitse bombardement niet moest worden uitgevoerd) en om 13.25 uur werd dit bij het zuidelijk bruggenhoofd van de Willemsbrug, in opdracht van een der beide Duitsers, die kapitein Bakker vergezelden, herhaald. Desniettegenstaande is het bombardement om 13.30 uur toch begonnen. Uit het bovenstaande blijkt, dat indien de Duitsers het voornemen hebben gehad, het bombardement niet te doen doorgaan, de hunnerzijds daartoe getroffen regeling gefaald heeft en dat de aan Rotterdam toegebrachte schade in geen geval is te wijten aan minder besluitvaardigheid van Nederlandse zijde. Daar het mij niet mogelijk is deze weerlegging door de pers bekend te maken, heb ik gemeend langs deze schriftelijke weg de Nederlandse weermacht te moeten bevrijden van de ten onrechte op haar geworpen blaam, dat zij de oorzaak van Rotterdams noodlot zou zijn geweest.

De Generaal, Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht,

H.G. Winkelman.

Het was dus een "Fehler" van de Duitsers, hetgeen deze zelf hebben toegegeven.

Nu nog even over het Duitse Witboek, als zou Nederland niet neutraal zijn geweest en zich met de geallieerden zou hebben verbonden (door een stuk hierover van Colijn zou de Standaard 8 weken worden verboden): De Nederlandse regering heeft geschreven aan hare gezanten in België, Engeland en Frankrijk, onder verzegeld envelop, het volgende, met de bijvoeging, dat de brief niet mocht worden opengemaakt, dan nadat ons land door Duitsland mocht zijn aangevallen. En dan volgt, hoe de geallieerden ons zouden kunnen helpen. De "Strasbourg" en andere Franse schepen zouden uit Oran naar Toulon zijn ontsnapt. Jammer, dat bij dit zeegevecht Fransen zijn omgekomen, maar verder kan ik de Engelsen geen ongelijk geven. De Duitsers hadden wel beloofd die schepen niet tegen Engeland te gebruiken, maar ze hebben al zo vaak hun woord gebroken. En het bevel van de Franse regering had ook weinig waarde, daar deze regering alles moet goedvinden, wat Duitsland decreteert. Generaal Winkelman zou op de verjaardag van Prins Bernhard hebben geroepen: Leve Oranje, hetgeen de Duitsers hem ook kwalijk nemen. Wat blijft er over van de belofte van zes -en -een kwart, dat de bezettende macht ons geen politieke en andere overtuigingen zou opdringen, maar dat wij ons zelf mochten blijven? Ondertussen worden vooraanstaande mannen met karakter afgezet en machteloos gemaakt.

6 juli 1940.

Velen verlaten de stad wegens de onrust, angst, gevaar, (waardoor slecht slapen), de herhaalde bomaanvallen en het onophoudelijk gevlieg en geronk van vliegmachines. Het luisteren naar buitenlandse radiostations is heden verboden ("om de Nederlandse bevolking te beschermen tegen onjuiste berichten"!). Verder kunnen vermogens van hen, die een streven tegen Duitsland bevorderen of bevorderd hebben, geheel of gedeeltelijk worden verbeurd verklaard. Het wordt hier steeds meer unheimisch en onzekerder. 't Is toch wel gek, dat de Duitsers steeds hun wandaden rechtvaardigen door te verwijzen naar documenten, die eerst ná hun inval in verschillende landen worden gevonden en die dan in hun witboeken worden verwerkt. Zo ook nu weer over onze quasi niet neutraliteit, waarvoor documenten dienst doen, die de Duitsers nog niet kenden, toen ze tot de aanval overgingen, maar die eerst later zouden zijn gevonden en daarna oneerlijk werden uitgelegd!

10 juli 1940.

Heden is het al twee maanden sedert wij in de oorlog werden betrokken. Steeds prachtig weer; soms een onweersbui, maar de volgende dag is het weer even mooi weer. Vanmorgen in de krant: De Hema in Dordt had zijn vrouwelijk personeel gewaarschuwd om "uit te gaan" met Duitse soldaten; de directeur kreeg daarvoor 3 jaar gevangenisstraf! De aanval op Engeland komt nog steeds niet los; wel schijnt in alle havens van ons land, België en Frankrijk alles daarvoor in gereedheid te worden gebracht, natuurlijk ook in Noorwegen, Denemarken en Duitsland. De eenzijdige kranten- en radioberichten hebben het steeds over "Das Englische Lügenbüro, die Juden und Churchill", terwijl de Duitse berichten alleen "Tatsachen" vermelden. Alle bombardementen en duikbootaanvallen hebben steeds 100 procent succes, terwijl de andere kant alleen niet-militaire doelen beschadigt! We zijn al geheel ingeleefd in de hegemonie-aspiraties van de spil.

11 juli 1940.

Het heet, dat er in de oorlogsdagen 3000 soldaten in ons land zijn gesneuveld. Hermann Goering zou het kasteel Nijenrode hebben gekocht; het lijkt er dus niet naar, dat hij er aan denkt spoedig ons land weer te verlaten.

2 augustus 1940.

Communisten en revolutionair- socialisten mogen niet meer aan de werkzaamheden van de gemeenteraden deelnemen; ze mogen geen vergaderingen meer bijwonen, krijgen de stukken niet meer thuisgestuurd en ontvangen geen presentiegeld meer. Vandaag prachtig weer met helder blauwe lucht, waarschijnlijk waardoor veel vertier in de lucht; het heet dat Schiphol, Iepenburg, Soesterberg en Waalhaven flink zijn gebombardeerd; zo nu en dan horen wij al weer afweergeschut.

25 augustus 1940.

De Engelsen beweren, dat ze voor enige dagen het duizendste vliegtuig hebben neergeschoten; ook zouden ze vele aanvallen doen op West-Duitsland, waarom de bevolking daar 's nachts vele uren in schuilkelders doorbrengt, wat op den duur ook geen pretje, maar zenuwslopend is. De laatste dagen lopen er allerlei geruchten: er zou in Duitsland iets broeien; een hoge autoriteit zou zijn gestorven; iemand, die hier met verlof uit Duitsland is, zou hebben gezegd, dat hij waarschijnlijk overmorgen (27 augustus) niet meer naar Duitsland terug zou kunnen gaan; hier en daar zouden Duitse vlaggen halfstok waaien; men spreekt van een nationale ramp (fabriek van gifgas ontploft? Hess gedood?). Zouden wij onze zelfstandigheid terug krijgen en zou de overweldiger ons land weer verlaten? Voorlopig lijkt het er nog niet veel op. De Duitsers bemoeien zich met alles en doen alsof ze hier altijd zullen blijven. Alleen in Rotterdam zijn 7000 Duitse soldaten, in Hillegersberg 2000 van de marine; verder vele in Schiedam, Hoek van Holland enz., maar opgewekt zien ze er niet uit, steeds ernstig en somber; ze gedragen zich over het algemeen correct (in Amersfoort zouden ze vaak dronken zijn).

Beide partijen liegen, maar het schijnt toch, dat de Duitsers het meest opsnijden. Bij de Engelse aanvallen op West-Duitsland bombarderen deze steeds "nicht-kriegswichtige Objekte", terwijl de Duitsers in Engeland alleen munitiefabrieken, havencomplexen, oorlogsschepen, vliegbases, spoorwegknooppunten, enz. vernielen of in brand steken. Zo stond b.v. gisteren in de krant, dat de Engelsen bij een bomaanval op de Schulpweg 10 mensen hadden gedood en enige in aanbouw zijnde huizen hadden vernield; volgens ooggetuigen echter gold de aanval het vliegveld Waalhaven en de in aanbouw zijnde huizen waren barakken voor de Duitsers! Een gerucht zegt, dat in november Amerika mee zou gaan doen, maar wij vrezen, dat Amerika nog lang niet klaar is. Wel lijkt de kans groot, dat er binnenkort, b.v. binnen veertien dagen, iets zal gebeuren, b.v. de aanval met schepen op Engeland, hoewel velen, b.v. zeelui, dit zo goed als onmogelijk toelijkt. We lezen in de krant, dat de Engelsen bomaanvallen hebben gedaan op Amsterdam en Brussel, maar er stond niet bij, dat het in beide gevallen militaire doelen gold, die beide deels slaagden. Dadelijk na het bombardement op Rotterdam in 't geheel geen "kriegswichtiges Objekt" hebben velen kleren en beddengoed afgestaan voor hen, die alles hadden verloren. Een vriendin van Dr. Moerman zond nog een zeer goede mantel; daar het haar moeite kostte van deze mantel te scheiden, deed ze in de mantelzak een briefje, met het verzoek haar te willen berichten, wie die mantel had gekregen; ze kreeg een briefkaart uit Duitsland! Ook wordt verteld, dat van het geld, dat voor deze daklozen in het hele land was bijeengebracht, twee-vijfde naar Duitsland is verhuisd! Het puinruimen gaat nu veel sneller; sedert men betaald wordt naar de verrichte arbeid (per akkoord) doen de arbeiders 50 procent meer werk! In het Gymnasium zitten nu ook Duitse militairen, zodat deze school de volgende week niet kan beginnen; de Duitsers zeggen, dat de bezetting niet van lange duur zal zijn!

6 november 1940.

Roosevelt is herkozen door ongeveer 55 % van de kiezers. Hij, evenals zijn tegenkandidaat Willkie, is voor zoveel mogelijk materiële hulp aan Engeland, zonder zelf in de oorlog te worden betrokken; beiden zijn tegen de agressie van de spil en vóór de democratie. Dit is de eerste keer, dat een president voor de derde keer is gekozen. Churchill heeft gisteren in het Lagerhuis weer gesproken en gezegd, dat de oorlog nog wel erg lang kon duren en dat er met de aanmaak van schepen en oorlogsmateriaal met nog jaren wordt rekening gehouden. Wij zullen dan nog heel wat moeten doormaken.

Vanavond een lang stuk in de krant over de Wederopbouw. Hier zouden 1400 beschadigde vaartuigen zijn geregistreerd, waarvan vele zijn gezonken, en die de kanalen en de rivieren onbevaarbaar maakten. De meeste van deze schepen zijn gelicht en gerepareerd, waarvoor al 10 miljoen gulden is uitgegeven. In Rotterdam moest 2 tot 3 miljoen kubieke meter puin worden opgeruimd en duizenden tonnen metaal. In de Schie, die toch zou worden gedempt, kon 150.000 kubieke meter puin worden geborgen; de rest gaat naar de Kralingse Plas, de Blaak, de Kolk, Schiedamsesingel, Overschie; verder dient het nog voor haven- en dijkwerken; andere bergplaatsen zullen straks het materiaal leveren voor de wegen in het nieuwe Rotterdam. Eerst werden 30.000 mensen tewerkgesteld, later is dit aantal ingekrompen. 5000 zullen er overblijven voor het wegruimen van funderingen en de aanleg van nieuwe wegen volgens het plan Witteveen. Half november hoopt men met het puinruimen zowat klaar te zijn, waardoor dan 12 miljoen gulden zal zijn uitgegeven. Einde van dit jaar zou de wederopbouw dan kunnen beginnen! Beneden de f 10.000.- zal de schade geheel worden vergoed; voor grotere schadeposten is nog geen regeling getroffen. In onze stad zijn 25.000 woningen verloren gegaan en in plaats van deze zullen er niet meer dan 10.000 weer verrijzen. Voorlopig zullen hier 8000 noodwoningen worden gebouwd; ook ten zuiden van de rivier.

Sedert heden mag in Rotterdam na 5 uur geen sterke drank meer worden geschonken. Dit zou zijn, omdat de Duitse soldaten 's avonds vaak dronken zijn. Maar waarom dan alleen in Rotterdam en waarom juist nu, nu er hier maar zo weinig Duitsers meer zijn? Het Café Tivoli, waar op de ramen stond aangeplakt, dat daar geen Joden meer mochten komen op bevel van de Kommandantur heeft die papieren weer mogen verwijderen. Er kwam bijna niemand meer, hetgeen de Duitsers zelf onaangenaam vonden en de schade werd voor de gérant te groot. Maar of het er nu dadelijk weer vol zal lopen?

8 november 1940.

De beurs, vooral in Amerika, vliegt naar boven. 11 november zal Roosevelt een speech houden; zijn tegenstander Willkie, zal waarschijnlijk ook in de regering komen; ook hij zal de komende week zijn kiezers toespreken. Sedert het begin van onze oorlog is hier de bankbiljettencirculatie toegenomen met 400 miljoen gulden. De commissaris-generaal voor financiën en economische zaken, Dr. Hans Fischböck, heeft ons heden verteld, dat er van inflatie geen sprake kan zijn.

Voor enkele dagen lazen wij in onze kranten, dat hier allerlei geruchten gingen, als zouden de Duitsers Haarlem, Spangen, enz. hebben gebombardeerd en daarvan de Engelsen de schuld geven om ons tegen Engeland op te zetten. Er zijn echter zovelen, die het hebben gezien, dat dit wel vast staat. "Es ist nicht wahr" hebben de Duitsers al zo vaak gezegd, terwijl later bleek, dat het toch waar was. Eergisteren hebben de Engelsen barakken bij het Wilhelmina-ziekenhuis in Amsterdam weer gebombardeerd, waarbij 176 Duitsers zouden zijn gedood. De Duitsers spreken er schande van, daar in het ziekenhuis, waarop een groot rood kruis is aangebracht, alleen maar zieke Duitse soldaten waren. Dit blijkt, aldus de doctoren en verpleegsters aldaar, gelogen te zijn. Er was in het ziekenhuis een diner van niet-zieke Duitse vliegeniers met hun dames, die allen zijn gedood; bij de doden waren ook twee kelners van Dicker en Thijs. Die Duitse tegenspraken zijn dus geheel waardeloos. 8 november heeft Hitler weer eens gesproken; hierbij was tegenwoordig o.a. Rudolph Hess, die dus niet zou zijn omgekomen bij de catastrofe van ongeveer 2 maanden geleden. Hitler noemde zichzelf "de hardste man, die er in eeuwen heeft bestaan"! De laatste dagen horen we niets van de krijgsverrichtingen in Griekenland, hetgeen er dus op wijst, dat de Italianen daar niet opschieten. 10 november 1940.

't Is vandaag een half jaar geleden, dat wij werden overvallen:

  1. Ons onschuldig landje werd onder een onwaar voorwendsel de oorlog verklaard en na enkele dagen bezet.

  2. Vele doden en gewonden.

  3. Veel huizen en steden deels of geheel verwoest.

  4. Juliana en haar kinderen, de koningin en prins Bernhard uitgeweken; de koningin onderweg beschoten.

  5. Ook onze regering uitgeweken naar Engeland.

  6. Ons Koninklijk Huis en de regering mogen in de bladen niet meer worden genoemd; koninklijke verjaardagen mogen op geen enkele wijze meer worden gevierd en de portretten van prins Bernhard moeten uit alle openbare gebouwen worden verwijderd.

  7. Onze beide Kamers en de Raad van State mogen niet meer vergaderen; communistische raadsleden mogen op geen enkele wijze meer deelnemen aan de werkzaamheden van de Raad.

  8. De Duitsers zeggen, dat ze onze vrijheid en cultuur zullen ontzien, maar vele vooraanstaande mannen en professoren werden ontslagen of in concentratiekampen ondergebracht, naar het heet, deels als represaille voor de (door het oorlogsrecht toegestane) gevangenneming van Duitsers in Nederlands-Indië; deze heren worden dan vaak vervangen door derde klas N.S.B.-ers, verraders of meelopers.

  9. Deze gevangennemingen geschieden ook om onze intellectuele instellingen te duperen, waardoor de Duitsers onze cultuur willen nekken en onze opbouw tegenwerken.

  10. Eveneens hierom zijn onze Rotary en de Vrijmetselarij opgeheven.

  11. Radio en kranten eenzijdig, onbetrouwbaar, leugenachtig en propagandistisch. Het luisteren naar de Engelse radio is verboden.

  12. Joden, of zij, die met een Jood getrouwd zijn, mogen niet meer in een regerings- of onderwijsinrichting worden benoemd of bevorderd; evenmin in kerkelijke of filantropische instellingen. In sommige cafés worden Joden niet meer toegestaan.

  13. 's Avonds en 's nachts vaak aanvallen van Engelse of Duitse vliegmachines en schieten van het afweergeschut, enz., waardoor vele huizen worden getroffen, met veel doden en gewonden en veel mensen zenuwachtig worden.

  14. Met zonsondergang moet alles zijn verduisterd (zeer luguber en gevaarlijk). Na half 9 rijden er geen trams meer; in het westen des lands mogen alleen "Reichsdeutsche" zich na 10 uur op straat bevinden (dit is later veranderd tot 12 uur voor het gehele land).

  15. Alle anti-Duitse boeken moeten uit de schoolbibliotheken worden verwijderd en mogen niet meer worden verkocht of uitgeleend (Thomas Mann, de Zweigs, Werfel, Van Blankenstein, Den Doolaard).

  16. Allerlei distributies met bonnen; ons land voor een groot deel door onze "bevrijders" leeggekocht en leeggeroofd, waardoor velen niet genoeg te eten krijgen en alles duurder is (als het nog is te krijgen). Extra briefport, verhoogde omzetbelasting, straks hogere belastingen. Kolen zeer schaars, waardoor de mensen haast niet durven te stoken; zeer weinig benzine. Thee, koffie, brood, boter, kaas, eieren, vlees, leerwerk, textiel, zeep, alles op de bon, terwijl we vroeger van onze overvloed veel boter, kaas en eieren uitvoerden!

  17. Vele onderwijsinstellingen zijn door de Duitsers bezet, waardoor het onderwijs lijdt. Ook veel inkwartieringen.

  18. We betalen per maand 150 miljoen voor het onderhoud van het Duitse leger; vroeger onze weermacht 45 miljoen.

  19. Vóór de oorlog was 5 procent van het rollend materieel van onze spoorwegen buiten onze landsgrenzen, nu vier-vijfde en van onze auto's zeven-achtste.

  20. We hebben onze buitenlandse effecten moeten opgeven en onze gouden munten moeten inleveren.

  21. Overal veel verraad: ten eerste in het leger, naar het schijnt vooral in de hoogste rangen van ons beroepsleger, ten tweede van de N.S.B.-ers, ten derde van hier te lande gastvrijheid genietende Duitsers en ten vierde in alle mogelijke gezelschappen. (Op verjaarspartijtjes, op scholen, in wachtkamers van poliklinieken enz. ). Eigenlijk kun je niemand tegenwoordig meer vertrouwen.

Hoe lang nog en waar gaan we heen? Alles is onzeker, onveilig, ongezellig, gevaarlijk en vervelend. En zouden we nog eens weer helemaal vrij worden? Ik ben er vaak bang voor van niet.

26 maart 1943.

De bedankbrief van de Nederlandse artsen als lid van de Artsenkamer (6200 van de bijna 7000 artsen hebben deze brief geschreven) wordt overal geapprecieerd en verwekte veel meeleven en hilariteit, vooral ook bij de patiënten. Enige medici zijn hier in Rotterdam naar het Duitse politiebureau aan de Heemraadssingel (Grüne Polizei) gevoerd, waar zij zijn ondervraagd over het medisch contact, maar veel wijzer zijn de Duitsers hierdoor niet geworden. Toen zijn 's nachts de naambordjes van de medici, die het woord "arts" hadden overplakt, weggenomen, naar later bleek door de Jeugdstorm onder toezicht der Nederlandse S.S. (Daarom kon de politie dit niet verhinderen.) Maar deze bordjes zijn de volgende dag vanwege de politie teruggebracht met de boodschap erbij, dat eventuele onkosten (sommige bordjes hadden door het ruwe afnemen geleden) voor rekening der gemeente waren! Deze eerste slag hadden dus de medici gewonnen.

Eerst hadden de N.S.B.-ers de leukoplast, die over het woord arts was geplakt, er weer afgehaald, waarop de medicus weer een nieuwe pleister aanbracht. Dr. Völckers beklaagde zich over de twee vierkante meter leukoplast, die toch al zo schaars is, die hiermee was verknoeid. De Rotterdamse N.S.B.-medici (ongeveer 12) en de niet-betrouwbare, die niet in het medisch contact zijn begrepen, hebben ook hun bordjes veranderd, om niet de kans te lopen bij hun collega's en bij het publiek in het oog te lopen, (maar deze heren zijn toch wel bekend). We wachten nu op de volgende aanval, maar het schijnt wel, dat de Duitsers niet achter de Artsenkamer staan.

Op onze soos, de Doelen, is tijdelijk geen borrel meer te krijgen en dat terwijl er per week 640.000 liter naar Duitsland zou gaan (anderen zeggen, dat dit overdreven is). Door een in Den Haag in consult geroepen medicus uit Rotterdam, is daar een geval van vlektyfus geconstateerd bij iemand , die van het Oostfront terugkwam. Van Genechten, de "Minister van Justitie", is krankzinnig en opgenomen in "Rijngeest". Wegens de hevige bombardementen zijn behalve Lorient nu ook St. Nazaire en La Rochelle ontruimd door de burgerbevolking.

1 april 1943.

De Engelsen hebben weer verschillende bombardementen uitgevoerd hier in de buurt en gisteren was het heel erg. Eerst luchtalarm met veel afweergeschut en daarna hoorden we enige bommen inslaan. In het westen was een grote vuurgloed te zien met reusachtige rookwolken, die door de stevige westenwind naar deze kant waaiden met veel stof, verbrand papier, veren enz. In de buurt van de Schiedamseweg en het Marconiplein zijn veel huizen weggebombardeerd en in brand geraakt, waarbij de felle wind meehielp. Natuurlijk veel slachtoffers en evenals 14 mei 1940 reden weer de Rode-Kruisauto's heen en weer en zagen we velen met verbonden gezichten, verhuiswagens en karren met meubilair, enz. Het treinverkeer was geheel in de war, naar Schiedam rijden in het geheel geen trams; we hebben geen gas en de waterleidingdruk is zeer gering. Natuurlijk vinden de Duitsers dit weer een mooie gelegenheid om op de Engelsen te schelden, maar ook de Rotterdammers zien het nut van deze bombardementen op onze woonwijken niet in, waardoor de sympathie voor hen lijdt. Bij Wilton werd al enige dagen niet meer gewerkt; de werklieden zijn nerveus en de kluts kwijt door de vele bomaanvallen en doordat ze enige keren per dag in de schuilkelders moeten. De aanval schijnt gericht te zijn geweest op de Fordfabrieken, die maar weinig zijn beschadigd.

2 april 1943.

Het schijnt, dat de raid van gisteren, waarbij 20 bommen op huizencomplexen neerkwamen, geschied is door Amerikanen, die nog onverschilliger schijnen te zijn dan de Engelsen. Tot heden zijn er 180 doden en 400 gewonden; twee schuilkelders zouden door voltreffers te zijn getroffen. Op de Mathenesserlaan is nog brandlucht. (Gisteravond nog een rode gloed); de trams rijden nog niet naar Schiedam en we hebben nog geen gas. In de haven zouden de Droogdok Maatschappij en verschillende schepen zijn getroffen. De Engelse radio zegt nu wel dat de Docks of Rotterdam flink gebombardeerd zijn, maar deze vertelt er niet bij, dat de burgerbevolking het gelag heeft moeten betalen. Het weer in maart was over het geheel mooi en zacht, alleen de laatste dagen woei er een scherpe wind.

3 april 1943.

Zo juist heeft mijn neef, Ir. Jan Rutgers, die verbonden is aan de Diwero, mij per auto iets laten zien van het eergisteren gebombardeerde stadsdeel. Er zijn ongeveer 1000 huizen vernield (3700 woningen), ongeveer een zesde deel van het bij de aanval der Duitsers op 14 mei 1940 verwoeste stadsdeel. Het was een verschrikkelijk gezicht, die ingestorte huizen, weggeslagen gevels, overal puin, ramen ontbraken, hier en daar rookte het nog; vele mensen waren nog aan het bergen van hun meubels. Wanneer men die verwoesting aanziet, dan is het haast niet te geloven, dat er niet meer dan 180 doden zouden zijn. De Duitsers beweren, dat de aanval zeer nauwkeurig was berekend (o.a. op de Fordfabrieken), maar dat de bommen te ver zijn terechtgekomen door de sterke wind, die vlak bij de aarde veel sterker was dan hoog in de lucht.

De Nederlandse artsen kregen gisteren van de waarnemend Secretaris-Generaal van het departement van Sociale Zaken een schrijven, waarin hun werd gezegd vanaf 1 april hun naambordje weer in de vorige staat terug te brengen, daar de verklaring der medici een schijnvertoning was en beschouwd moest worden als een bewuste verstoring van het openbare leven. De artsen hebben daarom hun bordje weer aangebracht. Is nu de medische actie vergeefs geweest? De Artsenkamer schijnt te zullen worden veranderd; hoe het staat met Dr. Croin weten wij niet.

Het gevangenkamp in Ommen, waarheen vooral zwarte handelaars waren gebracht en waar men beestachtig werd mishandeld, is eindelijk in opspraak gekomen. 25 februari 1943 heeft het Hof te Leeuwarden recht gesproken in appel tussen de Officier van Justitie en D. v. d. M.; deze werd wegens misdrijf veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf. De rechter zei erbij, dat voor zijn misdrijf een langere straftijd was aangewezen, maar hij kon het niet met zijn geweten overeenbrengen de straf tot een langere tijd te verlengen dan de 9 maanden, die hij al preventief had gezeten, daar, in strijd met de wettelijke voorschriften en met de bedoelingen van de wetgever en de rechter, die 9 maanden waren doorgebracht in een gevangenkamp in Ommen op zo'n strafverzwarende wijze als door de rechter onmogelijk had kunnen worden voorzien of zelfs als mogelijk verondersteld. Daarop zijn twintig rechters uit het gehele land naar Ommen geweest en daar door de Duitsers ontvangen, die de heren wel rond zouden leiden. De heren voelden er echter meer voor zich in kleine groepjes te verdelen en zelf overal op onderzoek te gaan en de mensen te verhoren. Het schijnt beestachtig te zijn, zoals men daar werd mishandeld, vooral door de Nederlandse N.S.B.-ers; velen waren ziek en tot op het geraamte vermagerd. De rechters huiverden ervoor nog iemand te veroordelen, daar de veroordeelden dikwijls naar Ommen werden gestuurd, hetgeen niet de bedoeling was.

Sedert 14 dagen hebben we geen dienstmeisje; deze was lui, slordig en vergeetachtig en ze stal te veel (zelfs bonnen!); alleen kookte ze graag en goed; een nieuwe schijnt niet te krijgen te zijn. Vanavond hadden we weer gas (nog niet overal in de stad). Lijn 8 gaat weer naar Schiedam, maar over de Mathenesserweg, daar de Schiedamseweg nog niet begaanbaar is. De oud-ministers Rutgers en Van Dijk, het oud-kamerlid Schouten, Ringers (de man van de Wederopbouw in Rotterdam, Sandberg (directeur van een bank in Amsterdam) en een directeur van de Staatsmijnen, zijn gevangen genomen; ze zouden samen hebben beraadslaagd over wat er hier zou moeten gebeuren, wanneer de Duitsers weggaan; o.a. bij Schouten zouden vele belangrijke papieren in beslag zijn genomen.

5 april 1943.

Het aantal doden bij de luchtaanval op 31 maart is al gestegen tot 227 en er komen er nog steeds bij. Ik heb langs het Marconiplein getramd; 't is een verschrikkelijk gezicht, die ruïne; overal was men bezig met de ontruiming, terwijl vele, niet zo erg gehavende woonhuizen weer hersteld en schoongemaakt werden. Gisteren is er weer een flinke aanval geweest op de werf van Wilton, waarbij twee droogdokken (o.a. het hele grote) zijn gezonken. Vroeger zouden we dit een ramp hebben gevonden, nu moeten we er ons over verheugen, evenals b.v. over de aanval op de Philipsfabrieken. Bij Wilton wordt nu weer gewerkt; de machinehal is verwoest, evenals vele kabels en de werklieden zijn helemaal overstuur; vier van de vijf dokken zijn daar nu vernield.

Verder niet veel nieuws. "Im Osten nichts Neues". Ook in Tunis schieten de geallieerden heel weinig op. Ons land zou één vesting zijn! Elk punt is van uit meerdere plaatsen te bestrijken met kanonnen en machinegeweren, zodat een invasie (men spreekt over parachutisten) zo goed als onmogelijk zou zijn. Na de overweldiging van Tunis zou Italië aan de beurt komen en daarna, via Turkije, Bulgarije en Roemenië (waardoor al deze landen van de as af zouden vallen).

20 april 1944.

Er zijn veel gijzelaars vrijgelaten: uit Rotterdam o.a. Dr. Schrijver (rector van het lyceum), Mr. J. Leopold Jr., oud-wethouder Ratté, Mr. Oskam, Leraar Kloppert; deze zaten al twee jaar onschuldig vast in Vught! Maar er zijn verscheidene politieke gijzelaars (oud-ministers en kamer-leden) naar Duitsland vervoerd (Dachau). Velen verwachten de volgende week de invasie.

Hier en in de omgeving, vooral in Rotterdam-Zuid, Schiedam (waar heel veel huizen in beslag zijn genomen, o.a. van Ir. Beukers en van Lechner), Vlaardingen en Maassluis zijn heel veel Duitse soldaten bij gekomen; volgens sommigen zijn dit troepen, die komen van het Russische front om hier uit te rusten of om, wanneer de invasie eens mocht gelukken, hier nog zoveel mogelijk te vernietigen (elektrische centrales, gasfabrieken, waterleidingen, tunnels, dijken doorsteken enz.). Of zou alles alleen "zenuwoorlog" zijn? Maar deze kan toch niet te lang duren.

De geallieerden hebben de laatste tijd ergens druk uitgeoefend op de neutralen, vooral op Turkije en Zweden, om niet meer naar Duitsland te exporteren. Turkije heeft nu de gehele uitvoer van chroom stopgezet (de geallieerden kregen toch al niet veel chroom uit Turkije!)

21 april 1944.

Ter gelegenheid van de vijfenvijftigste jaardag van Hitler heeft zes-en-een-kwart gisteren een rede gehouden. Hij wenst "vrijheid voor de Europese volkeren in verantwoordelijkheid voor Europa. In het nationaalsocialistisch Europa zal volkse vrijheid bestaan; geen onafhankelijkheid, maar gelijk-gerechtigheid (maar Duitsland, dat het meeste heeft gepresteerd, krijgt daarom ook de voornaamste positie!) Duitsland strijdt voor Europa, maar het wil Europa niet beheersen (wacht maar tot Duitsland het gewonnen zou hebben, dan zouden we wel anders merken: dan zouden we niets meer te vertellen hebben, maar van Berlijn uit door Duitse ambtenaren en N.S.B.-ers worden geregeerd en economisch zouden we geheel van Duitsland afhankelijk zijn.) Het hoogtepunt van de strijd en de beslissing naderen!" Voor zijn doen was het een goede rede, maar het is het zoet gefluit van de vogelaar en hij zal er niet veel mensen mee ompraten.

28 april 1944.

De grote weg Rotterdam-Den Haag is door de inundatie verzakt en deels onbruikbaar geworden. Hierdoor is ook de elektrische kabel, die beide steden verbindt, onbruikbaar geworden, zodat Rotterdam geen stroom meer kan leveren aan Den Haag. Ook de spoorwegdijk Rotterdam-Dordt kalft al af en wordt nog slechts met grote voorzichtigheid bereden! Vanaf 27 april mag geen enkel neutraal schip Engeland verlaten of er aankomen, zodat het nu geheel van de niet-bevriende wereld is afgesloten. We schijnen nu toch wel op het hoogtepunt van de spanning te zijn gekomen. Er wordt beweerd, dat bij een invasie ergens in het westen, hier 30.000 of 40.000 mannen zouden worden gevangen genomen, die leiding zouden kunnen geven (ingenieurs, meesters in de rechten, medici, enz.).

Hollandia op Nieuw-Guinea is door de Amerikanen en Hollanders op vloot en vliegtuigen heroverd! Dit is de eerste plaats in Indië, waar de Nederlandse vlag weer waait; direct zijn hier Nederlandse regeringsambtenaren heen gestuurd. In Zeeland zijn alle mannen en vrouwen aan het werk gezet: ze moeten alle bomen (ook de vruchtbomen) een eind van de grond afzagen en ook de stam in stukken zagen; deze stukken worden als palen in de grond gestoken en met prikkeldraad verbonden, alles tegen het landen van vliegtuigen bij een invasie. Wat een ravage in ons mooie Zeeland, waar nu juist de vruchtbomen zouden bloeien. Velen geloven, dat de invasie nu wel gauw zal komen, misschien al wel deze week. "In Engeland staat een reusachtig groot leger klaar en zouden 8000 schepen gereed liggen om deze troepen over te brengen; in België en Frankrijk worden stations en spoorwegemplacementen heel erg gebombardeerd; Engeland is nu van de wereld afgesloten en het diplomatieke verkeer is geheel opgehouden." Ik moet het eerst zien voor ik het geloof. Maar er zal toch wel eens iets moeten gebeuren; er wordt nu al een jaar over gepraat.

30 april 1944.

Gisteren is Berlijn weer heel erg gebombardeerd; alleen hier over Rotterdam zijn honderden vliegtuigen oostwaarts gevlogen.

1 mei 1944.

Als bijna steeds op 1 mei waait er een koude, schrale wind en in de zon is het soms wel lekker (gisteren was het eerste van de twee "bloembollenzondagen"). April was koud, guur en droog. De leerlingen van de H. B. S., Gymnasium en Lycea moeten aan het strand gaan werken aan verdedigingswerken. Sommigen, die gewaarschuwd waren, zijn weggebleven of werden van school weer naar huis gestuurd. Deze vordering schijnt door Mr. Dijkhuis, de secretaris van de burgemeester, een door de wol geverfde N. S. B.-er, te zijn bevolen, maar de Duitsers moeten hier niets van hebben en hebben de voordering weer ongedaan gemaakt.

2 mei 1944.

Eden is terug uit Madrid, waar hij een lange conferentie had met Franco. Spanje zal in het vervolg minder ertsen (wolfram) aan Duitsland leveren; het Duitse consulaat in Tanger wordt opgeheven; de Italiaanse vrachtschepen in Spanje worden aan de geallieerden uitgeleverd; de "Blauwe Divisie", die nog voor Duitsland aan het oostfront vecht, wordt teruggetrokken. Natuurlijk is Franco nog fascist, pro-Duits en anti-Russisch, maar Spanje kan niet anders, daar het voor de onontbeerlijke invoer van petroleum, benzine, graan, enz. geheel van de geallieerden afhankelijk is. Over de in de Spaanse haven liggende Italiaanse oorlogsschepen zou nog worden onderhandeld; maar waarom zijn deze maatregelen tegen Spanje niet veel eerder genomen? De half-geallieerde bondgenoot Portugal is nog recalcitrant en blijft aan Duitsland leveren.

4 mei 1944.

Het is vandaag een jaar geleden, dat veel jongelui (meest studenten) zijn ondergedoken om hun gaan naar Duitsland te ontwijken. Vooral ook voor hen is het te hopen, dat de oorlog niet lang meer zal duren. Ze leren niets of weinig, vergeten veel, moeten steeds maar afwachten, waardoor ze verslappen en hun fut eruit gaat; zouden velen niet ongeschikt worden voor verdere geregelde studie? Ze moeten steeds op hun qui vive zijn, voelen zich steeds onveilig voor razzia's, verklikkerij en huiszoekingen (vooral van de Landwacht); sommigen schijnen een vreemde taal te leren (Spaans of Russisch, daar deze taal na de oorlog misschien een grote toekomst zou hebben!). Anderen schijnen nog te studeren met behulp van assistenten en repetitoren en doen zelfs examens, die eerst na de oorlog geldig zullen worden verklaard.

10 mei 1944.

Weinig verandering; sommige, door de wol geverfde optimisten, willen ons graag doen geloven, dat dit politiek is van de geallieerden, evenals het niet opschieten van Italië (het heet dan, dat ze daar zoveel Duitse troepen vasthouden); eveneens zou de minder toeschietelijke houding van Turkije een truc zijn! Sebastopol is door de Duitsers ontruimd, zodat binnenkort wel de hele Krim van Duitsers zal zijn bevrijd: Sebastopol is één puinhoop. Vandaag is ons vijfde oorlogsjaar ingegaan; hoeveel zullen er nog volgen? Die mooie voorspellingen van de eerste oorlogsjaren, n.l. dat de oorlog wel gauw uit zou zijn, worden zeldzamer. Men houdt zichzelf en anderen niet meer zo gemakkelijk voor de gek als in het begin; maar zeker is, dat de meeste mensen niet hebben gedacht, dat de oorlog zo lang zou duren. Maar geen van beide partijen kunnen deze totale oorlog opgeven. Meer dan 90 procent der Nederlanders is er wel van overtuigd, dat Duitsland de oorlog niet kan winnen (maar een in het nauw gedreven kat kan nog rare sprongen maken!) en dat de geallieerden hem niet kunnen verliezen (en in Duitsland schijnen velen er evenzo over te denken). Maar wanneer zal Duitsland het opgeven?

Duitsland is nog heel sterk en het vecht voor zijn bestaan en hoopt, dat er nog eens een onvoorziene gebeurtenis plaats vinden zal, waarvan het voordeel kan trekken, b.v. de fabricage van een nieuw verschrikkelijk wapen. Zouden de Amerikanen en Canadezen met evenveel enthousiasme vechten voor hun zaak als de Duitsers? Dit is haast niet te geloven.

Duitsland is over het hoogtepunt heen, geen Blitzkrieg meer en niet meer de brallende redevoeringen. Het probeert ons nu bang te maken voor het bolsjewisme en probeert vaak ons met zoet gefluit te lijmen. Maar direct daarop vermoordt het weer onschuldige landgenoten, hebben veroordelingen en executies plaats van goede Nederlanders (die dan steeds heten saboteurs, terroristen, bolsjewiki, bandieten, Jodenvrienden enz.) worden nog steeds weer allerlei zaken "uitgekamd", om nog meer mannen te vinden, die geschikt zijn om in Duitsland te werken (er werken daar al 450.000 Nederlanders, waaronder vele studenten, die daar meestal matig worden gevoed, in slechte hygiënische omstandigheden leven en aan veel gevaren blootstaan, vooral van bombardementen uit de lucht. Velen sterven er aan roodvonk, difterie, dysenterie, longontsteking, enz. of komen er om in gevangenkampen, waar ze heen worden gebracht wegens voor de Duitsers minder prettige uitlatingen), nog steeds worden razzia's gehouden, onderduikers gezocht, scholen en huizen gerekwireerd, enz., maar

  1. De overwinning, die Hitler voor het eind van 1942 aan het Duitse volk beloofde, is niet gekomen.

  2. De veldtocht in Rusland is mislukt ten koste van verschrikkelijke verliezen aan mensen en materiaal.

  3. De spil is geheel verdreven uit geheel Afrika, Sicilië, Zuid-Italië en vele eilanden.

  4. Het duikbootgevaar is grotendeels overwonnen.

  5. Bijna dagelijks verschrikkelijke bombardementen op Duitse steden, waarvan sommige geheel zijn verwoest.

1 juni 1944.

De vorige maand zijn weer veel huizen ontruimd (vaak moest dit geschieden binnen enkele uren en dan mochten de bewoners alleen wat lijfgoed meenemen!). De Duitsers kruipen zoveel mogelijk tussen de inwoners in voor hun eigen veiligheid en wanneer dan de geallieerden bij hun bomaanvallen ook eens landgenoten treffen, dan maken de Duitsers veel misbaar, huilen krokodillentranen en wijzen er ons op "dat wij het van onze vrienden maar moeten hebben". En even ten westen van Schiedam hebben de Duitsers een munitiedepot gemaakt met een groot rood kruis erop! En dan klagen ze nog, dat de geallieerden niet steeds het Rode Kruis ontzien (dat natuurlijk alleen mag worden aangebracht boven een ziekeninrichting)!

Het wordt steeds moeilijker met onze voedselvoorziening; aardbeien zien wij sporadisch (en zijn verschrikkelijk duur). Asperges of nieuwe aardappelen hebben wij nog niet gezien en vaak is het zelfs onmogelijk om groente te bekomen. Velen gingen het halen per fiets of bus bij boeren of tuinders in de buurt van Rotterdam, maar nu verhindert dit de Landmacht, die de terugkerenden opwacht en groente en vruchten in beslag neemt (vaak om het zelf op te eten); deze "heren" zijn toch wel erg goede Nederlanders!

6 juni 1944.

Eindelijk is dan toch de invasie gekomen: Vanmorgen vroeg verscheen voor de kust van Normandië tussen Havre en Cherbourg een vloot van 4000 oorlogsschepen met verscheidene duizenden kleinere, ook vliegtuigmoederschepen en 11.000 vliegtuigen, onder bescherming van een rookgordijn. Parachutetroepen moesten trachten vliegvelden te veroveren en landingstroepen werden aan land gezet met tanks, enz., vooral in de buurt van de mond van de Seine (de bombardementen op spoorwegemplacementen en bruggen in Frankrijk worden ons nu ook duidelijk). Zou deze invasie de beslissing brengen? Beide partijen hebben tijd en gelegenheid genoeg gehad om zich voor te bereiden; in elk geval zal het een verschrikkelijk bloedbad worden. Duitsland vecht nu op drie fronten, die alle drie nog 1000 km van Berlijn af liggen en 't is nog heel sterk. Tot deze invasie zou verleden jaar op de conferentie in Teheran zijn besloten. Hier in Rotterdam is het tot nu toe erg rustig.

28 september 1944.

De hele dag horen en voelen we de ontploffingen. Soms om de paar minuten. De huizen dreunen, muren en fundamenten scheuren (hierdoor moesten reeds zeer veel huizen aan de Linker Maasoever onbewoonbaar worden verklaard; alleen in Katendrecht 1500!). Natuurlijk is iedereen weer in een downstemming, heel anders dan drie weken geleden, toen haast heel Frankrijk en het grootste deel van België zo snel en vlot werden bevrijd. Daar er geen post komt en we de radio missen, weten we zo goed als niets van het overige deel van ons land en zelfs niet veel uit onze eigen stad, ook al doordat er in de krant in het geheel niet over de vernielingen wordt gerept. Voor de Vandalen overgingen tot het opblazen van alle installaties in de Rijnhaven moest die buurt worden geëvacueerd en de bewoners moesten de ramen openlaten. Toch zijn er door de ontploffingen veel ruiten gesprongen, vooral in Katendrecht en in de Rosestraat, maar ook aan de Rechter Maasoever (en er is haast geen glas te krijgen en ook geen planken om voor de ramen te spijkeren)!

29 september 1944.

De ontploffingen zijn vandaag heviger dan tevoren, waardoor ook hier veel ramen zijn gesprongen, vooral de grote ramen van cafés en winkels. Overal op straat ligt glas en het is gevaarlijk om vlak langs de huizen te lopen. Iedereen heeft de ramen open, hetgeen met dit frisse weer en de koude wind niet prettig is. Onze telefoon doet het weer; het schijnt dat de alarmtoestand No. 1 weer is veranderd in alarmtoestand No. 2. Nog vernield werden: de loods van San Francisco aan de Rijnhaven, de bananenloods aan de Maashaven, elevatoren en kaaimuren van de graansilo, de Vulcaanhaven; bij Wilton zijn 35 grote schaal- en draaibanken weggehaald en naar Duitsland gestuurd; alle dukdalven zijn vernield, het grote Gemeentedok is in de mond van de Maashaven tot zinken gebracht; de mond van de Waalhaven is deels versperd door het gezonken tankschip Salomé (12.000 ton).

11 november 1944.

Gisteren zijn Kralingen, Hillegersberg en Rotterdam-Zuid uitgekamd, vandaag Blijdorp en het Westen. De straten zijn afgezet, een loudspeaker geeft instructies aan het publiek, met zware dreigementen als men het bevel niet opvolgt. Men ziet zo nu en dan lange files mannen voorbijtrekken, die door de Duitsers zijn gevangen. Geen tram, geen dienstmeisje, geen melkboer of broodbezorger, geen post, geen krant. De straat is uitgestorven en niemand mag passeren; de Beurs is gesloten. We horen vandaag ook weer ontploffingen (waar?). Ons broodrantsoen wordt verminderd van 1800 tot 1400 gram en de hoeveelheid melk (tapte-) en boter (margarine) wordt gehalveerd.

8 mei 1945.

De Heer van Eyck zei:

Op 1 januari '45 heb ik U wegens afwezigheid van onze president de Nieuwjaarswensen overgebracht van het bestuur onzer Sociëteit en daarbij de hoop uitgesproken, dat wij spoedig op deze zelfde plaats zouden kunnen bijeenkomen voor het vieren van onze bevrijding. Eindelijk is het zover! Onze president heeft als bejaard en bezadigd man gemeend in zijn openingswoord naast zijn vreugde over de bevrijding ook de moeilijkheden te moeten belichten, die nog zullen moeten worden overwonnen; als jongere onder U zou ik mij daarvan op dit ogenblik willen abstraheren en ik zou alleen de lichtzijde willen bezien van hetgeen wij thans mogen beleven.

Mijne heren,

Het machtige Duitse volk heeft gecapituleerd, het kleine Nederland heeft zijn vrijheid herwonnen. Dit is het geweldige gebeuren, dat in de laatste dagen ons denken en voelen heeft beheerst. Realiseren wij ons wel voldoende, wat dit voor ons betekent? Om U dit goed duidelijk te maken, moet ik U terugvoeren naar de tijd van vóór mei 1940. Wij waren een volk van vrije mensen, geleid door een koningin, die ons aller liefde bezat; wij bezaten de vrijheid van drukpers, het vrije recht van vereniging en vergadering, vrijheid van godsdienst; wij konden vrij spreken en handelen; onze ambtenaren en politie waren betrouwbaar, onze rechterlijke macht was onkreukbaar; ons stelsel van wetgeving voldeed aan redelijke eisen en onze bodem leverde ons overvloed van voedsel. Alles was aanwezig om de mens gelukkig te maken, maar dat het niet volmaakt kon zijn, dat spreekt vanzelf, want wij allen waren mensen met onze zwakheden en gebreken en alle gevolgen van dien. Toen kwam de dag van 10 mei 1940; wij werden in alle vroegte gewekt door het geronk van motoren, het geknetter van mitrailleurvuur, het vallen van bommen en langzaam drong het tot ons door: Nederland in oorlog met het machtige Duitse rijk. In enkele dagen werden wij ondersteboven gelopen, niet zozeer door superioriteit van wapenen, maar door een overmacht en nog meer speciaal door een regen van brisant- en brandbommen.

De bezetter bracht ons figuren als Seys- Inquart, Mussert, Rauter, Blokzijl en hun trawanten en met hen is een ruïne van ellende over ons volk gekomen. Al onze heilige rechten, waarop wij als Nederlanders zo trots waren, werden vertreden of verkracht, onze mannen en jongens, ja zelfs vrouwen, werden bij tienduizenden als slaven overgebracht naar concentratiekampen en bij duizenden vermoord; ons land werd stelselmatig leeggeplunderd, de bodem verwoest, de industrie lamgelegd, de veestapel gestolen of afgemaakt, van een volk van vrije mensen werden wij een volk van slaven. Het mensonterend werk van Gestapo en S.D. kwam weldra tot hoge bloei en zelfs Nederlanders hebben zich niet ontzien aan dat duivelse systeem van spionage en verraad hun medewerking te verlenen. Ons gezinsleven, de hechtste pijler van ons volksbestaan, werd ondermijnd en de bezetter heeft alles in het werk gesteld ons geestelijk, fysiek en materieel voorgoed te ruïneren. Al deze ellende, mijne heren, is in deze vijf jaren over ons gekomen en allen, de ene meer, de andere minder, hebben wij daaronder gezucht en geleden. Onze bondgenoten zijn er eerst langzaam in kunnen slagen zich te herstellen van de nederlagen, die Hitler en zijn aanhang hun hebben kunnen toebrengen, omdat zij zich niet, zoals hij, op de oorlog hadden voorbereid. Met ijzeren wil hebben zij zich er echter toe gezet het verloren terrein te herwinnen en in Stalingrad en aan de grenzen der Libische woestijn zijn zij er in geslaagd, de felle aanval tot staan te brengen en de krijgskansen te doen keren.

Toen kwam de ommekeer en zelfs een Duitse generale staf en een uitermate voor het Duitse volk doeltreffende oorlogspropaganda van een Göbbels, de personificatie van de leugen, zijn er niet in kunnen slagen de stormloop der geallieerde legers te breken. Langzaam, maar met de zekerheid van de klok, is het drama voltrokken en nu zijn wij gekomen aan de apotheose. In het laatste bedrijf werd ons geduld wel heel erg op de proef gesteld, wij hebben de vreugde van de 5de september mogen beleven, die echter in droefheid ging verkeren; wij hebben met angst en vrees de laatste winter tegemoet gezien, in welke maanden de Rotterdamse bevolking door hongersnood zwaar heeft geleden; ons moreel besef heeft een grote knak gekregen door de maatregelen van de bezetter in deze maanden. En weer kwam de bevrijding plotseling zeer nabij, toen na het offensief aan de Rijn, oost en noordoost Nederland snel werden bevrijd. Weer kwam er echter stagnatie, alhoewel de radio had aangekondigd, dat de geallieerde legers op weg waren om Amsterdam en Rotterdam te bevrijden. Reeds vroegen wij ons af: waarom komen ze toch niet? Maar nu, vandaag op 8 mei 1945, zijn wij dan toch eindelijk vrijgemaakt, en God zij gedankt voor die weldaad.

Mijne heren, wij schudden de boeien thans van ons af, waarin de bezetter ons hield gekluisterd; wij willen weer worden de vrije Nederlanders van vóór mei 1940 en allen moeten wij het uiterste beproeven om de fouten te vermijden, die wij in het verleden hebben gemaakt. Tezamen moeten wij gaan opbouwen wat de bezetter weldoordacht, opzettelijk en op geraffineerde wijze heeft vernietigd; werkgevers en werknemers zullen daarbij allen hun eigen taak hebben te vervullen; geen partijtwisten meer om futiliteiten; onder de druk van de bezetter heeft ons volk zijn gemeenschapsgevoel teruggevonden en zo moet het blijven; voor iedere Nederlander, die werken wil, moet de kans bestaan zich van een menswaardig bestaan te verzekeren. Mijne heren, ik weet niet, hoe het U in de laatste dagen is vergaan, maar ik leef in een roes, in een droom, ik kan mij nog maar niet in de werkelijkheid verplaatsen.

Aan ieder huis wappert onze driekleur, iedere winkel, ofschoon leeggehaald, spreidt Oranjevreugde ten toon, de Oranjekokarde siert ieders borst; de blijde jubelkreten van onze kinderen, de vaderlandse liederen, Piet Hein en zelfs een lied als "Houdt er de moed maar in" (dit laatste wel zeer geschikt na de laatst verlopen maanden) weerklinken weer in onze straten; op de vermagerde gezichten van onze bevolking komt weer de lach van de vrije mens; de hoop op een betere toekomst herleeft in alle harten; het wonder der bevrijding voltrekt zich. Mijne heren, wij kunnen weer spreken en handelen zoals wij willen, zonder dat het verraad ons kan treffen; wij herwonnen onze geestelijke vrijheid en daardoor het kostbaarste bezit, dat verloren was en dat meer voor ons betekent dan voedsel. Wat is er al niet nog voor ons in Rotterdam gespaard gebleven, dat ook nog voor vernietiging in aanmerking kwam; ik zal U niet met een opsomming daarvan vermoeien. Mijne heren, nu gaan wij aan den arbeid en in dit verband moge ik de wens uitspreken, dat een ieder, oud en jong, rijk en arm, zijn steentje zal willen bijdragen aan de Wederopbouw. Heren, ik ga eindigen met mij aan te sluiten bij de slotwoorden van onze president, want ook ik wil in mijn wensen voor de toekomst in de eerste plaats ons Koninklijk Huis betrekken. Lang leve onze koningin, prinses Juliana en prins Bernhard, die zich zulk een goed Nederlander heeft getoond.

6 mei 1945.

"De Vrije Pers" vertelt hedenmorgen, dat 4 mei de onvoorwaardelijke capitulatie is getekend in het hoofdkwartier van Montgomery op de Lüneburger Heide. De commandant van Rotterdam wenst zich echter niet over te geven (en anders gehoorzamen de Duitsers steeds zo slaafs!). Daarom is in Hotel "De Wereld" te Wageningen een conferentie belegd tussen generaal Foulkes en Prins Bernhard met generaal Reichelt als afgevaardigde van generaal Blaskowitz; hier werd vastgesteld, dat alle vijandelijke elementen, die het vuren openen, als oorlogsmisdadigers zullen worden aangemerkt; totdat de geallieerden hier zijn binnengetrokken behoudens de Duitsers hun wapens "om de Nederlandse S.S. en de Landmacht in toom te houden"! Tevens werd besloten, dat de geallieerden ook 's nachts konvooien met voedsel zullen zenden (we zullen 1700 calorieën per persoon per dag krijgen) en dat de Duitsers alle explosieve ladingen uit dijken enz. zullen verwijderen; daarmede werd West-Nederland aan generaal Foulkes overgegeven (in Nederland zouden zich nog 120.000 Duitse militairen bevinden). Generaal Blaskowitz vertelde, dat zes-en-een-kwart met een torpedojager uit Rotterdam naar Noorwegen was gevlucht! Om half elf gingen hier plotseling de vlaggen uit; dit was in 5 jaren niet gebeurd! De koningin en prinses Juliana bezochten gisteren Het Loo, waar ze door duizenden inwoners en geallieerde soldaten werden toegejuicht. Hier is van feestvieren nog niet veel te merken; alleen draagt iedereen Oranje en Rood-wit en blauw. Velen zijn ook te zwak om feest te vieren (en duizenden liggen te bed), de cafés zijn gesloten (waar toch niets is te krijgen). Prof. Gerbrandy zal heden in Nederland aankomen.

In Denemarken is een nieuwe regering gevormd en deze is in San Francisco uitgenodigd; Duitse oorlogsschepen hebben nog net even Kopenhagen 20 minuten lang beschoten toen partizanen het tegen de Duitsers opnamen. In San Francisco is het hommeles, zoals het trouwens bij elke goede conferentie hoort; dat komt later wel weer in orde. Poolse afgevaardigden van de Poolse regering in Londen hadden zich naar Polen begeven om te overleggen en sedertdien is niets meer van hen gehoord. Na herhaalde verzoeken van Britse en Amerikaanse zijde om opheldering, waarop nooit werd geantwoord, heeft Molotow nu eindelijk meegedeeld, dat deze afgevaardigden zijn gearresteerd wegens "actie tegen het Roode Leger"! Eden en Stettinius hebben hiertegen heftig geprotesteerd en wilden voorlopig niet meer met Molotow confereren. In Oost-Beieren geven de Duitsers zich over; het Chalet van Hitler in Berchtesgaden is geheel verbrand. Drie Duitse legers, die nog in Mecklenburg vochten, gaven zich over aan de Russen; ze wilden zich liever overgeven aan de Engelsen, maar deze verwezen hen weer naar de Russen, tegen wie ze hadden gevochten. Gouverneur Frank (eerst van Polen, later van Tsjecho-Slowakije), een der ergste oorlogsmisdadigers, is gearresteerd. In Praag hangt weer de nationale vlag.

7 mei 1945.

Mooi zonnig warm weer.

De vroegere inspecteur van politie, H.M.C.A. Staal, die zich met zijn hele gezin gedurende de gehele oorlog steeds zo flink heeft gehouden, lange tijd heeft gevangen gezeten, later onderdook en die veel ondergronds werk verrichtte, is heden door Burgemeester Oud als hoofdcommissaris van politie geïnstalleerd. Hij hield in het Hoofdbureau van Politie een toespraak, waarin hij zei, dat alle ambtenaren nu weer hun plicht moesten doen en dat alle illegaliteit nu direct moest ophouden; hij was er vast van overtuigd, dat de grote meerderheid van het politiecorps volkomen betrouwbaar was. Hem wacht een moeilijke en vaak ondankbare taak.

De hier steeds zo geapprecieerde Burgemeester Oud heeft zijn ambt gelukkig weer aanvaard; deze tweede installatie van de Heer Oud had om 3 uur in het stadhuis plaats; de burgemeester noemde deze dag de mooiste van zijn leven. "Er ligt een enorme taak voor ons; wij zullen blijven bouwen op de grondslagen vrijheid, verdraagzaamheid en democratie, onder de leiding van de koningin. Uit Reims, het geallieerde hoofdkwartier, waar Eisenhower verblijf houdt, wordt gemeld, dat de geallieerden nu officieel de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland aan de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hebben bekendgemaakt; dit had hedenmorgen om 19 minuten voor 3 plaats. Twee uur tevoren gaf radio Flensburg een rede door van de Duitse minister van buitenlandse zaken Von Schwerin Krosigh, die namens admiraal Von Dönitz de overgave gelastte van alle Duitse strijdkrachten! Hiermee is de tweede wereldoorlog in Europa ten einde en kunnen de krachten verenigen om de Japanners eronder te krijgen (deze zijn ook zo'n Herrenvolk, in eigen oog tenminste). We zijn nu verlost van het gehate Duitse juk en het bruut geweld, van de angst en van de honger en kunnen weer onszelf zijn. Soms lijkt alles wat wij hebben doorgemaakt een droom, maar wanneer wij de ogen even opendoen, dan zien we dadelijk onze verwoeste en vervallen stad. 't Is dus vrede na vijfenhalf jaar oorlogvoering (voor ons vijf jaar); de "afgeleefde" democratieën hebben het van het fascisme gewonnen. Onze bevrijding is nog juist op tijd gekomen om de grootste ramp voor Rotterdam nog af te wenden, n.l. het opblazen van het elektriciteitsgebouw, gasfabriek, tunnel, bruggen en van de andere gebouwen, die op de nominatie stonden, eveneens om de dreigende hongersnood voor geheel West-Nederland te voorkomen. Morgen, "V.E,-day", verschijnt de "Vrije Pers" voor het laatst. Ze heeft zeer nuttig werk gedaan en gaf velen vaak een hart onder de riem en hield de moed erin; "Het Parool" zal als dagblad blijven verschijnen.

Wij zullen nu misschien eerst "Het Parool" of "De Maasbode" of "Trouw" (Chr. Hist.) of de antirevolutionaire "Rotterdammer" moeten lezen, daar de N.R.C. is geschorst, omdat deze nog na 1 januari 1943 is blijven verschijnen, naar ze zei om haar personeel aan het werk te houden. Natuurlijk kon tijdens de bezetting geen enkele krant schrijven wat ze wilde, maar de N.R.C. heeft wel heel veel de huik naar de wind laten hangen, hetgeen haar wel door de concurrerende bladen vaak zal worden verweten. Maar de N.R.C. was toch het beste en minst politiek liberale dagblad voor Nederland met de beste medewerkers en buitenlandse correspondenten en tot het laatst toe las iedereen gaarne de artikels van de Heer Tammes over de toestand en die van de Berlijnse correspondent, waarin men tussen de regels door veel kon lezen wat niet openlijk kon worden gezegd. De hoofdredacteur (Mr. Huyts) en de directeur (Mr. De Bloeme), evenals de commissarissen zijn reeds afgetreden en door eerst klas mannen vervangen. Het is te hopen, dat de N.R.C. spoedig weer zal mogen verschijnen.

Overal is al aan de opruiming begonnen:

Twee Duitse legers ten westen van Berlijn gaven zich over aan de Amerikanen: Schuschnigg en Ds. Niemöller zijn levend uit een concentratiekamp tevoorschijn gekomen, hetgeen niemand had verwacht (maar van Generaal Winkelman horen we nog niets, evenmin over mijn zuster, inspecteur van politie Tas, enz.). Mussert zou zich in Utrecht bevinden; de gevangen genomen Max Blokzijl verklaarde, dat hij best kon begrijpen, dat het Nederlandse volk was opgelucht! (maar deze mooie woorden zullen hem toch niet meer kunnen redden). Onze Duitsgezinde "burgervader" en het stelletje N.S.B.-wethouders zijn gevangen genomen. Deze slechte vaderlanders hebben niets gepresteerd: alleen smeten ze met het gemeentegeld en benoemden zoveel mogelijk N.S.B.-ers in gemeentebaantjes, waarvoor ze niet deugden en waarop ze zich nog beroemden. Ze hebben nooit geprotesteerd tegen onze stelselmatige uithongering, evenmin tegen de vernieling van onze havens en onze stad. Als het flinke mensen geweest waren, dan hadden ze toch bij de Duitsers moeten protesteren en wanneer ze daar niets gedaan konden krijgen, dan hadden ze moeten heengaan en desnoods onderduiken. Dit treurige stelletje heeft zijn straf wel verdiend! We zien al een enkele Jood, die was ondergedoken, weer tevoorschijn komen, maar de meesten van hen zullen we wel nooit terugzien.

Aan de Lloydkade is men hedenmorgen begonnen met het lossen van twee schepen met voedingsmiddelen. De prijzen in de zwarte handel vliegen al naar beneden: 1 kg tarwe, die een week geleden nog f 60,- kostte, kost nu nog f 16,- en de prijzen zullen wel snel verder dalen. In Denemarken wordt niet meer gevochten en de capitulatie van Noorwegen wordt ieder moment verwacht. Koning Leopold is door de Amerikanen bij Salzburg bevrijd en heeft zich naar Zwitserland begeven (de Belgische socialisten zijn afgetreden). De President van de Rechtbank, Mr. Zwaardemaker, is geschorst.

8 mei 1945.

"Victory -Europe-Day", een historische dag! Prachtig weer. Om 15 uur zal Churchill voor de radio spreken en vanavond om 21 uur de Engelse koning. Ongeveer 19 uur zullen de Canadezen komen. Erg jammer dat Roosevelt deze V.E.- Day niet meemaakt.

Met eerbied gedenken we de flinke, meest jonge mannen, die voor ons land zijn gevallen, evenals de ondergrondse strijders. Door de oorlog konden velen van deze hun werk of studie niet voortzetten en wijdden zich aan illegaal werk: ze verzorgden de illegale pers, overvielen politiebureaus en distributiekantoren, bevrijdden politieke gevangenen, maakten spionnen en hun handlangers onschadelijk, verlosten de slachtoffers van de deportatiepolitiek uit de handen van de vijand, voorzagen onderduikers en illegale strijders van valse persoonsbewijzen, distributiekaarten en bonnen; ze ondersteunden de gedupeerden en de nagelaten betrekkingen van omgekomen of gestrande zeelieden en van gefusilleerden. Velen van hen hebben dit gevaarlijke werk met de dood moeten bekopen; zij vielen voor de Nederlandse zaak en gaven hun leven voor de toekomst, de vrijheid, voor een herrijzend Nederland en voor ons. Ze heetten "illegale strijders", maar juist zij bleven trouw aan de Nederlandse wetten en aan de Nederlandse regering; de werkelijk "ïllegalen" waren de N.S.B.-ers en hun aanhang. Ook vele meisjes maakten zich verdienstelijk, o.a. vaak als koerierster. Vooral de kerkelijken en de Calvinisten, die vaak minder buigzaam en meer principieel zijn, hebben zich vaak schitterend gedragen en het stevigst weerstand geboden tegen de overweldiger. Onder hen zijn dan ook veel slachtoffers gevallen.

Vele N.S.B.-ers worden nu gearresteerd, meestal door de vroegere illegalen, die nu N.B.S.-ers heten (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten). Deze jongelui hebben verdienstelijk werk gedaan, maar men houdt vaak zijn hart vast, wanneer men hen heldhaftig, gewichtig en vaak gevaarlijk met hun guns en hun revolvers ziet lopen of op een motorfiets door de stad jakkeren. Hoe eerder deze over 't paard getilde mensen hun werk staken, hoe beter. Alle illegaliteit moet zo spoedig mogelijk ophouden. Velen van hen voelen zich erg belangrijk, menen dat ze niet gemist kunnen worden, dat de oudere generatie heeft afgedaan en dat de jeugd nu wel verder zal opknappen, wat wij hebben bedorven (maar ze hebben in 't geheel geen politieke routine!). Voor velen van hen zal het niet gemakkelijk vallen om zich weer aan hun werk en geregelde studie te wijden. Het ongeregelde en avontuurlijke leven had vaak veel charme voor hen, vooral ook omdat niet werd gevraagd welke examens ze hadden gedaan.

Mijn broer en zijn gezin zijn er, wonder boven wonder, goed afgekomen, meer door geluk dan wijsheid; hier waren behalve twee ondergedoken zoons nog twee vreemde onderduikers in huis en hier gebeurden zoveel ongerechtigheden, dat de hele familie elke dag kon worden opgepakt. Mussert en Van Genechten zijn gearresteerd. De Heer De Monchy is weer burgemeester van Den Haag geworden. 60 procent van onze schepen voor de binnenvaart is nog intact. De Canadezen zijn eindelijk gekomen: hedenmiddag en -avond zien we hen in honderden auto's en tanks door de straten rijden. Al die auto's zitten en hangen vol Nederlandse versierde jongens en meisjes, zelfs van verpleegsters in kostuum, steeds zingende en wuivende tegen het publiek en toegejuicht door de menigte, die hossend en springend het Wilhelmus en Oranje boven zingen. Maar hierdoor moeten de Canadezen wel een verkeerde indruk krijgen over de hongersnood hier, want ze zien niet de duizenden, die te slap en ondervoed zijn om uit te gaan, of die zelfs te bed moeten blijven; het is maar goed, dat er zo goed als geen alcohol te krijgen is. Van alle openbare gebouwen wappert de driekleur en de straten hangen vol; zelfs vele N.S.B.-ers vlaggen nu (dat dat zielige zootje geen ruggengraad had wisten wij trouwens wel). De padvinders weren zich flink. Schuilkelders en door de Duitsers aangebrachte richtingsborden worden overal afgebroken en als brandhout gebruikt.

De Canadezen zijn haast allemaal sportieve, gebruinde jongelui (de meesten zijn kort geleden uit Italië gekomen), vlot, natuurlijk, menselijk, helemaal niet zo stram en gewichtig en arrogant doend als de Duitsers. De vrede, waarop we zo lang hebben gewacht, is dus eindelijk gekomen; eigenlijk is het nog geen vrede, maar de oorlog in Europa is toch afgelopen en de vrede is op komst, maar er wachten ons nog zeer moeilijke tijden. Natuurlijk zullen de vijf oorlogsjaren een grote invloed uitoefenen op onze toekomst en op die van de gehele wereld; we kunnen niet meer beginnen, waar we op 10 mei '40 waren gebleven, alsof er niets is gebeurd. Het op gang brengen van de regeringsmachine zal zeer moeilijk zijn, evenals van het economische leven; er wacht ons veel arbeid en alle krachten moeten worden ingespannen; ieder moet in zijn eigen kring en zijn eigen werk dubbel zijn best doen en daarvoor zijn energie en werklust geven; orde en rust moeten zo spoedig mogelijk terugkeren. Zolang wij onder het Duitse juk zaten, moest iedereen zich wel rustig houden, maar nu we weer vrij zijn, mogen we niet uit de band springen en die vrijheid misbruiken.

Velen zullen niet tot veel arbeiden in staat zijn door de ondervoeding; ook is hier verschrikkelijk veel vernield en er is gebrek aan allerlei materiaal; er is geen gas, geen elektriciteit en er zijn geen kolen. Velen deden nooit iets voor de publieke zaak, maar als de beste stuurlui aan de wal kankerden ze hier op alles en gaven op alles af. Deze lieden zullen moeten begrijpen, dat alles niet in een handomdraai weer goed kan functioneren; deze betweters moeten geen onvervulbare eisen stellen. Evenmin zullen de werklieden met te hoge eisen (meer loon en minder werkuren) moeten aankomen. Eendrachtig zullen werkgevers en werknemers moeten samenwerken aan de wederopbouw en elkaars mening appreciëren; natuurlijk zullen er meningsverschillen en politieke tegenstellingen blijven; alle mensen denken gelukkig nu eenmaal niet gelijk; dit is democratie. Door "le choc des opinions" zullen we moeten komen tot een samenleving, waarin ieder welwillend burger zich op zijn plaats kan voelen. We moeten er ons van bewust zijn, dat we slechts mensen zijn en dat het volmaakte niet bestaat. Natuurlijk zal dit gaan met horten en stoten en de regeringsmachine en het economische leven zullen vaak eerst stroef gaan.

De Heer De Monchy:

Mijne Heren,

Als ik dominee ware, dan zou ik, een preek houdende, als tekst kiezen: "Lang gewacht, maar toch gekregen"; wanneer ik nu eens naga, voor wie het wachten wel heel lang is geweest, dan is het voor meerdere personen, die zich m.i. aan een ietwat zondig optimisme hebben schuldig gemaakt, door zich wijs te willen maken, dat de oorlog gauw voorbij zou wezen; derhalve heb ik met hen menigmaal erg medelijden gehad; de ondergetekende was van andere mening en had direct al het idee, dat de krijg meerdere jaren zou duren. In '39 heb ik reeds onder getuigen gezegd, dat ik instinctmatig voelde, dat de oorlog niet voor '45 of '46 zou eindigen.

Medelijden heb ik nog meer met de personen, die kortelings van ons zijn heengegaan, want zij hebben enkele nare jaren meegemaakt en zien nu de ontknoping niet meer, vooral degenen, die begin '45 stierven, dus ook de vreselijke winter hebben meegemaakt van hongersnood, koude en ellende, maar die de beterschap niet meer konden aanschouwen. De voedselnood maakte heel wat slachtoffers en niet alleen de velen, die er door omkwamen, maar het nog belangrijk grotere kwantum dat nog rondloopt, of liever zich rond sleept met verval van krachten en die nog heel lang nodig zullen hebben om weer op krachten te komen, als ze het tenminste nog halen kunnen. De sterfte is enorm toegenomen. De betere vooruitzichten van thans nopen ons met gevoelens van grote dankbaarheid naar het Westen te kijken en voornamelijk naar de Verenigde Staten van Amerika, omdat die niettegenstaande de geweldige zorgen, die ze aan de andere zijde van hun land hebben tegenover hun directe vijand Japan, zij zulk een krachtdadige hulp aan Engeland verleenden, dat die twee landen tezamen een invasie konden bewerkstelligen, welke een hoogst eerbiedige hulde afdwingt, een invasie, waarbij ze in een betrekkelijk kort tijdsbestek zowat half het continentale deel van West-Europa hebben ingenomen, iets wat Duitsland destijds niet heeft gewild, gekund of gedurfd tegenover Engeland. Derhalve heb ik ook jammere gevoelens voor president Roosevelt, die de ontknoping in Europa niet meer meemaakte, waarvoor hij niettegenstaande zijn fragiele lichaam, zoveel reizen ondernam. Bewonderenswaardig is onze voedselvoorziening door de lucht.

Rotterdam heeft veel ellende meegemaakt, door beide kanten veroorzaakt. We denken allereerst aan 10 - 14 mei '40, waarbij de binnenstad met ons Doelencomplex totaal verloren ging, maar tevens aan de latere gebeurtenissen, b.v. aan de Schiedamse Weg door de Amerikaanse vliegers, enz. Als men in '38 of '39 had voorspeld, dat op de terreinen, waar toen grote winkelpanden of pakhuizen stonden, binnenkort korenvelden zouden verrijzen, dan ware zo iemand voor stapelgek verklaard. Een verheugend feit is, dat er van de Doelen-leden bij mijn weten geen enkele door het oorlogsgeweld verloren ging, al is het voor enkelen een narrow escape geweest. Grote reden tot dankbaarheid is er, dat de publieke bedrijven, zoals elektriciteitsgebouw, gasfabriek, tunnel, enz. behouden bleven, dat de Maasbruggen gespaard zijn, evenals de rivierdijken, alhoewel overal voorbereidingen waren getroffen om die te vernielen, met de meest heilloze gevolgen voor ons land en bevolking. Zoals de leden stellig weten, zijn er bij het bestuur meerdere plannen voor een nieuw Doelencomplex, maar het zal wel lang duren voor en aleer daaraan uitvoering kan worden gegeven. Intussen wil ik helemaal hiermede niet zeggen, dat we niet gelukkig zijn met onze tijdelijke zaal en de inrichting en de gang van zaken, dankzij ook de vakkundige zorgen van onze gérant, de Heer Klein, maar we verlangen er naar onze benen onder onze eigen tafel en onze voeten op eigen terrein te zetten, ook al omdat het verblijf in dit lokaal uiteraard onzeker is met het oog op de voornemens van "Hermes", die thans weer herrezen is en wier plannen van meerdere omstandigheden afhankelijk zijn. Ik wil ook nog even de vriendelijke geste van de Kralingse Sociëteit herdenken, die ons in '40 zo ter wille was.

Een zware wolk drijft nog boven ons, wat onze overzeese gewesten in Azië betreft; ondergetekende hoorde sedert maart '40, dus in 5 volle jaren, niets van zijn op Java verblijvende zoon. Hoe hebben de Europeanen het daar gehad? Velen waren in kampen In Thailand en Japan en Nederlands-Indië, maar hoe was de behandeling? En onlangs verluidde, dat de Japanners de Nederlanders koeliewerk lieten verrichten. Slechts zij, die in Indië zijn geweest, kunnen beseffen, welke vernedering het is voor die Europeanen tegenover de inlander. Hoe is hun voeding geweest? Hoe waren de sanitaire voorzieningen in die kampen? Welk werk hebben zij daar te verrichten gehad? Wij horen van werk in kolenmijnen in Japan! Dit zijn allemaal raadselen, die de eerste tijd nog wel niet kunnen worden opgelost, maar het gaat gelukkig de goede weg op. Naar ik vermoed, zal er een oproep worden gedaan aan oud-Indischgasten, al zijn ze ook op gevorderde leeftijd, zich toch nog beschikbaar te willen stellen om enkele jaren in Insulinde te werken, teneinde de jongelui, die al lang voor verlof in aanmerking kwamen, doch door de oorlog niet naar patria konden terugkeren, te vervangen; ik hoop, dat velen zich beschikbaar zullen stellen. Op plantages zullen alleen zij, die het vak vroeger meemaakten, geschikt zijn, wegens moeilijkheden met de werkwijzen op de ondernemingen en vooral van de taal.

Rotterdam is hoofdzakelijk handelsstad, maar tevens een grote doorvoerhaven. Doorvoerhaven waarheen? Onwillekeurig kunnen we daarop antwoorden, naar onze oostelijke naburen, maar welke verplichtingen zullen ons worden opgelegd, die een remmende invloed op de handel en op het vervoer kunnen uitoefenen, omdat ze niet alle artikelen naar hun wil zullen mogen importeren uit financieel standpunt bezien, maar tevens omdat er meerdere artikelen zijn, b.v. voor de wapenindustrie, die ze niet zullen mogen fabriceren. Dit kan een belangrijk verschil maken met hun importen tegenover vroeger en dus onze doorvoer via Rotterdam verkleinen. Onze sympathieën of antipathieën mogen naar oostelijke richting gaan, een onweerstaanbaar feit is het, dat de economische verhoudingen van Duitsland en Holland al sinds onheuglijke jaren zijn samengeweven en een grote bron van inkomsten naar onze haven vormden. Misschien is het echter beter ons hoofd over de chaotische toestanden, die hieruit kunnen ontstaan, niet te breken, maar te denken aan Hans Sachs' woorden in de Meistersinger tegen David: "Komt tijd, komt raad". Een vraag van belang is ook, hoe het met de financiële draagkracht van ons land staat in vergelijking tot onze leveranciersstaten. Na de vorige oorlog was hier alles in orde wat onze munt betreft; toen had de oorlog ons eerder welvaart gebracht, doordat we er niet in betrokken waren. Een feit van grote betekenis is wel, dat onze vorstelijke personen weer in ons land zijn na een ballingschap van bijna 5 jaren; laat ons hopen, dat hun aanwezigheid van sterke invloed zal wezen op de gang van zaken in ons zo hevig geteisterd land.




457




458




459




460




461




462




463




464




465




466




467




468




469




470







Weer zeer gewaardeerde bijdragen van Gerrie van der Laan

Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net

Op onze site kun je nog meer verhalen vinden van haar, gebruik daarvoor onze zoekmachine:

Klik hier als je wilt zoeken via Aad's Freefind search engine, vul in het venster jouw woord in, bijvoorbeeld Gerrie van der Laan en klik op ENTER

OF klik op deze link naar de index met alle titels van de verhalen #1 - #436 van Gerrie van der Laan:

Klik dan op deze link naar de verhalen #1 - #436 van Gerrie van der Laan

Voor iets zoeken op alleen deze pagina, maak dan gebruik van CTRL-F






Familiewapenklein
wat zijn we trots op ons familiewapen ...., beetje jaloers zeker ....


Terug naar de top





Last update :

1 Augustus 2026