Zeer gewaardeerde bijdragen van Gerrie van der Laan
Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net
Op onze site kun je meer vinden over de in de verhalen genoemde namen en aspekten, gebruik daarvoor onze zoekmachine:
Overige verhalen Gerrie van der Laan
Op zoek naar de index met ALLE titels van de verhalen #1 - #436 van Gerrie van der Laan:
Voor iets zoeken op alleen deze pagina, maak dan gebruik van CTRL-F
Op deze pagina ALLEEN de verhalen met nummer #437 en hoger!
INDEX: zelf even scrollen of zoeken via CTRL-F
437 Katholiek Kralingen in de Tweede Wereldoorlog
438 Het dagboek van Jacoba van Thiel
439 Het ambt van doodgraver in de 18e eeuw in Hillegersberg
440 ZEDENBEDERF
441 Drie Rotterdamse Watergeuzen
442 Hoge graanprijzen in 1789
443 De strenge winter van 1608
444 De schouwburg der Rederijkers
445 De concertzaal in de Bierstraat
446 Vijftig jaar kunstzinnig leven in Rotterdam van 1898-1948
447 Justitie in Rotterdam
448 In memoriam Ed. Nijgh (1900 - 1949)
437 Katholiek Kralingen in de Tweede Wereldoorlog
Op de zwarte Rotterdamse oorlogsdag, de 14de mei 1940, toen een vierde deel van de parochie in vlammen opging, werd de kerk als door een wonder gered. Zij bleef gespaard bij het bombardement, waarbij in de Hoflaan én in de Waterloostraat voltreffers vielen. Toen zij laat op de avond een prooi der vlammen dreigde worden, draaide de wind, voordat de belendende straten waren aangetast. De H. Hosties waren al ingepakt voor de vlucht. De kapelaans hielpen blussen, de pastoor doopte op straat een kind, de zusters ontfermden zich over de daklozen, die in het jeugdgebouw een onderkomen vonden. Toen er enige dagen na de ramp cijfers bekend werden, bleken ongeveer 1500 parochianen have en goed te hebben verloren; tien waren er bij omgekomen.
De St. Jansschool in de Sionstraat was zo deerlijk gehavend, dat het onderwijs daar niet kon worden hervat. Het modern uitgeruste gymnastieklokaal met een bovenbouw voor de zevende klas, dat in de tijd van pastoor Haver was tot stand gekomen, ging geheel verloren. Tot overmaat van ramp vorderde de bezetting de overige scholen voor troepenverblijf. Het onderwijs werd dat jaar zoveel mogelijk voortgezet in het jeugdgebouw. In het laatste oorlogsjaar kreeg de Montessorischool inkwartiering van Russen onder Duitse bewaking. Ruige typen stookten romantische bivakvuren, waar onze kleuters hadden moeten spelen. Na de bevrijding mocht de totaal vernielde school nog korte tijd Engelse militairen herbergen.
Er zijn in de gruwelijke oorlogsjaren, die op het bombardement volgden, drie dagen aan te wijzen, die eeuwig in het geheugen der parochianen gegrift staan: de dag van de klokkenroof, die van de grote razzia en de dag van de executie tegenover de kerk.
Zaterdag 28 november 1942 kreeg pastoor Haver bericht, dat de twee grootste klokken de volgende maandag zouden worden weggehaald. Die zondag van 11.55 tot 11.58 - langer luiden was verboden - riepen zij voor 't laatst de gelovigen ter kerke. De volgende dag werd bij de galmgaten aan de zijde van de Oostzeedijk een stenen steunpilaar uitgebroken, zodat de klokken door het gat konden worden neergelaten. Op dinsdag 1 december voerde een vrachtauto ze weg.
De razzia van 10 en 11 november 1944 begon in Kralingen, zodat zij velen overviel, die niet konden vluchten, al trachtte nog menigeen te ontkomen, zoals de jonge mannen, die zich in de toren verborgen. De geestelijken gingen vrijuit, wat niet het geval was geweest bij het z.g. wachtlopen, waarvoor zij in augustus en op Allerzielen waren opgeroepen. Na de razzia steeg de ellende met de dag, vooral ook, omdat de jonge mannen, die voor het foerageren hadden kunnen zorgen, weg waren gevoerd of zich niet op straat konden vertonen. Aanvankelijk trachtten parochie-organisaties de nood te lenigen, o.a. door voor kinderen gastvrijheid te vragen in gezinnen, waar men nog iets te missen had.
In het begin van 1945 is deze hulpverlening voortgezet in samenwerking met het I.K.B., waarbij het Comité voor het Kralingse Kind speciaal de jeugd voor de ergste gevolgen van de hongersnood trachtte te behoeden. Mensen van alle gezindten troffen elkaar bij dit werk en leerden elkaar waarderen. De grote rol, die de zusters vol toewijding bij deze hulpverlening hebben vervuld, bracht haar met menigeen in aanraking, die anders nimmer een voet op katholiek domein zou hebben gezet. Niettegenstaande zoveel goede wil om hulp te bieden, zijn er toch parochianen van honger gestorven. Vaak ontbraken dan zelfs de doodkisten.
De kerk deelde in de algemene nood. Er was gebrek aan kaarsen, aan wijn, aan olie en aan hosties. Het grote orgel zweeg bij gemis aan elektrische stroom en aan kracht om te trappen. Maar nimmer was er groter geloof en dieper besef van 's mensen afhankelijkheid van Gods H. Wil, dan in die donkere hongerwinter.
Tegen het voorjaar, op de derde paasdag, toen het licht en de hoop waren teruggekeerd, maar de zorg van morgen zwaarder woog dan ooit, klonken tegenover de kerk schoten, die een einde maakten aan het leven van twintig illegale werkers, een represaillemaatregel voor een aanslag op een gehate politie-inspecteur. Het kruis tegenover de kerk zal voor de Kralingers bij alle toekomstige herdenkingsdagen de plek van hulde aan alle gevallenen blijven.
"Schoon dat het Noodlot doet alle felle donders kraken,
Schoon dat de bitse nijd op ons haar gal uitbraakte,
Uw wil blijft onze Wet, wij staan voor 't onheil pal,
Gewaarborgd, dat door U ons lot verbeetren zal."
Dichtte M. Smolders met een wondere helderziendheid bij de kerkwijding van 1802.
Mei 1945 bracht verbetering van ons lot: uitbundige vreugde over de bevrijding, voedsel en terugkeer van vele dierbaren.
438 Het dagboek van Jacoba van Thiel
Het Stadsarchief Rotterdam is omstreeks 1950 in het bezit gekomen van een in kalfsleer gebonden manuscript, uit het derde kwartaal van de 18de eeuw, in keurig handschrift met door de jaren wat verbleekte inkt geschreven door een in Overschie wonende jonge vrouw. Zij was een dochter van Ds. Roeland van Thiel, predikant, eerst te Muiderberg, later te Leiden en Helena Rijser en op 28 december 1742 geboren. Haar vier jaar oudere zuster Anna Catharina was in 1764 getrouwd met Ds. Petrus Isaäcus de Fremery, telg uit een oud Henegouws geslacht, dat in de Hervormingstijd tot de nieuwe leer was overgegaan en zich in het begin van de 17de eeuw in de Noordelijke Nederlanden had gevestigd. Zijn vader had ten tijde van zijn geboorte als predikant gestaan in Berkenwoude en later in Groot Ammers.
Petrus Isaäcus was in 1760 proponent bij de classis Gouda en Schoonhoven geworden en in 1761 als predikant te Zoeterwoude beroepen. Deze gemeente mocht hem slechts twee jaar behouden, want in 1763 vertrok hij vandaar naar zijn nieuwe standplaats Overschie, waar hij de 11de september van dat jaar zijn intrede deed. In het zesde jaar van zijn huwelijk, op 10 januari 1770, schonk zijn echtgenote hem een zoon, die Nicolaas Cornelis gedoopt werd en later hoogleraar in de Genees- en de Wis- en Natuurkunde aan de Utrechtse Universiteit zou worden. Dit kind werd nog in Overschie geboren, maar twee jaar later verwisselde Ds. De Fremery Overschie met Goes en weer een jaar later vertrok hij vandaar naar 's-Hertogenbosch, waar hij in 1774 benoemd werd tot hoogleraar in het Grieks aan de plaatselijke Illustere School. In 1797 ontviel hem zijn echtgenote door de dood (Haarlem 19 mei). Vier jaar later, na het overlijden van zijn schoonzuster, die de huishouding was blijven waarnemen, trad hij opnieuw in het huwelijk met Elisabeth Johanna Moorrees. In 1810 legde hij zijn betrekking neer om zich metterwoon in Utrecht te vestigen, waar hij zich vooral wijdde aan de belangen van de Zendeling- en Bijbelgenootschappen. Verder heeft hij zich bekendheid verworven als lid van de commissie voor de Evangelische gezangen, waar hij als "warm voorstander van het geestelijk lied" door de Gelderse Synode was afgevaardigd. Hij overleed, hoogbejaard, op 7 december 1820 te Utrecht. Zijn schoonzuster, Jacoba van Thiel, is in de historiografie een onbekende. Door haar dagboek, op 4 oktober 1767 begonnen, verschijnt zij binnen onze gezichtskring, om na het plotseling afbreken van haar kroniek op 8 januari 1770, twee dagen vóór de geboorte van haar neefje, daaruit weer te verdwijnen. Alleen is het vast komen te staan, dat zij, ook na het beroep van Ds. De Fremery naar Goes en later naar Den Bosch, bij het domineesgezin is blijven inwonen en dat zij de 18de oktober 1800 in de St. Jan te 's-Hertogenbosch is begraven.
Gedurende die drie Overschiese jaren leefde zij in de dorpspastorie aan de Schie en hielp zij haar zuster, evenals zij zelf teer van gestel, in het huishouden en met de ontvangst van de talrijke gasten. Nu en dan maakte zij een reisje naar haar familie in Den Haag, Leiden, Haarlem of Alkmaar en naar vrienden in het land van Heukelom; op die uitstapjes nam zij haar dagboek mee en noteerde daarin trouw haar belevenissen: overdenkingen, gesprekken en ontmoetingen met een eindeloze rij ooms, tantes, neven, nichten, vriendinnen en kennissen, van wie zij nauwelijks meer dan de namen meedeelt. In Overschie zelf waren het enkele dorpsnotabelen, met wie zij geregeld omging: een echtpaar Van Kuyk, waarvan de vrouw minstens eenmaal per week een kopje thee in de tuinkoepel kwam drinken en waar de zusters dikwijls 's middags of 's avonds op bezoek gingen, een echtpaar Huysman, een juffrouw Luchtmans en een zekere heer Verboon. Al deze mensen waren van haar eigen stand: zij worden de Heer en Mejuffrouw genoemd, zoals de domineesvrouw ook met Mejuffrouw aangesproken werd, ter onderscheiding van allen, die het niet tot een bescheiden mate van maatschappelijke welstand hadden gebracht, maar ook van de bevoorrechten, die zich tot het regentenpatriciaat mochten rekenen, zoals de dames Van Alphen en Meyners, die 's zomers een buiten onder Overschie bewoonden, waar het domineesgezin een enkele keer op bezoek werd genood en die zich Mevrouw mochten laten noemen. Er kwamen steeds veel gasten op de pastorie, Overschie immers lag zo dicht bij Rotterdam, Delfshaven, Schiedam en Delft en was vandaar binnen het uur met de trekschuit te bereiken. In al deze steden hadden Ds. De Fremery, zijn vrouw en zijn schoonzuster hun vrienden, kennissen en bloedverwanten en bezoeken over en weer behoorden tot de evenementen, die wat afwisseling in de sleur van het dagelijks bestaan brachten. Als de zusters inkopen moesten doen, waarvoor ze in het dorp niet terecht konden, wat minstens tweemaal per jaar gebeurde, gingen zij met de schuit naar Rotterdam en gebruikten er dan de maaltijden of de thee bij de families Baelde, Mees en Van Schelle of bij "neef" De Ver, waar zij altijd hartelijk welkom waren.
Tot de geregelde gasten op de pastorie behoorde "nicht De Fremery", vermoedelijk een tante van de predikant, die veel invloed had op Jacoba en haar ook tot het aanleggen van haar dagboek heeft aangespoord. Verder Jacoba's zuster Johanna, echtgenote van de Haarlemse predikant Ds. Gijsbertus de Brouwer, een spotvogel, met wie zij het veel minder goed kon vinden dan met zuster De Fremery en die haar vaak reden tot ergernis gaf door haar schimpscheuten op de "fijnen", tot wie Jacoba het zich tot een eer rekende te behoren. Ook haar broer kwam vaak in Overschie logeren. Zoals in zijn familie gebruikelijk was, was hij voor het herderlijk ambt bestemd. Jacob was erg aan deze jonge proponent gehecht en deelde in zijn verdriet, als hij telkens weer zijn hoop op een beroep zag opgaan. En toen de kerkelijke raad van Spanbroek het ten langen leste aandurfde, was het Jacoba, die in Haarlem inkopen met hem ging doen en de kille pastorie in het Noord Hollands dorp voor hem inrichtte. Met hem onderhield zij een levendige briefwisseling, evenals met de organist Johannis Oyers uit Leiden, die voor haar en haar zuster de rol van geestelijke raadsman vervulde, en zo nu en dan zijn intrek nam in de pastorie. Ten slotte waren er ook nog de vele predikanten op kerkvisitatie of op weg naar een classicale vergadering die op de doorreis een of meer dagen in de gastvrije predikantswoning kwamen doorbrengen of er alleen maar kwamen eten, al dan niet vergezeld van hun echtgenoten, en de kennissen uit Overschie, Kethel of de naburige steden, die een kopje thee in de tuinkoepel kwamen drinken.
In het dagboek treden deze personen geen van allen op de voorgrond, hoe vaak hun namen er ook in genoemd worden. Zelfs de figuren van Ds. De Fremery en zijn vrouw maken zich niet van de achtergrond van het gebeuren los; want dit gebeuren is het avontuur van een ziel, een onsterfelijke ziel, gekerkerd in een tegenstrevend lichaam, doch tot een hoger leven geroepen en van de invloeden die daar ten goede of ten kwade op inwerken. We hebben hier geen relaas van dagelijkse gebeurtenissen voor ons, zich afspelend binnen het kader van de Overschiese dorpsgemeenschap, geen kritiek op plaatselijke toestanden, geen chronique scandaleuse, geen politieke beschouwingen - dat alles telt niet mee waar het heil van de ziel op het spel staat - maar een reeks van naar binnen gerichte overdenkingen en inwendige belevenissen, niet vrij van de hoogmoed der nederigheid, maar toch ook niet van vlagen van zelfverwijt en vertwijfeling over eigen zondigheid, kortom de kroniek van een ziel, de ziel van een ingetogen, bedeesde, devote jonge vrouw van een delicate gezondheid, verweesde predikantsdochter, opgegroeid in een milieu van bevindelijke vroomheid, een sfeer waaruit zij zich niet wilde en, met haar middelmatige intelligentie en aangeboren schuchterheid ook niet kon losmaken; van een jonge vrouw, die, zonder veel middelen na het overlijden van haar vader achtergebleven, het genadebrood moest eten ten huize van haar gelijk geaarde zuster, die het geluk had gehad een predikant haar hand te hebben kunnen schenken.
Samen met die zuster, daarbij geholpen door een gedienstige, die zij dagelijks met twijfelachtig succes in de grondbeginselen des geloofs trachtte te onderwijzen, verrichtte Jacoba de huiselijke bezigheden in de Overschiese pastorie: naai- en verstelwerk, was, inmaak, slacht, e.d. Maar haar gedachten vertoefden te midden van die beslommeringen bij het heil van haar eeuwige ziel het knagend besef van haar tekortkomingen, het onafwendbare naderen van het uur, waarop zij, ja vooral zij, met haar broze gezondheid, wie weet hoe spoedig, voor Gods rechtersstoel zou moeten verschijnen. Geestelijk voedsel vond zij in de geregelde kerkgang ('s zondags tweemaal en bovendien op woensdagavonden) waar "Broer" of een andere predikant uit de classis voorging, in stichtelijke gesprekken met gelijkgestemden en in piëtistisch getinte lectuur.
439 Het ambt van doodgraver in de 18e eeuw in Hillegersberg
In dit artikel zal een overzicht gegeven worden van een eeuw begraven binnen de gemeente Hillegersberg. Hoewel dit onderwerp nu niet direct van opgewekte aard is, moeten wij het toch onder ogen durven nemen, want rijk of arm, oud of jong, ieder zal tenslotte met de doodgraver in aanraking komen. De Prediker vergelijkt ons lichaam met een huis, dat langzamerhand gesloopt wordt, en waaruit het leven wegebt. De vensters worden tenslotte niet meer geopend, zij zijn niet langer verlicht, de deuren aan de straatzijde gaan steeds minder open, het stemgeroes wordt zachter om tenslotte geheel te verdwijnen. De bewoner is vertrokken op een laatste reis naar de Eeuwigheid , want de Huisheer heeft hem geroepen. De Dood komt evenwel niet alleen bij oude mensen, maar hij
"spaart noch zoete jeugd,
noch gemelijke ouderdom".
en wat ook in de loop der tijden veranderd moge zijn, de smart om het heengaan van iemand is dezelfde gebleven evenals de troost, dat de dood slechts een overgang naar een beter leven is. Onder onze vaderen onderschreven velen de woorden van Willem Gnapheus (1531). "De droefenis en de wee des doods wordt door deze hope wel verwonnen. De dood maakt den zonden een einde, hij lost ons van veel cativigheid ende verdriet, hij voegt ons bij God ende zendt ons voort int eeuwig leven".
Was de overledene Protestant dan had de predikant, de vermaner of de ziekentrooster met hem nog gebeden en was hij of zij Rooms, dan was het de pastoor of een rondreizend missionaris, die hem of haar in het geheim bediend had. Wanneer de laatste adem gevloden was, hadden de nabestaanden hem of haar de ogen dichtgedrukt, het huis voorzien van tekenen de des doods en de zorg op zich genomen voor de teraardebestelling.
Het openlijk rouw dragen was in de eerste tijd der Republiek door de Gereformeerde Kerk wel niet verboden, maar zij had toch de gelovigen de raad gegeven zich zoveel mogelijk te onthouden van deze uiterlijke dingen. De gewoonte bleek echter te sterk en het rouw dragen werd feitelijk mode. Men kleedde zich dus in dof zwart en droeg bij de begrafenis de welbekende lamfers, de randen werden neergeslagen, de mannen waren gehuld in rouwmantels, terwijl de vrouwen rouwhulken om de schouders geslagen hadden. Evenals tegen het overdadig rouw dragen was de Gereformeerde Kerk gekant tegen deze pompeuze begrafenissen, maar ook hierbij was het vaak vechten tegen de bierkaai. Geregeld moest tegen de overdaad door de overheid geprotesteerd worden.
Kerkhoven bevonden zich rond de kerken, maar het was deftiger, om niet te zeggen geloviger, de lichamen binnen de kerkmuren te begraven. In het koor ter aarde besteld te worden was slechts voor de aanzienlijken weggelegd. In de loop van de 17de eeuw werd wel eens geageerd tegen het begraven in de kerk, maar pas in de 18de eeuw lieten de spectators hiertegen hun stem horen uit overweging van besmettingsgevaar. In 1770 werd de Doopsgezinde Utrechtse predikant Marten Schagen in de Bildt begraven "opdat hij de levenden niet zou schaden". Deze zielenherder was evenwel een nieuwlichter. In vele plaatsen werd op bepaalde uren, zolang het lijk boven aarde stond, en tijdens de begrafenis de kerkklok geluid. Dit sonore, plechtige geluid wilde men niet missen, maar het was feitelijk het enige ceremonieel, want al werd bij menige Gereformeerde begrafenis nog tot ver in de 18de eeuw de lijkkist bij geopende groeve geplaatst en "erover" gezongen, dit gebruik verdween ook en onze vaderen deden het voortaan zonder lijkdienst, zodat op het einde van die eeuw een Engelsman over ons kon schrijven: "Bij deze natie is tijd te kostbaar om te worden verdaan met plichtplegingen, die de dode toch niet kunnen terugroepen. Daarom geen gebeden of liederen. De kist wordt aanstonds in de groeve neergelaten, de kuil gevuld en de familieleden keren terug naar hun werk".
Thans wordt het tijd ons eens met Hillegersberg bezig te houden. De schoolmeester van Hillegersberg o.a. was belast met het ambt van doodgraver. In het begin van de 18de eeuw werd het ambt bekleed door Elbertus Leeflang, die in het bezit was van een instructie van 25 augustus 1668, waarin een drietal artikelen gewijd waren aan het doodgraversambt. Deze vermeldden, dat de doodgraver wekelijks een naamlijst der begravenen moest inleveren bij de schout en de secretaris en dat hij maandelijks aan de kerkvoogden een staat moest zenden, waarop de bedragen, welke hij voor het begraven en beluiden ontvangen had, vermeld stonden. In deze instructie wordt verwezen naar een kerkelijke ordonnantie op het begraven. Vermoedelijk werden in deze afkondiging slechts onkosten vermeld, hetgeen ook kan voortvloeien uit het feit, dat de doodgraver verplicht was een exemplaar in de kerk op te hangen. Op 31 december 1717 was Leeflang overleden en na veel geharrewar, waarbij de burgerlijke autoriteiten tegenover de kerkelijke stonden, was in juli 1718 Johannes Kindt benoemd. De nieuwe doodgraver werd spoedig het mikpunt van verdachtmakingen. Wat was het geval?
Op zekere dag in juli 1719 waren Leendert Foppen Borgh als metselaar en Bartholomeus Overgaauw als timmerman werkzaam in de dorpskerk van Hillegersberg. Zij hadden toen waargenomen, dat Wouter van Hees in een geopend graf stond, terwijl zich naast de groeve de doodgraver, kladschilder Johannes Arondeus en diens knecht bevonden. Deze personen voerden blijkbaar een sadistisch spel op, want op een berg zand lag een menselijke romp, waaraan het hoofd ontbrak, terwijl aan de ene arm de hand en aan de andere de gehele beneden-arm ontbrak. Zij hadden tot hun grote schrik ook gezien, dat delen vlees op het zand lagen. Vol ontzetting hadden zij dit gruwelijk gebeuren aanschouwd en met afgrijzen hadden zij er met Willem Kievit, die juist in de kerk kwam, fluisterend over gesproken. Die nieuwe schoolmeester moest een heksenmeester zijn, die menselijke vleesdelen nodig had voor de bereiding van zijn duivelse medicijnen. Dit verhaal was het welkom signaal en spoedig zal men het wel aangedikt hebben en kon men griezelen bij de verhalen over ijselijke gebeurtenissen, die zich in de kerk afspeelden. Het sombere jaargetijde maakte alles nog spookachtiger en op 5 oktober had Neeltje, de weduwe van Ingen Simonsz Bonefaes iets op het kerkhof gehoord.
Zij was niet bang en zij had eens poolshoogte genomen en toen had zij gezien hoe Kindt en Van Hees zich onledig hielden met het stukslaan van doodkisten, terwijl Van Hees als een ware duivel met behulp van een haak de lijken uit de kist trok om deze daarna naar de zuidzijde van de consistoriekamer te slepen en ter plaatse oppervlakkig te begraven. Anthony Manicourt had het vervolg van deze heksensabbat waargenomen, want hij had de volgende morgen om ongeveer 10 uur gezien hoe de bruine hond van Leendert Foppen aan de zuidzijde van de consistoriekamer een stuk vlees had opgegraven om er tenslotte met de zwarte hond van meester Kindt over in gevecht te komen. Dit hondengevecht was door meerdere personen waargenomen en toen Dirc Fluysse Verheul in het dorp nog een rib gevonden had, was de afkeer van meesters praktijken wel tot het hoogtepunt gestegen. De kerkvoogden Gerrit Brillenburg en Adriaan van Ter Bregge wilden het hunne ervan hebben en zij wandelden eens naar het kerkhof. Zij hadden het zo ingericht, dat zij meester aantroffen bij de ruimingswerkzaamheden, maar zij hadden niets verdachts kunnen waarnemen. Zij waren daarop, misschien ter geruststelling van de goegemeente, gezellig gaan kouten in het Schoolmeestershuis en onder genot van een pijptabak en een kroes bier hadden zij over koetjes en kalfjes gepraat. Het dorpspraatje was daarmede echter niet van de baan. In de avond van 6 oktober liep de zwaar beschonken Anthony Manicourt door de gemeente en hij zal wel gezongen hebben over de gruwelijke ontdekkingen van die morgen. Tenslotte klopte hij om 11 uur bij het huis van de schout aan teneinde deze mededeling te doen van de vreselijke gebeurtenissen, die zich in de gemeente afspeelden. De schout, hoewel overtuigd dat het dorpsgeroddel betrof, besloot de kerkvoogden te ontbieden tegen de 9de oktober om 18 uur.
De twee kerkvoogden deelden de schout Allert van den Duyn mee, dat zij niets bijzonders ontdekt hadden, maar toen kwam van Ter Bregge nog met een verhaal. Hij was die middag eens naar het knekelhuis gegaan en daar had hij een menselijke romp zonder armen of benen gevonden, waaraan echter nog vleesdelen waren. Toevallig was de herbergier Adriaan Jansz van Dijk getuige geweest van het daarop volgende onderhoud, dat hij met de doodgraver gevoerd had. Na enige discussie had Kindt gevraagd of de kerkvoogd het beter vond, wanneer het geraamte weer begraven werd, hetgeen Ter Bregge bevestigend beantwoord had, waarop de herbegrafenis plaatsgevonden had. Een en ander werd door de schout als kennisgeving aangenomen. Ter Bregge zwijgt echter niet. Deze ambtsdrager tracht de schoolmeester, die door de burgerlijke autoriteiten benoemd is, ten val te brengen.
Een tweede persoon, wiens naam in dit verband geregeld genoemd wordt, is de schilder Johannes Arondeus. Hij zou de stamgasten van de herberg van Matthijs van Heel geregeld onthaald hebben op griezelverhalen van het sinistere duo Kindt-Van Hees. Hij zou de zegsman geweest zijn van het verhaal, dat Kindt een lijk, dat slechts drie maanden geleden begraven was, opgegraven had om het daarna met een schop aan stukken te stoten teneinde er het vet uit te halen, dat hij dan braadde en verkocht. De schilder, die geregeld bij Kindt aan huis kwam, kan een agent provocateur geweest zijn, maar hoe het zij, hij heeft al deze verhalen als verdichtsels gekwalificeerd. Wanneer enkele personen bij hem aankloppen om een en ander schriftelijk vast te leggen weigert hij dit en zegt tot deze lieden: "dat hij Arondeus zig liever leevendig liet van malkander scheuren dan iets tot laste van een eerlijk man te attesteeren 't geen bij hem nooit gezien was". Het zal de vraag zijn of hij deze woorden gestand wilde doen, maar op de 5de februari 1720 scheen het bijna werkelijkheid te worden. Op de avond van die dag was de schilder in het huis van juffrouw Stroom in het Zwaanshals en de kwestie was wederom ter sprake gekomen. Coenraed Casteleyn had hem van onoprechtheid beticht, waarop een vechtpartij ontstaan was, waarbij Arondeus op de grond geworpen was en Casteleyn hem de keel dicht geknepen had tot "dat hij van benaeutheyt paers en blaeuw wert". De schilder was tenslotte bevrijd, maar hij zal wel enkele benauwde ogenblikken doorgebracht hebben.
Uit het bovenstaande blijkt, dat er reeds personen waren, die schriftelijke verklaringen verzamelden. Deze personen wilden alles officieel doen vastleggen en op 19 en 22 oktober verschijnen verschillende mannelijke en vrouwelijke ingezetenen van Hillegersberg bij notaris Herbert van der Mey, die een protocol opmaakt van het hem meegedeelde. Bij deze personen bevindt zich ook kerkvoogd Adriaan van Ter Bregge.
440 ZEDENBEDERF
Sal gelet worden op de wijntaphuysen, geen herbergen sijnde, die soo seer vermenighvuldigen in de stadt ende bevindende eenige exorbitantiën, sullen sonder versuym de vergaderinge worden bekent gemaeckt en sal daer op nader acht worden genomen; sal yder predicant in sijn quartier daerop het ooge laeten gaen en soo daer onder de ledemaeten soodanige sijn, deselve bysonder aenteyckenen.
Resolutiën van de kerkeraad der publieke kerk
d.d. 11 Mei 1661
441 Drie Rotterdamse Watergeuzen
Bestudeert men de lijst van namen der bekend geworden Watergeuzen uit het tijdvak van 1568 tot de zomer van 1572 - na die tijd kan nauwelijks nog van Watergeuzen gesproken worden, wijl de Prins van Oranje in juli 1572 alle oude kaperbrieven introk en aan de geuzenvloot meer het karakter van een staatsvloot verleende -, dan valt het op, dat men daarop zo weinig Rotterdammers vermeld vindt, wellicht nog geen tien op een goede vijftienhonderd. Verbazing behoeft dit echter niet te wekken, want Rotterdam was in die tijd slechts een kleine vissersplaats met een luttel aantal inwoners
Van de Rotterdamse Watergeuzen nu was Jan van Troyen wel de meest op de voorgrond tredende. De drie Watergeuzen waren Jacob Ruymvel, Anthonis Claes zone Moelenaer en Cornelis Dirix zone Calffvel, wier namen voorkomen in het Rijksarchief te Brussel in een ontdekte interessante correspondentie tussen de Raad van Beroerten en de Magistraat van Rotterdam. Ook de brief van Rotterdams vroede vaderen aan de Raad van Beroerten geeft over het leven van deze mannen geen uitsluitsel. Slechts wordt daarin het vermoeden uitgesproken, dat Moelenaer en Calffvel op de kust van Groningen gesneuveld zouden zijn.
Meer bekend is er over Cornelis Dirixz. Calffvel. Uit verschillende bronnen stammende gegevens kan zijn levensloop als volgt geconstrueerd worden: Hij was de zoon van Dirck Cornelisz. Calffvel. In 1551 komt zijn naam te Rotterdam voor het eerst voor. Hij handelde waarschijnlijk in vee, huiden of vlees. In 1553 komt zijn naam voor in het kohier van de tiende penning op de huizen als "Calffsvel, pauper", hij woonde in het stadsdeel gelegen tussen Hoofdsteeg en Rijstuin. Hij werd niet aangeslagen, maar in een ander kohier wel, namelijk voor V11 ponden Vlaams. Hij had drie zoons en ging later in Dordrecht wonen. Op welke datum Calffvel precies bij de Watergeuzen kwam, is niet bekend. Vast staat daarentegen, dat hij in november 1570 diende op het Geuzenschip van de beroemde Nicolaes Ruychaver en in die tijd op de Zeeuwse stromen het marktschip van 's-Hertogenbos plunderde. Vermoedelijk diende hij verder nog onder Dirck Duyvel en Jan Claesz. Spiegel. Op 31 maart 1572 werd hij door Alva verbannen en op 16 april 1572 volgde de afkondiging van het vonnis. Later is zijn naam niet meer genoemd.
Tenslotte moet er nog iets gezegd worden over Johan Gysbrechtsz. Coninck, die, zoals bleek, de drie Rotterdamse Watergeuzen aan de Raad van Beroerten verried. Coninck was de vader van een bekende Watergeus uit Dordrecht. Deze Gijsbrecht Jansz. Coninck , was in het najaar van 1570 bij de aanslag op de Prins van Oranje op Dordrecht tussenpersoon. In het geheim onderhandelde hij met de burgers van Dordrecht in het huis van zijn vader en oom. De aanslag lekte echter uit, Coninck Jr. wist te ontsnappen, maar zijn vader werd gegrepen. Later te Brussel verhoord, maakte deze de namen van Ruymvel, Moelenaer en Calffvel bekend. Veel hebben hem zijn bekentenissen echter niet mogen baten. De brandstapel moest hij toch beklimmen.
BRIEF VAN DE REGEERING VAN ROTTERDAM AAN DE RAAD VAN BEROERTEN.
Rotterdam, 2 maart 1572.
Hooghe Edele en Vermoeghende Heeren. Wij hebben upten XXVJen der voorleden maendt ontfangen van Zijne Excellentie zeeckere missive van date des XVJen der selver maendt, bij de welcke ons geordineert werdt te procederen tot apprehensie oft bij faulte vandyen tot personele dachvaerdinghe, van Jacob Ruymvel, Anthonis Claes zone Moelenaer ende Cornelis Dirix zone Calffvel schippers alhier, beroerende welcken wij Uwer E. adverteren mits desen dat naerdyen de vorseiden personen overmits heurlieden absentie ende meer andere quade suspitien voor ons in persone gedachvaert waeren, tegens d'selve overmits heurlieder non comparitie zoe verre geprocedeert es datter alreede eenige deffaulten tegens hemluyden gedecerneert sijn, ende souden oick alle gebannen geweest hebben dan alsoe wij genouch zeeckerlick onderrecht sijn dat d'voorscreven Calffvel ende Moelenaer omtrent die stadt Groeningen in zee onder de piraten wesende geslaghen zijn, zoe hebben wij mittet voirscreven bannissement gesupersedeert gehadt. Ende voor zoe veel als aengaet de voorscreven Ruymvel, zoe wij verstaen dat de zelve noch in levende lijffve es, zal eerst sdachs tegens den selven geprocedeert werden tot bannissemente. Voorts beroerende heurlieden goeden en connen wij nyet vernemen dat zijlieden eenige hebben, anders hadden wij daer van pertinente annotatie over lange tijt gedaen gehadt.
Hooge Edele ende vermogende heeren, ingevalle Uwer E. nyet jegenstaende tvoorscreven proceduren yet anders jeghens dvoorscreven personen begeert gedaen te hebben sullen wij tallen tijden bereyt wesen tselve te volcomen. Hooge Eedele Heeren Godt almachtich gelieve U.E. te sparen lange in gesontheeyt. Uuyt Rotterdam den 1Jen Martii anno XVc twee ende tseventich stilo communi.
Wes wij vermogen Uwer E. dienaers
Baelliu Burgemeesters ende Schepenen der stede van Rotterdamme.
Adres: Hooge Eedele vermogende Heeren mijne Heeren vanden
Raede van de Coninglijcke Majesteit wesende beneffens
die Excellentie van de hertoge van Alva Gouverneur.
Tot Brussele.
Recepta le X111Je de mars 1572 stil de Rome.
442 Hoge graanprijzen in 1789
De graanprijzen waren in 1789 ongehoord gestegen, zonder blijkbare oorzaak. In de provincie Holland besloot men van overheidswege de prijs van een last graan en die van het brood te bepalen; wat de bakkers voor een last graan meer moesten betalen werd hun uit de stedelijke kas vergoed; zo werd de schade verdeeld onder het publiek, dat het brood duurder moest betalen; de bakkers, die in die verhoogde prijs hun onkosten toch niet goed maakten, en de stedelijke kas, die een gedeelte van de hoge prijs der granen droeg. Het vaststellen en ten uitvoer leggen van deze maatregel gaf Gijsbert Karel van Hogendorp veel te doen. Van Hogendorp doet over het geval een uitvoerige mededeling, welke besloten wordt met : "J'ai exposé" enz. Dan komen twaalf regels Franse tekst, waarvan de inhoud is: de mensen zijn tevreden over Gijsbert Karel, deze over zichzelf, en dat hij niet meer de roem wil najagen.
In het begin van 1789 begon zich in Spanje en Frankrijk een schaarste aan granen te vertonen, hetgeen wegens de strenge winter, die goede verbindingen uitsloot, niet van directe invloed was. Toen de vaart weer vrijkwam, begon de uitvoer, waardoor de prijzen opliepen. Dit verontrustte niet, want straks zouden de Oostzeelanden voldoende afleveren. In mei was de belemmering voor de Oostzeevaart opgeheven, maar men zag een menigte ladingen met granen uit de grote en kleine Oost onze kusten voorbij en rechtstreeks naar Frankrijk en Spanje varen, zodat de Republiek het vierde part niet ontvangen heeft van hetgeen andere landen hebben getrokken.
Deze mededelingen worden enigermate bevestigd door de cijfers van de graaninvoer in de Maashavens, welke de tarwe-invoer zagen dalen van ruim 3000 last in 1788 tot 1015 in 1789 en de rogge-invoer van ruim 12.500 last tot ruim 5200 last, terwijl de uitvoer in beduidende mate toenam. De prijzen liepen op. Ter illustratie: in het laatst van 1788 stond de tarwe op 180 goudgulden het last, in de zomer van 1789 op 370 goudgulden. Deze enorme stijging deed de voorraden snel slinken. Natuurlijk trok het verschijnsel de aandacht, vooral omdat algemeen misgewas niet als oorzaak aan te merken was. Het werd voor geen gering gedeelte toegeschreven aan een plan om Frankrijk in de deerlijkste verlegenheid te storten, door gebrek aan de behoefte des levens, hetwelk zich in dat Rijk reeds onder een schrikbarende gedaante deed zien.
Hoe stond men in Rotterdam tegenover de bemoeiingen van hoger hand? "Bij ons", aldus verhaalt de pensionaris, "was Van der Heim niet ongenegen tot een bepaald verbod van uitvoer" (van granen; daar was namelijk van Zeeuwse zijde over gesproken). "Naderhand was hij zelfs voor een verbod der inlandse granen, en zou hij de laatste deliberaties hier gaarne doorgedreven hebben, dat wy geproponeerd hadden om de Gedeputeerden der Generaliteit te autoriseren, de verdere bondgenoten te onder-tasten, en, was het mogelijk, zulk een verbod te bewerken. Hy vreest, dat de regeering door het volk zoude kunnen gedwongen worden, tot hetgeen zij nu nog met houding kan doen".
Intussen had de regering van Amsterdam aan de bakkers toegezegd, dat hetgeen zij boven de 265 goudguldens per last tarwe moesten betalen, uit de stedelijke kas zou worden bijgepast. Dit was niet naar smaak van de raadpensionaris, die van de Amsterdamse maatregel niet in kennis gesteld werd en hem van derden had moeten vernemen. Gijsbert Karel noteert echter, dat Van de Spiegel meer de lage prijs afkeurde dan de maatregel zelf, omdat "de goeddoening ontzachlijk hoog zou komen te staan". De raadpensionaris, die niet anders kon, dan het Amsterdamse voorbeeld volgen, wilde regeringsvoorraden voor de winter reserveren en de prijs van de tarwe op 290 goudguldens fixeren en het brood op 282, welke schade de bakkerij best kon dragen. Hij slaagde er in Van der Heim tot zijn inzicht over te halen. Aldus vertelt Gijsbert Karel het: "Toen op eenen ogtend met Van der Heim by hem zittende, deedt hy deezen de goeddoening op den gemelden voet aanneemen, hoezeer dezelve tegen de kosten opzag, en, op dat oogenblik, voor eene tegemoetkoming aan de onvermogene ingezetenen alleen scheen te zijn". Gemakkelijk gaf Van der Heim zich niet gewonnen, want Gijsbert Karel noteert nog: "In zyne antichambre sprak Van der Heim met my af, hoe de zaak by ons aan te leggen en zuggte nog verscheidene reizen over de zwaare kosten, die er aan gedaan zouden worden". Dat Van der Heim bij zijn pensionaris weinig steun gevonden zal hebben voor een uitvoerverbod, ligt voor de hand. Te Rotterdam ging de zaak door. In de tweede helft van juni 1789 werd de prijs gefixeerd met terugwerkende kracht van 16 juni af. Ook kocht in de loop van de zomer het stedelijk bestuur, mede op advies van Van de Spiegel, graan in. Tussen Gijsbert Karels papieren bevindt zich nog een notitie omtrent de hoeveelheden stadsgraan, welke op 3 september 1789 voorradig waren.
Op 8 juli begon de zitting van de Staten van Holland en aanstonds kwam de zaak ter sprake. Bij de autoriteiten scheen geen eenstemmigheid te bestaan. Van de Spiegel wilde de prijs fixeren op 290 en adviseerde: "den voorraad te bewaaren en eene goeddoening aan de bakkers te geeven". Een week later evenwel (ik citeer Gijsbert Karel) "in een besogne over deeze zaak, hoorden wij de Gec. Raaden geheel anders praeadviseeren. Zy wilden tegen den by ons bepaalden prys (hieruit schijnt te volgen, dat Rotterdam toen nog alleen stond) graanen uit 's lands voorraad afleveren, en repten van geen goeddoening. Wij bleeven by onze gedagten, of veelmeer by die van den Raadpensionaris in het besogne met Van der Heim en my. Veele Leden vielen ons toe, maar wilden de goeddoening uit 's lands kas voor de steden mede bedingen. Daar kwam de Raadpensionaris tegen op, en droeg voor, dat de stemmende steden voor zig zelven en Gec. Raaden voor het platteland zouden zorgen. Wy ondersteunden die voordragt, Amsterdam sprak ze niet tegen, maar de onvermogende steden schreeuwden hard". Tenslotte kwam op 28 juli een provisionele resolutie tot stand, geldend tot 1 oktober, "volgens welke de voorraad zou bewaard en de goeddoening door G. R. van beide Quartieren ten platten lande, door de regeeringen der steden aan haare bakkers verstrekt worden". Daarna gingen de Staten uiteen.
Eind augustus echter trad op de Amsterdamse graanmarkt een "schielyke daaling" in: de Poolse tarwe of baktarwe kwam er op 255 à 270 goudguldens en de rode tarwe, welke onder de Poolse gemengd werd, op 240 à 255 gg. het last. Deze daling had generlei invloed op de prijzen te Rotterdam en Dordt. Voor de stad Rotterdam was de situatie niet prettig: Amsterdam was van de goeddoening bevrijd (alleen de lagere prijzen "voor arme lieden" bleven), Rotterdam moest voortgaan met vijftig goudguldens per last bij te passen.
443 De strenge winter van 1608
Een lied uit de strenge winter van 1608,
Medegedeeld door Dr. F.K.H. Kossman
In de Cronycke der Stad Rotterdam van S. Lois (1746) vindt men op blz. 110 de volgende aantekening over het jaar 1608:
Den 31 January donderdag na de middag, quam den Marquis Spinola met veel Heeren van Dordrecht over het Ys langs de Mase, met 40 gelade Paerden, 9 Muylesels, 4 Koetswagons, 150 Sleeden met alle haer Bagagie, en werde vande Heeren der Stad Rotterdam heerlyck verwellekomt ende ingehaelt, en bleef tot Rotterdam vernachten, en vertrock den eersten February met alle syn gevolg na den Hage, om met de Staten van Vrede te handelen. In dit Jaer was het soo harden Vorst, dat op de Maes, voor de Stad Rotterdam, wel 40 Tenten stonden op 't Ys, daer men alles verkocht, en men ree tot Delfshaven met Wage en Paerden langs de Maes: het had in 40 Jaer soo harden Vorst niet geweest.
Evenals in later jaren vond de toegevroren Maas ook toen een lofdichter. Deze ondertekent zijn rijmwerk met zijn naam Van der Woude en zijn zinspreuk "In lyden gheduldich". Andere gedichten van deze rederijker zijn mij niet bekend. In de laatste strofe brengt hij zijn eigen spreuk te pas en in het slotvers die van de Rotterdamse rederijkerskamer "De blauwe Acoleyen" "Met minnen versaemt". Het lied bleef bewaard in een klein drukwerkje van 8 bladzijden, dat tevens een dergelijk dichtstuk over de ijsgang op de Schelde voor Antwerpen bevat. De volledige titel van dit boekje, waarvan de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage een exemplaar bezit (Pamflet no. 1564) luidt aldus:
Een Vvarachtich Verhael vanden grooten Ys-ganc die gheweest is inden Jare 1607, ende inden Jaren 1608 opde Schelde, waermen veel wonders ghesien heeft: ghelijc ghy hooren sult. Ende vanden stercken Vorst voor Rotterdam opde Mase, alwaermen veel schoone triumphen bedreven heeft, dwelc hier al in verhaelt is. Tot Rotterdam, houtsnede by Jan van Ghelen, inde West-waghestraet, inden witten Hasewint. 1608.
Deze Jan van Ghelen was een uitgeweken Antwerps boekdrukker, de derde van die naam, die de belangrijke werkplaats van zijn vader en grootvader aldaar voortzette van 1577 tot 1597, zich vervolgens in Maastricht vestigde tot 1604, en tenslotte te Rotterdam werkzaam was tot zijn dood in 1610. Hij woonde daar 1606 in de Nieuwstraat, verhuisde in 1607 naar de West-wagenstraat of Delftse Wagenstraat, trok in 1608 naar de Hoofdsteeg, en woonde in 1610 op de Hoogstraat bij de Spui, waar zijn weduwe nog in 1611 zijn werk voortzette. Bij al deze omzwervingen bleef hij trouw aan het drukkersmerk, dat hij en zijn voorvaderen reeds te Antwerpen voerden "Inden witten Hasewint", met de spreuk "Vide numquam polluta" (Met nimmer bevlekte gezindheid). Het Antwerpse lied, op de wijse "Gheeft my te drincken na mijnen Dorst", heft aan: O Heer hoe wonderlijc is u werc, bestaat uit 12 strofen van 8 verzen en is ondertekend: In Liefde groeyende. P.R. Het vertelt niet alleen van de genoegens op het ijs, maar ook van de gevaarlijke afloop van al het vermaak, toen de dooi inzette en wel 300 mensen op de schotsen werden meegevoerd, wat echter tenslotte toch zonder ongelukken afliep.
In 1608 reed Spinola over het ijs, zoals Lois vertelde, om over de vrede te gaan onderhandelen. In 1621, toen het 12-jarig bestand ten einde liep, was de Schelde weer dichtgevroren. Daarvan vertelt "Een Nieu Liedeken vande sterckte des ijs, alsoomen over 't Schelt gaet by Antwerpen, den 20. Februari, 1621", gedrukt T'Hantwerpen, by Abraham Verhoeven, op de Lombaerde Veste; eveneens een boekje van 8 bladzijden groot, bewaard in het Museum Plantijn te Antwerpen, en beschreven in de Bibliotheca Belgica, 2e serie XV11, nr. L 618. Het lied bestaat uit 19 strophen van 8 verzen, op de wijs van het Wilhelmus, en is ondertekend P.R.L.: niet onmogelijk is dit hetzelfde als de Antwerpse ijszanger van 1608.
De bevroren Maas werd later nog bezongen door de niet met name bekende dichter van het wonderlijke bundeltje: 'T Scheeps Oorlogs-leeven in eenen Dag-bespiegeling waar agter myne Scheeps Uitspanningen; onder de spreuk Homo est Homine (sic) Lupus. Te Rotterdam. By J. Hendriksen, in het Hang, het derde Huis van de Groote Markt, 1784. Onder deze uitspanningen vinden wij op blz. 104-108 een gedicht in 9 strophen van 12 verzen, getiteld: Ysvermaek, of Kermisvreugd op de Maes voor Rotterdam, in de maend January 1784. Deze dichter geeft, nog uitvoeriger dan in het lied dat wij hieronder afdrukken, allerlei straat-en marktroepen weer van kooplieden en kermisgasten, die de aandacht van de voorbijgangers trachten te trekken; en elk van zijn strophen loopt uit in denzelfden slotregel: "'t Is Kermis op de Baeren!".
En in 1855 verscheen een gehele bundel: Het ijsvermaak op de Maas te Rotterdam, in Februari 1855; een reeks gekleurde steendrukken naar tekeningen van G.J. Bos, met toepasselijke prozastukjes en gedichten van letterkundigen uit die dagen. Zoals G. van Reyn in zijn inleiding daarbij in herinnering brengt, waren ook in de jaren 1776, 1784 en 1838 prenten verschenen, die hetzelfde drukke bedrijf op de Maas in beeld brachten. Dit boek en deze prenten uit de 18de en 19de eeuw zijn bij de Rotterdammers nog wel algemeen bekend. Het lied van 1608 worde hier thans opnieuw in hun belangstelling aanbevolen.
HIER NAER VOLCHT VANDEN STERCKEN VORST VOOR ROTTERDAM OPDE MASE: OPDE WIJSE:
Alsmen een duysent vijfhondert iaer Met de reprince:
Int openbaer "begostmen daer.
Godts wonder daden men aenschout
Int Jaer acht boven sestienhondert
Want HIEMS als een vorst seer stout
Regeert seer streng en brenght ons ondert
Vriesen subject geen wt ghesondert
Nu SOL in AQUARIUS dwaelt
Elc mens is daer door verwondert
Want dees Vorst tgansche lant bepaelt
Der vriesen Vorst "ons strenghelijc porst
Tis al staet by Turf, Hout "tis kout
De vriesen fel "sijn nu int spel
En maken ons benout.
In plaets daer men te varen plach
met Schuyten, Schepen en Galeyen
Sietmen nu rijden dach aen dach,
met Paert en Sleen in dees contreyen,
menich arm mensch macht wel beschreyen,
door koude als pover ghestelt,
maer den Rijcdom gaet haer vermeyen,
Opt ijs al waert int groene velt.
Paerden en Sleen "zietmen certeen
Nu rijden sonder erch "ten Berch
Na Dort Dergou "met Man en Vrou
Schoonhoven ic ooc verch.
Voor Rotterdam over de Maes
Sietmen nu gaen wenden en keeren
Van Delft somighe voor een solaes
Komen vrymoedich herwaerts veeren
wt s Graven Haegh veel groote Heeren
van Amsterdam en Leyden koen
die van Haerlem over de meeren
tis naet Maes diep dats al haer spoen
Noyt oogh en sach "sulcken ghewach
wantmen daer heeft ghesien "veel lien
wt vremde steen "komen alleen
om twonder te bespien.
Vier ende veertich Tenten hooch
Waren gestelt opt diep warachtich
Wt elc een vlagghe lustich vlooch
Al hadt gheweest een legher krachtich
Weert en Weerdin riepen eendrachtich
komt in en drinct geloutert bier
Elc in zijn Tent zijt dit gedachtich
schonc Bier of wijn en stocten vier,
Twas een jolijt "in swinters tijt
soot scheen aen elcken kant "playsant
datmen propijs "stocten opt ijs
Het vier al waert opt Lant.
Van als al hadt gheweest in Stat
was daer te koop als koec Kerstaengien
den Poppen Kramer daer ooc sat
En wijfs met Appels van Oraengien
Die gewassen waren in Spaengien
Haringh en Broot twert u vertelt
Boeckingh gekomen wt Britaengien
Elc meer al ander haecte naet gelt.
Den dobbelaer "die riep eenpaer
Onder oft boven raet "hoet gaet
Suyker en kooc "nestlinghen ooc
Tis al tot uwer baet.
Vryers en Vrysters seer vaeliant
Reden met schaatsen vast ghebonden
Als Amoreusen hant aen hant
Hoe wel tkout was nochtans doorwonden
CUPIDOS Schicht na mijn vermonden
menich ionc hert ooc int ghetal
wasser menich diet haer verstonden
die int ghelach sloeghen den Bal.
Tsnaren gheklanc "Trompets aenvanc
twert al opt ijs gehoort "en voort
Boer en Boerin "dansten met min
Elc heeft vreughden bespoort.
Meerder als sestien duymen dan
ist ijs gevrosen binnen dry weken
so dat den Schipper schier een voerman
gheworden is tis klaer ghebleken
Dat sy met Paerden zijn ghestreken
Over het ijs met sleen ghelaen
mijn Heeren bleven niet in ghebreken
maecten een brugh om op te gaen.
Den winter sterc "maect noch int perc
thooft van die geerne poyt "beroyt
dat hy t Sint Jan "qualijc en kan
te deghen zijn ontdoyt.
PRINCE
Orloff o Prins wie dat ghy zijt
Bedenct des winters koude dagen
Eer hy u overvalt subijt
wilt voor de keuke sorghe draghen
Al eer ghy moet brenghen by vlaghen
T Goet tot Noom Jan diet al op schrijft
En oft ghebuerde hoort mijn ghewagen
In lijden gheduldich blijft.
Princesse jent "die excellent
Vreucht met u Lief befaemt "noch raemt
Maect dat ghy gans "aen Venus dans
Sijt met minnen versaemt.
IN LYDEN GHEDULDICH.
Van der Woude.
Woordenlijst:
blz. 208
heerlijck = vorstelijck
met minnen = met liefde of met vriendschap
warachtig = waarachtig
blz. 209
bedreven = tot stand gebracht (of behaald)
blz. 210
Baeren = baren (golven)
blz. 215
merk = merk of herkenningsteken
blz. 211
reprince = herdruk
idem gos (begostmen) = begonnen
idem strenghelijck = op harde wjjze
idem porst = kwelt
idem de vriesen = de vrieskou
idem macht = macht of vermogen
idem beschreyen of bewenen (kan wel huilen)
idem pover = arm
idem ghestelt = in (arme) toestand
idem certeen = zeker of gewis
idem erch = pijn
idem verch = voorstel of vraag
blz. 212
solaes = vermaak of plezier
vrymoedich = ijverig of welwillend
herwaerts = hierheen
veren = varen
koen = onverschrokken, vermetel
mere = meer
naet = nat
spaen = zich moeite voor iets geven, zich beijveren,
in iets belang stellen
ghewach = drukte
diep = vaarwater
legher krachtig = sterk leger
gedachtig = gedenkende
vier = vuur
propijs = gunstig, geschikt
blz. 213
Stat = stad of plaats
Kerstaengien = Kerst
Bockingh = bokking
eenpaer = aanhoudend
boven raet = boven de prijs
nestlinge = jonge vogels
vaeliant = dapper
vermonden = verteld is
met min = met genoegen, plezier
blz. 214
poyt = poetisch (het hoofd op hol brengen)
noom Jan is een eigennaam
ter deghen = geheel, volkomen
jent = gent = sierlijk
raemt = overlegt, beraamt
versaemt = bijeenkomt
444 De schouwburg der Rederijkers
Het derde eeuwfeest van de Amsterdamse stadsschouwburg is voor J.P. van der Weele een aanleiding geweest om een onderzoek in te stellen naar de lotgevallen van de eerste schouwburg, die omstreeks 1631 zijn deuren voor het Rotterdamse publiek heeft geopend. Hoewel deze spoedig weer is gesloten, niet door gebrek aan belangstelling of door onderlinge concurrentie, maar door een overheidsmaatregel, heeft hij niettemin een eigen plaats in het Rotterdamse culturele leven ingenomen. Het besluit om tijdens de kermis ter aanmoediging van een in 1611 door het gasthuis uitgeschreven loterij een "intrede van caemers van rhetorycquen" te organiseren, is kenmerkend voor de toenmalige kunstopvattingen van het stadsbestuur. Het streven van de vroedschap was niet de enigszins in verval geraakte landjuwelen nieuw leven in te blazen uitsluitend ter wille van de kunst. Integendeel. Aan hun besluit lag alleen de bedoeling ten grondslag om de lasten der armenzorg zoveel mogelijk af te schuiven op de goedgesitueerde burgerij, wier belangstelling voor komedie- en rederijkersspelen bekend was. De kunst en met name het rederijkerstoneel werd gebruikt om de taak der overheid te verlichten: de revenuen kwamen ten goede aan godshuizen, waar stadsgenoten werden verpleegd, die niet in eigen onderhoud konden voorzien. Rotterdam bezat niet het monopolie van dit middel om gegoede en kunstminnende poorters en vreemdelingen de onderhoudskosten voor zieken, ouden van dagen en wezen te laten opbrengen. Ook andere steden maakten daarvan bij voorkeur gebruik.
De Rotterdamse rederijkerskamer, die zich de Blauwe Acoleyen noemde en de zinspreuk voerde: Met minnen versaemt, maakte hierop geen uitzondering. Zij kon terugzien op een luisterrijk verleden. In het begin van de zeventiende eeuw betekende zij echter lang niet meer zoveel als tijdens de grote landjuwelen van 1561 en 1598 in de Maasstad. Haar artistieke prestaties kwamen niet meer boven de middelmaat uit. De bloeitijd was voorbij: de kamer was niet meer in staat op prijskampen in naburige plaatsen behoorlijk voor de dag te komen, veel minder nog om deze zelf te organiseren. Er waren nog wel ambitieuze dilettanten te vinden, maar hun kracht lag, ook door gebrek aan bevoegde artistieke leiding, meer in weinig verheffende boert dan in beeldend vermogen. De kluchten en wat er verder van dien aard werd opgevoerd hadden feitelijk alleen nog betekenis als amusement voor de burgerij, die, verzot op berijmde redevoeringen, in groten getale de voorstellingen bezocht. De rederijkers traden ongeregeld op, maar zij waren altijd te vinden op de jaarlijkse kermis in augustus, waar jong en oud, arm en rijk verscheen om zich aan feestvreugde over te geven.
Het is niet te verwonderen, dat een instelling als het Gereformeerde Burger Weeshuis, sedert 1 april 1598 gevestigd in de Goudse Wagenstraat, die voortdurend met geldgebrek te kampen had, al vroeg van de kermis trachtte te profiteren en er voor zorgde, dat althans een deel van het geld, dat de pretlievende burgerij daar met volle handen uitgaf, in haar geldkist vloeide. Daar het rijffel- of dobbelspel zich in een grote populariteit mocht verheugen, wist het Weeshuis in februari 1597 gedaan te krijgen, dat voortaan te zijnen bate jaarlijks tegen Vastenavond en tijdens de kermis dergelijke spelen gehouden zouden worden, waarbij concurrentie uitgesloten was door andere dobbelspelen te verbieden. De invloed van de kerk op de overheid in de eerste decennia der gouden eeuw maakte een einde aan dit wisselvallig kansspel. Daarbij bleef echter buiten het geding de vraag of een instelling als het Weeshuis van de kermis mocht profiteren behalve voor diensten aan exploitanten, zoals het bewaken des nachts van de kramen en tenten tegen betaling van een vierde gedeelte der dagelijkse ontvangsten.
Het lag in de lijn van het eenmaal ingenomen standpunt, dat de weeshuismeesteren, toen het met het dobbelen voorgoed gedaan was, besloten om nu profijt te trekken van de belangstelling van hun stadgenoten voor het rederijkerstoneel. Er was daartoe geen treffender middel dan door dit kunstlievende gezelschap een vast onderkomen te verlenen in hun gebouwen aan de Goudse Wagenstraat. Zij wisten heel goed, dat de burgers ook buiten kermistijd er graag een paar stuivers voor over hadden om naar het optreden van deze dilettanten te komen kijken. Niet ter wille van de kunst dus zorgden de weeshuismeesters voor een behoorlijk ingerichte toneelzaal, maar uit welbegrepen eigenbelang. Want de nauwelijks toereikende fondsen van het Weeshuis moesten noodzakelijk worden aangevuld: de financiële toestand was allesbehalve rooskleurig. Men verwachtte dat dit initiatief toegejuicht zou worden door allen, die den "ouderloosen weeskens, van bloedvrienden verlaten" een goed hart toedroegen. Door dit voornemen, dat ook door de rederijkers met instemming werd begroet, was tevens het voortbestaan der kamer verzekerd en haar positie op vaster grondslag gebracht. De onderlinge band werd versterkt en onenigheid over financiële zaken van te voren uitgesloten, daar de opbrengst der voorstellingen, na aftrek der onkosten, geheel aan het Weeshuis zou worden afgestaan. Al heel spoedig bleken de weeshuismeesteren het bij het rechte eind gehad te hebben. Hun gastvrijheid leverde een financieel succes op, dat de andere middelen, die reeds tot stijving van de kas waren toegepast, overtrof. Het ligt voor de hand, dat de zaal, die ter beschikking van de rederijkers werd gesteld, in het z.g. oosterpand lag, dat zich uitstrekte langs de Goudse Wagenstraat. Niet alleen was dit pand gemakkelijk door een ingang in het midden vanaf de straat te bereiken, maar het verkeerde ook in de beste conditie. Het was gebouwd in 1604, toen het oorspronkelijke gebouw (het zuiderpand, het voormalige, in 1598 verbouwde pesthuis) te klein was geworden voor het voortdurend groeiend aantal wezen. Een rosmolen en een flesbeslagerswerkplaats hebben er het veld voor moeten ruimen.
Er moet door de rederijkers voor het eerst zijn opgetreden tussen 1626 en 1630. Het tijdstip staat natuurlijk in nauw verband met het afschaffen van het dobbelspel, waarvan wij de datum niet weten. Het ontbreken van de rekeningen in het archief van het Weeshuis maakt een nauwkeuriger opgave voorshands onmogelijk, terwijl de resoluties van de weeshuismeesteren (regenten) er met geen woord over reppen, evenmin als de registers van de stedelijke magistraat. De registers van de kerkenraad, die zich ongetwijfeld met het toneelspelen in het Weeshuis heeft bemoeid, zijn eerst vanaf 1639 bewaard. Het verhandelde in de classis van Schieland, die, wanneer er later moeilijkheden rijzen, het lot van de schouwburg in handen heeft, daalt te weinig af in finesses, al zijn deze acta zeer instructief voor de mentaliteit van de kerkelijke autoriteiten ten opzichte van het toneel. Het onder één dak verblijven van rederijkers met wezen, die een Christelijke opvoeding genieten, is niet zo met elkaar in tegenstelling als aanvankelijk schijnt. Natuurlijk handhaven burgemeesters en weeshuismeesters het Gereformeerde geloof, dat met hun staatkundige gezindheid onverbrekelijk is verbonden, maar in hun hart zijn zij lang niet zo puriteins als zij zich voordoen. Daarom trekken zij bij het weeshuisbeheer de scheidslijn tussen wat wel en niet geoorloofd is niet zo scherp. Zij koesteren geen bezwaren tegen de schouwburg, waarin niemand iets verkeerds ziet, noch tegen het zingen van het nieuwjaarsvers door de wezen in de stad, noch tegen het rondgaan als "pinxterblom". Zwaarder dan het zedelijk heil der wezen weegt voor de bestuurders de vraag, hoe in de steeds groeiende behoeften van het huis te voorzien. Eerst later duiken naast deze materialistische opvattingen overwegingen van kerkelijk-politieke aard op.
445 De concertzaal in de Bierstraat
In Petrus Albertus van Hagen, organist van de Grote Kerk, hebben wij de man te eren, die zo stimulerend gewerkt heeft op het Rotterdamse muziekleven in de 18de eeuw, dat zelfs in 1940, na zoveel jaren, de roep die er destijds van hem uitging, nog niet geheel verklonken is. Omstreeks 1714 te Königslutter in Brunswijk geboren, openbaarde hij al spoedig een meer dan gewone muzikale begaafdheid, zodat, naar de Rotterdamse dichter Frans de Haes het beeldrijk uitdrukte:
"Van Hagen uit zijn kindsheit rees
Als 't licht der Kunstenaren
En aen de nooitvermoeide Faem
Zoo rijk een stof bestelde,
Dat zij eerlang met zijnen naem
Naer 't eind der aerde snelde'
Zoodat zich mijter, troon en kroon
Wel vaek gelukkig achtten
In 't luistren naer den schellen toon
Van Petrus' kunstgedachten."
Met andere woorden, Van Hagen was een wonderkind, dat de Rotterdammers zich gelukkig achtten op zeventienjarige leeftijd voorgoed in hun midden te mogen zien en als een der hunnen te beschouwen. Wie de Maecenas geweest is, die hem in staat gesteld heeft, het vermoeiende reizen op te geven en zich, onbezorgd voor de toekomst, blijvend in deze koopmansstad neer te zetten, is een vraag, die gemakkelijker te stellen dan te beantwoorden is; misschien was het wel dezelfde Hugo Cornets de Groot, die ook later een rol in zijn leven zou spelen, en die rijkdom aan zin voor de schone kunsten paarde.
Dat onze musicus zich in 1731 of kort daarvoor in Rotterdam moet hebben gevestigd, blijkt uit een langademig vers, dat de meergenoemde Frans de Haes in dat jaar maakte "Op de luit- en vedelkunst van de heer P.A. van Hagen". Na het spel van de jonge man uitbundig geprezen te hebben ("Is alles Engelenbanket, wat ge op uw' hoogen Kunstdisch zet"), spreekt hij Rotterdam aldus toe:
"Geluk dan, ô mijn Vaderstad,
Geluk met zulken nieuwen schatt',
Ontfang Hem als uw' ingeboren;
Geluk met eenen Kunstenaer,
Wiens weergaê gij, in honderd jaer,
Niet hebt gehoord, of ligt zúlt hooren.
Dat dan, ô Maes, uw zilvren vloed,
Met eerbied, dien Arion groet',
O Rotte, wil den lof ontvouwen
Van dees Amfion, die uw' wal
En Kunstmuur, door zijn kunstgeschal,
Tot aen 't gestarnt' zoekt op te bouwen."
In 1741 kreeg Van Hagen een vaste betrekking als organist van de Oosterkerk. In 1748 kon hij het zich veroorloven, het burgerrecht van Rotterdam te kopen.
Acht jaar later (1756) bevatte de Rotterdamse Courant een advertentie van de volgende inhoud: "Op Zaturdag den 27 Maert sal P.A. van Hagen te Rotterdam ten synen huyse concert houden en door den onlangs uyt Italien gearriveerde zangers Sigre. Baratti, Sigre. Quilici, Sigra. Castelli en Sigra. Barbirie gesongen en o.a. het Stabat Mater door een beroemde Sigre. Pergolesi gecomponeert (waarvan den inhoud soo in het Latyn als Hoogduyts by den voorn. Van Hagen te bekomen is) aldaer geëxecuteert werden: men betaelt voor yder persoon 30 st. en de billietten zijn te bekomen by den Houder des Concerts in de Bierstraat); Begint ten half ses uuren".
Van Hagen hield dus in 1756 openbare concerten te zijnen huize in de Bierstraat. Aangezien concerten destijds bijna uitsluitend door middel van affiches plachten te worden aangekondigd en deze helaas niet bewaard gebleven zijn, vormen de couranten, waarvan de advertentierubriek in de 18de eeuw nog maar heel beknopt is, vrijwel de enige bron voor onze kennis van het muziekleven, waar brieven en memoires over dit onderwerp volkomen ontbreken. Zo is het alleen door een advertentie bekend, dat de 16de februari 1760 het zesjarig dochtertje van Petrus Albertus "in 't concert bij P.A. van Hagen" een groot vioolconcert van Tartini ten gehore bracht en dat dit meisje een jaar later op het benifice-concert van een harer broers optrad in "een concert carillon op glaazen". De beide zoons hadden kort te voren (28 februari) in "'t laatste inschrijving-concert bij P.A. van Hagen een trio op twee luyten" gespeeld.
Het huis in de Bierstraat wordt in een advertentie voor een concert op 2 maart 1768 te geven door de heren C. Vermeulen en G. Bolizki "de Groote Concertzaal" genoemd en voortaan wordt het steeds met deze naam aangeduid. Het pand was in 1754 voor rekening van de meergenoemde Cornets de Groot gebouwd. Van de stadsrooimeesters had deze in dat jaar vergunning gekregen, daar een nieuw pakhuis te bouwen "en boven een dito woonhuys". Mr. Hugo Cornets de Groot, afstammeling van zijn beroemde naamgenoot, was een man van aanzien in Rotterdam. Behalve oud-schepen, lid van de Vroedschap en burgemeester was hij lid van het college der Admiraliteit op de Maze, bewindhebber van de Kamer van Rotterdam der V.O.C. en commissaris der posterijen. Met zijn gezin bewoonde hij een groot huis aan het Haringvliet z.z., destijds een der meest gezochte woonwijken van Rotterdam. Dat hij een der Maecenaten was van het Bataafs Genootschap bewijst, dat het culturele leven van zijn tijd niet aan hem voorbijging. Toen hij in 1777 overleden was, kon een dichtlievende anonymus -in een Lijkklagt van hem getuigen:
"Een Toeverlaat voor oeffenaars van Kunsten
En Wetenschap, dien hij bescherming bood
Door velerlei en ongehouden gunsten".
Hoewel het alweer niet te bewijzen is, ligt het voor de hand, aan te nemen, dat de burgemeester zijn huis in de Bierstraat al aanstonds van een ruime zaal heeft voorzien, geschikt voor het houden van selecte concerten voor muziekliefhebbers.
446 Vijftig jaar kunstzinnig leven in Rotterdam van 1898-1948
Toen dr. Vorenkamp mij in mijn vakantieverblijf overviel met het verzoek een causerie te houden over het culturele leven van Rotterdam gedurende de 50 jaren dat H.M. de Koningin heeft geregeerd, schoot mij plotseling het oordeel te binnen van een te goeder naam en faam bekend staand Indiaans opperhoofd over de bleekgezichten en hun cultuur. Ik heb dat oordeel ik weet niet meer waar gelezen en vind het frappant genoeg om er deze causerie mee te beginnen. Het Indiaanse opperhoofd verklaarde dan - en hij meende het serieus - dat bleekgezichten zonder één uitzondering op hem de indruk maakten, krankzinnig te zijn, schizofreen, "geschift" dus. Hij kon met hen de vredespijp niet delen in een rustig bezonnen gesprek. Achter hun goed sluitend gordijn van woorden (vond hij) schemeren gedachten, die de woorden niet dekken, en hun sigaretten roken zij zo, dat je niet kunt zien of de spreker ze rookt, of de denker daar achter, want geen van twee, waarin het bleekgezicht gedeeld pleegt te zijn, schijnt er zich bewust van te zijn dát hij rookt. Automatisch kan een mens natuurlijk niet roken, want een mens is geen trekpop. Het bleekgezicht moet dus nóg verdeelder zijn dan bij eerste waarneming al kan worden waargenomen. Een dérde in hem heeft het welbehagen aan de tabak. Geen wonder, dat de krankzinnigheid het bleekgezicht uit de ogen straalt, want er is geen harmonie in hem, maar alleen geschift zijn.
Wij hebben natuurlijk de neiging om het Indiaanse opperhoofd, dat zo sprak, rancuneus zélf voor krankzinnig te verklaren, of hem tenminste op te sluiten in een natuurreservaat, maar de Indiaan wás zo gek nog niet! Wij leven geschift! Ik schrok alweer, toen ik mij deze causerie zag voorbereiden. Voor ik het besefte, was ik bezig, de snit en de kwaliteit van ons culturele leven te bepalen, alsof het een jas was, die men het leven in Rotterdam kan uittrekken. En het betreurenswaardige is, dat dat tot op zekere hoogte nog kán ook! Men kan het leven in deze stad een láág cultuur afstropen en dan loopt het nog weg. En men kan het z'n politieke colbertje net zo goed uittrekken zonder iets te beschadigen En dan kan men er het kerkelijk leven ook nog af afhalen, en het liefdeleven en - nu ja - dan heeft men het intiemste gehad. Allemaal lagen, die de naaktheid kleden. Niets schijnt zó aan onze armzaligheid vastgekleefd te zijn, dat wij onder deze behandeling zouden sterven. Het moest echter zo zijn, dat één van die kledingstukken ons zélf, niet afgestroopt kon worden als een huid. Het moest zo zijn, dat al die kledingstukken delen van ons zenuwstelsel waren, verweven met al ons andere weefsel, tot in het diepst gelegen orgaan, onverschillig of het onze spijsvertering regelt of de orde op ons netvlies. Niettemin zijn er boeken vol geschreven over dat wijd om ons slobberende culturele leven. Wat tenminste nog chirurgische boeken hadden moeten zijn, zijn maar gewoon handboeken, ten dienste van de culturele kleermakerij.
Kijk, en nu heb ik meteen een aanknopingspunt voor mijn overzicht, want in het begin van de periode, die ik te behandelen kreeg, omtrent de eeuwwisseling, bestonden er namelijk enige idealisten in den lande, die, onder invloed van de geniale Engelsman William Morris, de vernieuwer van de ambachtskunst, droomden van een gemeenschapskunst, van een ongedeelde, niet geschifte, homogene gemeenschapscultuur. De monumentale muurschilderkunst werd vooral een machtige strijdbijl voor de gevederde cultuurvernieuwers in die tijd als: Der Kinderen, Toorop, v. Konijnenburg, Thorn Prikker en R.N. Roland Holst, die zich inspireerden op Puvis de Chavannes. Niet alles van die beweging is Rotterdam voorbijgegaan. Thorn Prikker, die in 1894 aan Borel schreef: "ik zou wel eens een wandschildering willen maken", heeft de stad kunnen verrijken met kostelijke composities, waarvan er hier enkele in ons Museum zijn, en andere, in een reeks, de Burgerzaal van het Stadhuis tooien. Maar gemeenschapskunst is het werk van Thorn Prikker nooit geworden. De Rotterdamse gemeenschap heeft er integendeel altijd vreemd tegenaan gekeken. Weliswaar is de Burgerzaal geen atmosfeer waarin de werken van Thorn Prikker tot hun recht kunnen komen. Maar ook in een ideaal aangepaste omgeving zouden de werken cerebraal aandoen, hoewel zij constructief ongemeen schoon zijn en in ons oog winnen als wij het basisplan voor de wederopbouw verwerkelijkt denken. In elk geval zagen de idealisten van omstreeks de eeuwwisseling hun droom verdrietig schiften en zo leven wij nu (1948) nog - en weer: met cultuur, die niet genoeg van ons merg is, met kerken zonder gemeenten, met kunst die vaak geen publiek vindt en met beginsels zonder toepassing daarvan in de staatkunde en de economie.
Elk gebied des levens is bovendien zo gerationaliseerd en geraffineerd, dat specialisme de om ons heen slobberende cultuur uiteengereten heeft. Wij zijn niet meer bij machte een synthese te bewerkstelligen. De Westerse cultuurfase scheen Spengler dan ook te zijn uitgeput. Toynbee weet evenmin veel goeds te voorspellen. Maar: zij hebben beiden te weinig rekening gehouden met vulkanische krachten, die de mens in het onderbewustzijn nog met zich meedraagt en waar hij door zijn verderfelijke wapen, de analyse, de tegenstelling dus van de synthese, toegang toe krijgt, tot zijn heil. Medailles hebben nu eenmaal twee kanten. De tak van cultuur, die nog het meest met het leven in deze stad vergroeid is, door zelfbeoefening in allerlei vormen, is de muziek. Eigenlijk verwaarloos ik nu al verscheidene andere zaken, die, omdat het hemd nader dan de rok is, ons inniger aangaan. Onder andere spreek ik nu niet over het religieuze leven, dat toch méé onze cultuur bepaalt. Maar ik heb stof voor tien lezingen en moet mij beperken tot wat in een museum geperst kan worden, dus tot wat-van-de-snaren-komt.
Met de muziek in tal van variaties en bedoelingen zijn genoeg Rotterdammers vertrouwd om van haar te kunnen zeggen, dat zij in belangrijke mate de cultuur van Rotterdam bepaalt. Het is niet nodig, dat alle Rotterdammers muziekbeoefenaren zijn of graag naar muziek luisteren, want cultuur is niet iets dat door de gemeenschap gedragen zou moeten worden als confectie kleding, cultuur zou moeten zijn een gesteldheid, een geestelijk klimaat, dat dun of dik kan zijn, wisselvallig of standvastig, bevorderlijk voor verdere geestelijke groei of schraal. Nu kan het Rotterdamse culturele klimaat wat de muziek betreft nogal bevorderlijk zijn. Dat is al lang geleden begonnen. In 1829 werd hier de landelijke Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst opgericht. De afd. Rotterdam daarvan stelde zich steeds onder leiding van figuren van betekenis, zoals Frans Coenen, Johannes Verhulst, W.F.G. Nicolai, Woldemar Bargiel en Friedrich Gernsheim, die ook directeuren van de Muziekschool waren, daarna wat het koor betreft onder leiding van A.B.H. Verhey en Evert Cornelius en wat de Muziekschool betreft onder leiding van Joh. Sikemeier, Wouter Hutschenruyter en Willem Pijper.
447 Justitie in Rotterdam
In het eerstbedoelde versje (dat op de wijs "Van de Spaanse Ruiter" kon gezongen worden) wordt een der veroordeelden sprekend ingevoerd:
O waereld vol verdriet
Die ons haest anders niet
Dan quadheijd doet beschouwen.
Het is alsof de deugd
Dagelijks scheijnt te verflouwen
Meest tot verderf der Jeugd.
De Goddeloosheijd woed
En schroomt geen vleesch noch bloed
Den duivel op te dragen;
Maer veele menschen ach!
Haest dien droeve staet beklagen
Door hun ontaerd gedrag.
Mijn ziel heb doch gedult
Het is mijn eijgen schuld
Dat ik hier zit te treuren:
O Goede Godt ontsluyt
Voor mij uw genade deuren!
'k Roep tot U overluyt.
Ik heb mij zelfs verraân
Daer ik, o slegt bestaen!
Niet na uw wetten hoorden,
Maer als een Sodomiet,
Welke zonde mij bekoorden,
Leefden zonder verdriet.
Hoe is mijn hart belaân;
Ach! Wat heb ik gedaen
In mijne jonge jaren.
Ik heb de deugd verragt
En ik liet het goede varen
'k Heb mij niet wel bedagt.
Had ik het quaed verfoeit
Ik zat hier niet geboeit
Met tranen op mijn wangen
Ik ben bereid op aerd
Om mijn vonnis te ontfangen:
O Godt! mijn ziel bewaerd.
Had ik mij wel bedagt
'k Waer nooit zo ver gebragt
Als op den dag van heden:
O Snoode lusten, hoe
Heb gij steeds mijn geest bestreden;
'k Ben uw vermaek al moe.
Beminde Jesus goed
'k Hoop dat gij ons behoed
Ja, wilt uw kind'ren leren
Het quaden af te staen
En zich tot het goed te keren
Eer zij ten onder gaen.
Inderdaad waren drie van de terechtgestelden veroordeeld wegens het crimen nefandum; de vierde was een valse munter.
Het najaar van 1730 is bekend geworden door een algemene vervolging van lieden, die zich aan het eerste misdrijf hadden schuldig gemaakt. Het was begonnen in Utrecht, waar het kwaad, naar de volksmond wilde, zich in verband met een toevloed van vreemdelingen bij de vredesonderhandelingen in 1713 had geopenbaard en daarna snel om zich heen had gegrepen. Ook de andere provincies waren er niet van verschoond gebleven. In boeken en vlugschriften werd de toenemende zedenverwildering aan de kaak gesteld en in 1730 zag de overheid zich alom in het land genoodzaakt krachtig in te grijpen en voorbeelden te stellen. Wagenaar, de historieschrijver vertelt, dat het kwaad vroeger, zo het al was voorgekomen, bij lange na niet zo algemeen was geweest als in de laatste jaren en dat het daarom "door geene openbare wetten beteugeld" was, ofschoon men het vanouds door verbranding placht te stuiten, die dan gewoonlijk nog heimelijk werd ten uitvoer gebracht. "Maar 't kwaad, nu gemeen en genoegzaam openbaar geworden zijnde, scheen ook openbaare en strenge straffen te vorderen".
Naar aanleiding van een brief van het Hof van Holland verklaarden de Staten van Holland op 14 juni 1730: "Het is ons seer smartelijk en wij moeten met leetwesen klaagen, dat boven soo veele misdaaden en hooggaande sonden, als daagelijks in ons Land worden bedreeven, ons seedert eenigen tijd ook te vooren zijn gekoomen soodanige delicten waarover de natuur selfs een afgrijsen heeft en die in een land, waarin de Christelijke Gereformeerde Religie werd geleert, selfs niet behoorde genoemt, veel meer bekent te zijn". De Staten meenden, dat nu de tijd gekomen was, om lieden die zich aan deze afschuwelijke misdaad hadden schuldig gemaakt niet langer "in stilte van kant te maaken", maar "daarover een publicque straf, tot meerder afschrik van andere te moeten oeffenen". Voortaan behoorde de strafmaat niet meer aan het oordeel van de rechter te worden overgelaten. En een maand later, op 22 juli, vaardigden de Staten een plakkaat uit, waarbij vastgesteld werd, dat deze delicten voortaan met de dood bestraft en dat de lijken verbrand, in zee geworpen of aan de galg gehangen en tentoongesteld moesten worden "als de begrafenis onwaardig zijnde"; dit alles "opdat God almagtig gelijk als hij voor deesen ontrent soodanige grouwelen gedreigt heeft, de ongeregtigheid van het land met Sijne vreeselijke oordeelen niet koome te besoeken en het land met sijne inwoonderen niet koome uit te spouwen en alsoo den rijkdom van Gods langmoedigheid en verdraagzaamheid over Ons Lieve Vaderland een einde koome te neemen".
Maar al een week voor de afkondiging van dit plakkaat, de 17de juli had de Rotterdamse schepenbank besloten, de drie mannen, die in de kerker van het Raadhuis hun straf afwachtten "anderen ten exempel met alle rigeur" te straffen en hen veroordeeld "omme te werden gebragt op het schavot agter het Raadhuys en aldaer door den scherpregter aen een pael gestelt met de koorde gewurgt en daerna met vuur geblaekt te werde, dat er de dood naer volgt en dat (hun) lichaemen in de zee gesonken sullen worden om soodanige de memorie van die gruwelijke sonde uyt het midde van ons weg te doen" en dit alles onverminderd de proceskosten en de verbeurdverklaring van hun goederen.
De veroordeelden waren lieden van gering aanzien. Van de vrouw van Leendert de Haes is bekend dat zij een winkelnering dreef in het Hang, Caspar Schrooder was een handwerksgezel en Huybert van Borsele werd "lijfknecht" genoemd. De vierde misdadiger had heel iets anders op zijn kerfstok. Hij was een Antwerpenaar, Arnoldus Becks, die op 15 juni met de beurtschipper van Antwerpen in Rotterdam was gekomen. Bij de bakker Abraham van Brienen op de Botersloot had hij een oortjeskoekje gekocht en, bewerend dat hij geen kleingeld had, een gulden ter wisseling aangeboden. De bakker ontdekte al gauw, dat de gulden vals was, liet de schout waarschuwen en de man schaduwen en kon er zich zodoende op beroemen, de justitie aanwijzingen te hebben verstrekt welke leidden tot de in hechtenisneming van de vreemdeling, die in het begin weliswaar alle schuld ontkende, maar bij volgende verhoren door de mand viel en zich ontpopte als middelpunt van een complot van valsemunters in Antwerpen, dat op grond van zijn mededelingen door de Antwerpse autoriteiten spoedig onschadelijk kon worden gemaakt.
Schepenen overwogen, dat het maken en uitgeven van vals geld een misdaad was, die de meest catastrofale gevolgen kon hebben en daarom streng behoorde te worden gestraft en veroordeelden Becks om op het schavot achter het Raadhuis "met den koorde" te worden gestraft, terwijl zijn lijk naar het Galgenveld zou worden gebracht "omme aldaer tot spectakel aende galge gehangen te worden".
448 In memoriam Ed. Nijgh (1900 - 1949)
Door Mr. K.P. van der Mandele
"Captain of industry."
Dat was de naam, die men, vóór de oorlog, hier veelal placht te geven aan een man uit het bedrijfsleven van groot formaat. Nijgh was "a captain", but not of industry, commerce or navigation only: he was a captain allround by character, through the grace of God.
Zijn gestalte, zijn gang, zijn houding, zijn blik gaven het al aan: stevig, vierkant, rustig. Zo was ook zijn aanleg: kalm, gedecideerd, rondborstig. Hij moet zo geweest zijn in zijn jeugd, in zijn schooljaren: een moedig verzet tegen een leraar, die te ver ging in zijn uitlatingen, is er het bewijs van. Hij was zo in de oorlogsdagen van mei. Als kapitein, commandant van een sectie kustartillerie in Zeeland, was hij de evenwichtige dappere Hollander, die in de strijd nooit gezwicht zou zijn. Hij was zo in de bezettingsjaren. Kloek en kalm steunde hij het verzet waar hij kon en de boekhouding van menig illegaal fonds was op zijn kantoor in zijn vertrouwde handen goed geborgen. Hij was zo in de naoorlogse dagen toen hij de brug beklommen had van zijn schip - zijn bedrijf - dat weer vlot gekomen was, en hij onmiddellijk met grote energie en voortvarendheid alle bevelen uitgaf voor het herstel: het tankbedrijf aan de Waterweg, platgeslagen door het geweld, werd als met toverhand weer opgericht en verrees in een jaar tijds.
Nijgh heeft de hele wereld gekend en in zich opgenomen. Het schijnt dat men hem eerst voor de marine bestemd had: hij zou een goed admiraal zijn geworden. Maar nu heeft hij die zeemanseigenschappen als groot-koopman en reder kunnen geven: aan zijn bedrijf, aan zijn stad en haven, aan zijn land. Want zovele bedrijven, buiten het zijne, zochten zijn hulp en steun - bank of werf of industrie of rederij - en hij was gul die te geven zoals hij ook het algemeen belang diende waar hij kon. De Kamer van Koophandel nam hem op in haar midden, plaatste hem aan het hoofd van de belangrijke scheepvaartcommissie en benoemde hem spoedig daarop tot haar vicepresident: de admiraalsstaf scheen dáár voor hem gereed te liggen.
Weer trok hij er op uit, op een verre reis, om een van zijn concepties in daad te kunnen omzetten. Hij zou er niet van terugkeren en toen op een stralende zomerdag de "Molenkerk" vanuit het verre Oosten de haven binnenviel, hingen de rederijvlag van Van Ommeren, het groen-wit-groen van de stad Rotterdam en het rood-wit-blauw van het Vaderland, alle drie, halfstok, ten teken van diepe, diepe rouw. Mij schieten enkele woorden te binnen uit Walt Whitman's vaarwel aan Lincoln:
O, captain, my captain,
it is some dream, that on the deck
you've fallen cold and dead.
449
450
451
452
453
454
455
456
457
458
459
460
Weer zeer gewaardeerde bijdragen van Gerrie van der Laan
Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net
Op onze site kun je nog meer verhalen vinden van haar, gebruik daarvoor onze zoekmachine:
OF klik op deze link naar de index met alle titels van de verhalen #1 - #436 van Gerrie van der Laan:
Voor iets zoeken op alleen deze pagina, maak dan gebruik van CTRL-F