Zeer gewaardeerde bijdragen van Gerrie van der Laan
Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net
Op onze site kun je meer vinden over de in de verhalen genoemde namen en aspekten, gebruik daarvoor onze zoekmachine:
Overige verhalen Gerrie van der Laan
Op zoek naar de index met ALLE titels van de verhalen #1 - #436 van Gerrie van der Laan:
Voor iets zoeken op alleen deze pagina, maak dan gebruik van CTRL-F
Op deze pagina ALLEEN de verhalen met nummer #437 en hoger!
INDEX: zelf even scrollen of zoeken via CTRL-F
437 Katholiek Kralingen in de Tweede Wereldoorlog
438 Het dagboek van Jacoba van Thiel
439 Het ambt van doodgraver in de 18e eeuw in Hillegersberg
440 ZEDENBEDERF
441 Drie Rotterdamse Watergeuzen
442 Hoge graanprijzen in 1789
437 Katholiek Kralingen in de Tweede Wereldoorlog
Op de zwarte Rotterdamse oorlogsdag, de 14de mei 1940, toen een vierde deel van de parochie in vlammen opging, werd de kerk als door een wonder gered. Zij bleef gespaard bij het bombardement, waarbij in de Hoflaan én in de Waterloostraat voltreffers vielen. Toen zij laat op de avond een prooi der vlammen dreigde worden, draaide de wind, voordat de belendende straten waren aangetast. De H. Hosties waren al ingepakt voor de vlucht. De kapelaans hielpen blussen, de pastoor doopte op straat een kind, de zusters ontfermden zich over de daklozen, die in het jeugdgebouw een onderkomen vonden. Toen er enige dagen na de ramp cijfers bekend werden, bleken ongeveer 1500 parochianen have en goed te hebben verloren; tien waren er bij omgekomen.
De St. Jansschool in de Sionstraat was zo deerlijk gehavend, dat het onderwijs daar niet kon worden hervat. Het modern uitgeruste gymnastieklokaal met een bovenbouw voor de zevende klas, dat in de tijd van pastoor Haver was tot stand gekomen, ging geheel verloren. Tot overmaat van ramp vorderde de bezetting de overige scholen voor troepenverblijf. Het onderwijs werd dat jaar zoveel mogelijk voortgezet in het jeugdgebouw. In het laatste oorlogsjaar kreeg de Montessorischool inkwartiering van Russen onder Duitse bewaking. Ruige typen stookten romantische bivakvuren, waar onze kleuters hadden moeten spelen. Na de bevrijding mocht de totaal vernielde school nog korte tijd Engelse militairen herbergen.
Er zijn in de gruwelijke oorlogsjaren, die op het bombardement volgden, drie dagen aan te wijzen, die eeuwig in het geheugen der parochianen gegrift staan: de dag van de klokkenroof, die van de grote razzia en de dag van de executie tegenover de kerk.
Zaterdag 28 november 1942 kreeg pastoor Haver bericht, dat de twee grootste klokken de volgende maandag zouden worden weggehaald. Die zondag van 11.55 tot 11.58 - langer luiden was verboden - riepen zij voor 't laatst de gelovigen ter kerke. De volgende dag werd bij de galmgaten aan de zijde van de Oostzeedijk een stenen steunpilaar uitgebroken, zodat de klokken door het gat konden worden neergelaten. Op dinsdag 1 december voerde een vrachtauto ze weg.
De razzia van 10 en 11 november 1944 begon in Kralingen, zodat zij velen overviel, die niet konden vluchten, al trachtte nog menigeen te ontkomen, zoals de jonge mannen, die zich in de toren verborgen. De geestelijken gingen vrijuit, wat niet het geval was geweest bij het z.g. wachtlopen, waarvoor zij in augustus en op Allerzielen waren opgeroepen. Na de razzia steeg de ellende met de dag, vooral ook, omdat de jonge mannen, die voor het foerageren hadden kunnen zorgen, weg waren gevoerd of zich niet op straat konden vertonen. Aanvankelijk trachtten parochie-organisaties de nood te lenigen, o.a. door voor kinderen gastvrijheid te vragen in gezinnen, waar men nog iets te missen had.
In het begin van 1945 is deze hulpverlening voortgezet in samenwerking met het I.K.B., waarbij het Comité voor het Kralingse Kind speciaal de jeugd voor de ergste gevolgen van de hongersnood trachtte te behoeden. Mensen van alle gezindten troffen elkaar bij dit werk en leerden elkaar waarderen. De grote rol, die de zusters vol toewijding bij deze hulpverlening hebben vervuld, bracht haar met menigeen in aanraking, die anders nimmer een voet op katholiek domein zou hebben gezet. Niettegenstaande zoveel goede wil om hulp te bieden, zijn er toch parochianen van honger gestorven. Vaak ontbraken dan zelfs de doodkisten.
De kerk deelde in de algemene nood. Er was gebrek aan kaarsen, aan wijn, aan olie en aan hosties. Het grote orgel zweeg bij gemis aan elektrische stroom en aan kracht om te trappen. Maar nimmer was er groter geloof en dieper besef van 's mensen afhankelijkheid van Gods H. Wil, dan in die donkere hongerwinter.
Tegen het voorjaar, op de derde paasdag, toen het licht en de hoop waren teruggekeerd, maar de zorg van morgen zwaarder woog dan ooit, klonken tegenover de kerk schoten, die een einde maakten aan het leven van twintig illegale werkers, een represaillemaatregel voor een aanslag op een gehate politie-inspecteur. Het kruis tegenover de kerk zal voor de Kralingers bij alle toekomstige herdenkingsdagen de plek van hulde aan alle gevallenen blijven.
"Schoon dat het Noodlot doet alle felle donders kraken,
Schoon dat de bitse nijd op ons haar gal uitbraakte,
Uw wil blijft onze Wet, wij staan voor 't onheil pal,
Gewaarborgd, dat door U ons lot verbeetren zal."
Dichtte M. Smolders met een wondere helderziendheid bij de kerkwijding van 1802.
Mei 1945 bracht verbetering van ons lot: uitbundige vreugde over de bevrijding, voedsel en terugkeer van vele dierbaren.
438 Het dagboek van Jacoba van Thiel
Het Stadsarchief Rotterdam is omstreeks 1950 in het bezit gekomen van een in kalfsleer gebonden manuscript, uit het derde kwartaal van de 18de eeuw, in keurig handschrift met door de jaren wat verbleekte inkt geschreven door een in Overschie wonende jonge vrouw. Zij was een dochter van Ds. Roeland van Thiel, predikant, eerst te Muiderberg, later te Leiden en Helena Rijser en op 28 december 1742 geboren. Haar vier jaar oudere zuster Anna Catharina was in 1764 getrouwd met Ds. Petrus Isaäcus de Fremery, telg uit een oud Henegouws geslacht, dat in de Hervormingstijd tot de nieuwe leer was overgegaan en zich in het begin van de 17de eeuw in de Noordelijke Nederlanden had gevestigd. Zijn vader had ten tijde van zijn geboorte als predikant gestaan in Berkenwoude en later in Groot Ammers.
Petrus Isaäcus was in 1760 proponent bij de classis Gouda en Schoonhoven geworden en in 1761 als predikant te Zoeterwoude beroepen. Deze gemeente mocht hem slechts twee jaar behouden, want in 1763 vertrok hij vandaar naar zijn nieuwe standplaats Overschie, waar hij de 11de september van dat jaar zijn intrede deed. In het zesde jaar van zijn huwelijk, op 10 januari 1770, schonk zijn echtgenote hem een zoon, die Nicolaas Cornelis gedoopt werd en later hoogleraar in de Genees- en de Wis- en Natuurkunde aan de Utrechtse Universiteit zou worden. Dit kind werd nog in Overschie geboren, maar twee jaar later verwisselde Ds. De Fremery Overschie met Goes en weer een jaar later vertrok hij vandaar naar 's-Hertogenbosch, waar hij in 1774 benoemd werd tot hoogleraar in het Grieks aan de plaatselijke Illustere School. In 1797 ontviel hem zijn echtgenote door de dood (Haarlem 19 mei). Vier jaar later, na het overlijden van zijn schoonzuster, die de huishouding was blijven waarnemen, trad hij opnieuw in het huwelijk met Elisabeth Johanna Moorrees. In 1810 legde hij zijn betrekking neer om zich metterwoon in Utrecht te vestigen, waar hij zich vooral wijdde aan de belangen van de Zendeling- en Bijbelgenootschappen. Verder heeft hij zich bekendheid verworven als lid van de commissie voor de Evangelische gezangen, waar hij als "warm voorstander van het geestelijk lied" door de Gelderse Synode was afgevaardigd. Hij overleed, hoogbejaard, op 7 december 1820 te Utrecht. Zijn schoonzuster, Jacoba van Thiel, is in de historiografie een onbekende. Door haar dagboek, op 4 oktober 1767 begonnen, verschijnt zij binnen onze gezichtskring, om na het plotseling afbreken van haar kroniek op 8 januari 1770, twee dagen vóór de geboorte van haar neefje, daaruit weer te verdwijnen. Alleen is het vast komen te staan, dat zij, ook na het beroep van Ds. De Fremery naar Goes en later naar Den Bosch, bij het domineesgezin is blijven inwonen en dat zij de 18de oktober 1800 in de St. Jan te 's-Hertogenbosch is begraven.
Gedurende die drie Overschiese jaren leefde zij in de dorpspastorie aan de Schie en hielp zij haar zuster, evenals zij zelf teer van gestel, in het huishouden en met de ontvangst van de talrijke gasten. Nu en dan maakte zij een reisje naar haar familie in Den Haag, Leiden, Haarlem of Alkmaar en naar vrienden in het land van Heukelom; op die uitstapjes nam zij haar dagboek mee en noteerde daarin trouw haar belevenissen: overdenkingen, gesprekken en ontmoetingen met een eindeloze rij ooms, tantes, neven, nichten, vriendinnen en kennissen, van wie zij nauwelijks meer dan de namen meedeelt. In Overschie zelf waren het enkele dorpsnotabelen, met wie zij geregeld omging: een echtpaar Van Kuyk, waarvan de vrouw minstens eenmaal per week een kopje thee in de tuinkoepel kwam drinken en waar de zusters dikwijls 's middags of 's avonds op bezoek gingen, een echtpaar Huysman, een juffrouw Luchtmans en een zekere heer Verboon. Al deze mensen waren van haar eigen stand: zij worden de Heer en Mejuffrouw genoemd, zoals de domineesvrouw ook met Mejuffrouw aangesproken werd, ter onderscheiding van allen, die het niet tot een bescheiden mate van maatschappelijke welstand hadden gebracht, maar ook van de bevoorrechten, die zich tot het regentenpatriciaat mochten rekenen, zoals de dames Van Alphen en Meyners, die 's zomers een buiten onder Overschie bewoonden, waar het domineesgezin een enkele keer op bezoek werd genood en die zich Mevrouw mochten laten noemen. Er kwamen steeds veel gasten op de pastorie, Overschie immers lag zo dicht bij Rotterdam, Delfshaven, Schiedam en Delft en was vandaar binnen het uur met de trekschuit te bereiken. In al deze steden hadden Ds. De Fremery, zijn vrouw en zijn schoonzuster hun vrienden, kennissen en bloedverwanten en bezoeken over en weer behoorden tot de evenementen, die wat afwisseling in de sleur van het dagelijks bestaan brachten. Als de zusters inkopen moesten doen, waarvoor ze in het dorp niet terecht konden, wat minstens tweemaal per jaar gebeurde, gingen zij met de schuit naar Rotterdam en gebruikten er dan de maaltijden of de thee bij de families Baelde, Mees en Van Schelle of bij "neef" De Ver, waar zij altijd hartelijk welkom waren.
Tot de geregelde gasten op de pastorie behoorde "nicht De Fremery", vermoedelijk een tante van de predikant, die veel invloed had op Jacoba en haar ook tot het aanleggen van haar dagboek heeft aangespoord. Verder Jacoba's zuster Johanna, echtgenote van de Haarlemse predikant Ds. Gijsbertus de Brouwer, een spotvogel, met wie zij het veel minder goed kon vinden dan met zuster De Fremery en die haar vaak reden tot ergernis gaf door haar schimpscheuten op de "fijnen", tot wie Jacoba het zich tot een eer rekende te behoren. Ook haar broer kwam vaak in Overschie logeren. Zoals in zijn familie gebruikelijk was, was hij voor het herderlijk ambt bestemd. Jacob was erg aan deze jonge proponent gehecht en deelde in zijn verdriet, als hij telkens weer zijn hoop op een beroep zag opgaan. En toen de kerkelijke raad van Spanbroek het ten langen leste aandurfde, was het Jacoba, die in Haarlem inkopen met hem ging doen en de kille pastorie in het Noord Hollands dorp voor hem inrichtte. Met hem onderhield zij een levendige briefwisseling, evenals met de organist Johannis Oyers uit Leiden, die voor haar en haar zuster de rol van geestelijke raadsman vervulde, en zo nu en dan zijn intrek nam in de pastorie. Ten slotte waren er ook nog de vele predikanten op kerkvisitatie of op weg naar een classicale vergadering die op de doorreis een of meer dagen in de gastvrije predikantswoning kwamen doorbrengen of er alleen maar kwamen eten, al dan niet vergezeld van hun echtgenoten, en de kennissen uit Overschie, Kethel of de naburige steden, die een kopje thee in de tuinkoepel kwamen drinken.
In het dagboek treden deze personen geen van allen op de voorgrond, hoe vaak hun namen er ook in genoemd worden. Zelfs de figuren van Ds. De Fremery en zijn vrouw maken zich niet van de achtergrond van het gebeuren los; want dit gebeuren is het avontuur van een ziel, een onsterfelijke ziel, gekerkerd in een tegenstrevend lichaam, doch tot een hoger leven geroepen en van de invloeden die daar ten goede of ten kwade op inwerken. We hebben hier geen relaas van dagelijkse gebeurtenissen voor ons, zich afspelend binnen het kader van de Overschiese dorpsgemeenschap, geen kritiek op plaatselijke toestanden, geen chronique scandaleuse, geen politieke beschouwingen - dat alles telt niet mee waar het heil van de ziel op het spel staat - maar een reeks van naar binnen gerichte overdenkingen en inwendige belevenissen, niet vrij van de hoogmoed der nederigheid, maar toch ook niet van vlagen van zelfverwijt en vertwijfeling over eigen zondigheid, kortom de kroniek van een ziel, de ziel van een ingetogen, bedeesde, devote jonge vrouw van een delicate gezondheid, verweesde predikantsdochter, opgegroeid in een milieu van bevindelijke vroomheid, een sfeer waaruit zij zich niet wilde en, met haar middelmatige intelligentie en aangeboren schuchterheid ook niet kon losmaken; van een jonge vrouw, die, zonder veel middelen na het overlijden van haar vader achtergebleven, het genadebrood moest eten ten huize van haar gelijk geaarde zuster, die het geluk had gehad een predikant haar hand te hebben kunnen schenken.
Samen met die zuster, daarbij geholpen door een gedienstige, die zij dagelijks met twijfelachtig succes in de grondbeginselen des geloofs trachtte te onderwijzen, verrichtte Jacoba de huiselijke bezigheden in de Overschiese pastorie: naai- en verstelwerk, was, inmaak, slacht, e.d. Maar haar gedachten vertoefden te midden van die beslommeringen bij het heil van haar eeuwige ziel het knagend besef van haar tekortkomingen, het onafwendbare naderen van het uur, waarop zij, ja vooral zij, met haar broze gezondheid, wie weet hoe spoedig, voor Gods rechtersstoel zou moeten verschijnen. Geestelijk voedsel vond zij in de geregelde kerkgang ('s zondags tweemaal en bovendien op woensdagavonden) waar "Broer" of een andere predikant uit de classis voorging, in stichtelijke gesprekken met gelijkgestemden en in piëtistisch getinte lectuur.
439 Het ambt van doodgraver in de 18e eeuw in Hillegersberg
In dit artikel zal een overzicht gegeven worden van een eeuw begraven binnen de gemeente Hillegersberg. Hoewel dit onderwerp nu niet direct van opgewekte aard is, moeten wij het toch onder ogen durven nemen, want rijk of arm, oud of jong, ieder zal tenslotte met de doodgraver in aanraking komen. De Prediker vergelijkt ons lichaam met een huis, dat langzamerhand gesloopt wordt, en waaruit het leven wegebt. De vensters worden tenslotte niet meer geopend, zij zijn niet langer verlicht, de deuren aan de straatzijde gaan steeds minder open, het stemgeroes wordt zachter om tenslotte geheel te verdwijnen. De bewoner is vertrokken op een laatste reis naar de Eeuwigheid , want de Huisheer heeft hem geroepen. De Dood komt evenwel niet alleen bij oude mensen, maar hij
"spaart noch zoete jeugd,
noch gemelijke ouderdom".
en wat ook in de loop der tijden veranderd moge zijn, de smart om het heengaan van iemand is dezelfde gebleven evenals de troost, dat de dood slechts een overgang naar een beter leven is. Onder onze vaderen onderschreven velen de woorden van Willem Gnapheus (1531). "De droefenis en de wee des doods wordt door deze hope wel verwonnen. De dood maakt den zonden een einde, hij lost ons van veel cativigheid ende verdriet, hij voegt ons bij God ende zendt ons voort int eeuwig leven".
Was de overledene Protestant dan had de predikant, de vermaner of de ziekentrooster met hem nog gebeden en was hij of zij Rooms, dan was het de pastoor of een rondreizend missionaris, die hem of haar in het geheim bediend had. Wanneer de laatste adem gevloden was, hadden de nabestaanden hem of haar de ogen dichtgedrukt, het huis voorzien van tekenen de des doods en de zorg op zich genomen voor de teraardebestelling.
Het openlijk rouw dragen was in de eerste tijd der Republiek door de Gereformeerde Kerk wel niet verboden, maar zij had toch de gelovigen de raad gegeven zich zoveel mogelijk te onthouden van deze uiterlijke dingen. De gewoonte bleek echter te sterk en het rouw dragen werd feitelijk mode. Men kleedde zich dus in dof zwart en droeg bij de begrafenis de welbekende lamfers, de randen werden neergeslagen, de mannen waren gehuld in rouwmantels, terwijl de vrouwen rouwhulken om de schouders geslagen hadden. Evenals tegen het overdadig rouw dragen was de Gereformeerde Kerk gekant tegen deze pompeuze begrafenissen, maar ook hierbij was het vaak vechten tegen de bierkaai. Geregeld moest tegen de overdaad door de overheid geprotesteerd worden.
Kerkhoven bevonden zich rond de kerken, maar het was deftiger, om niet te zeggen geloviger, de lichamen binnen de kerkmuren te begraven. In het koor ter aarde besteld te worden was slechts voor de aanzienlijken weggelegd. In de loop van de 17de eeuw werd wel eens geageerd tegen het begraven in de kerk, maar pas in de 18de eeuw lieten de spectators hiertegen hun stem horen uit overweging van besmettingsgevaar. In 1770 werd de Doopsgezinde Utrechtse predikant Marten Schagen in de Bildt begraven "opdat hij de levenden niet zou schaden". Deze zielenherder was evenwel een nieuwlichter. In vele plaatsen werd op bepaalde uren, zolang het lijk boven aarde stond, en tijdens de begrafenis de kerkklok geluid. Dit sonore, plechtige geluid wilde men niet missen, maar het was feitelijk het enige ceremonieel, want al werd bij menige Gereformeerde begrafenis nog tot ver in de 18de eeuw de lijkkist bij geopende groeve geplaatst en "erover" gezongen, dit gebruik verdween ook en onze vaderen deden het voortaan zonder lijkdienst, zodat op het einde van die eeuw een Engelsman over ons kon schrijven: "Bij deze natie is tijd te kostbaar om te worden verdaan met plichtplegingen, die de dode toch niet kunnen terugroepen. Daarom geen gebeden of liederen. De kist wordt aanstonds in de groeve neergelaten, de kuil gevuld en de familieleden keren terug naar hun werk".
Thans wordt het tijd ons eens met Hillegersberg bezig te houden. De schoolmeester van Hillegersberg o.a. was belast met het ambt van doodgraver. In het begin van de 18de eeuw werd het ambt bekleed door Elbertus Leeflang, die in het bezit was van een instructie van 25 augustus 1668, waarin een drietal artikelen gewijd waren aan het doodgraversambt. Deze vermeldden, dat de doodgraver wekelijks een naamlijst der begravenen moest inleveren bij de schout en de secretaris en dat hij maandelijks aan de kerkvoogden een staat moest zenden, waarop de bedragen, welke hij voor het begraven en beluiden ontvangen had, vermeld stonden. In deze instructie wordt verwezen naar een kerkelijke ordonnantie op het begraven. Vermoedelijk werden in deze afkondiging slechts onkosten vermeld, hetgeen ook kan voortvloeien uit het feit, dat de doodgraver verplicht was een exemplaar in de kerk op te hangen. Op 31 december 1717 was Leeflang overleden en na veel geharrewar, waarbij de burgerlijke autoriteiten tegenover de kerkelijke stonden, was in juli 1718 Johannes Kindt benoemd. De nieuwe doodgraver werd spoedig het mikpunt van verdachtmakingen. Wat was het geval?
Op zekere dag in juli 1719 waren Leendert Foppen Borgh als metselaar en Bartholomeus Overgaauw als timmerman werkzaam in de dorpskerk van Hillegersberg. Zij hadden toen waargenomen, dat Wouter van Hees in een geopend graf stond, terwijl zich naast de groeve de doodgraver, kladschilder Johannes Arondeus en diens knecht bevonden. Deze personen voerden blijkbaar een sadistisch spel op, want op een berg zand lag een menselijke romp, waaraan het hoofd ontbrak, terwijl aan de ene arm de hand en aan de andere de gehele beneden-arm ontbrak. Zij hadden tot hun grote schrik ook gezien, dat delen vlees op het zand lagen. Vol ontzetting hadden zij dit gruwelijk gebeuren aanschouwd en met afgrijzen hadden zij er met Willem Kievit, die juist in de kerk kwam, fluisterend over gesproken. Die nieuwe schoolmeester moest een heksenmeester zijn, die menselijke vleesdelen nodig had voor de bereiding van zijn duivelse medicijnen. Dit verhaal was het welkom signaal en spoedig zal men het wel aangedikt hebben en kon men griezelen bij de verhalen over ijselijke gebeurtenissen, die zich in de kerk afspeelden. Het sombere jaargetijde maakte alles nog spookachtiger en op 5 oktober had Neeltje, de weduwe van Ingen Simonsz Bonefaes iets op het kerkhof gehoord.
Zij was niet bang en zij had eens poolshoogte genomen en toen had zij gezien hoe Kindt en Van Hees zich onledig hielden met het stukslaan van doodkisten, terwijl Van Hees als een ware duivel met behulp van een haak de lijken uit de kist trok om deze daarna naar de zuidzijde van de consistoriekamer te slepen en ter plaatse oppervlakkig te begraven. Anthony Manicourt had het vervolg van deze heksensabbat waargenomen, want hij had de volgende morgen om ongeveer 10 uur gezien hoe de bruine hond van Leendert Foppen aan de zuidzijde van de consistoriekamer een stuk vlees had opgegraven om er tenslotte met de zwarte hond van meester Kindt over in gevecht te komen. Dit hondengevecht was door meerdere personen waargenomen en toen Dirc Fluysse Verheul in het dorp nog een rib gevonden had, was de afkeer van meesters praktijken wel tot het hoogtepunt gestegen. De kerkvoogden Gerrit Brillenburg en Adriaan van Ter Bregge wilden het hunne ervan hebben en zij wandelden eens naar het kerkhof. Zij hadden het zo ingericht, dat zij meester aantroffen bij de ruimingswerkzaamheden, maar zij hadden niets verdachts kunnen waarnemen. Zij waren daarop, misschien ter geruststelling van de goegemeente, gezellig gaan kouten in het Schoolmeestershuis en onder genot van een pijptabak en een kroes bier hadden zij over koetjes en kalfjes gepraat. Het dorpspraatje was daarmede echter niet van de baan. In de avond van 6 oktober liep de zwaar beschonken Anthony Manicourt door de gemeente en hij zal wel gezongen hebben over de gruwelijke ontdekkingen van die morgen. Tenslotte klopte hij om 11 uur bij het huis van de schout aan teneinde deze mededeling te doen van de vreselijke gebeurtenissen, die zich in de gemeente afspeelden. De schout, hoewel overtuigd dat het dorpsgeroddel betrof, besloot de kerkvoogden te ontbieden tegen de 9de oktober om 18 uur.
De twee kerkvoogden deelden de schout Allert van den Duyn mee, dat zij niets bijzonders ontdekt hadden, maar toen kwam van Ter Bregge nog met een verhaal. Hij was die middag eens naar het knekelhuis gegaan en daar had hij een menselijke romp zonder armen of benen gevonden, waaraan echter nog vleesdelen waren. Toevallig was de herbergier Adriaan Jansz van Dijk getuige geweest van het daarop volgende onderhoud, dat hij met de doodgraver gevoerd had. Na enige discussie had Kindt gevraagd of de kerkvoogd het beter vond, wanneer het geraamte weer begraven werd, hetgeen Ter Bregge bevestigend beantwoord had, waarop de herbegrafenis plaatsgevonden had. Een en ander werd door de schout als kennisgeving aangenomen. Ter Bregge zwijgt echter niet. Deze ambtsdrager tracht de schoolmeester, die door de burgerlijke autoriteiten benoemd is, ten val te brengen.
Een tweede persoon, wiens naam in dit verband geregeld genoemd wordt, is de schilder Johannes Arondeus. Hij zou de stamgasten van de herberg van Matthijs van Heel geregeld onthaald hebben op griezelverhalen van het sinistere duo Kindt-Van Hees. Hij zou de zegsman geweest zijn van het verhaal, dat Kindt een lijk, dat slechts drie maanden geleden begraven was, opgegraven had om het daarna met een schop aan stukken te stoten teneinde er het vet uit te halen, dat hij dan braadde en verkocht. De schilder, die geregeld bij Kindt aan huis kwam, kan een agent provocateur geweest zijn, maar hoe het zij, hij heeft al deze verhalen als verdichtsels gekwalificeerd. Wanneer enkele personen bij hem aankloppen om een en ander schriftelijk vast te leggen weigert hij dit en zegt tot deze lieden: "dat hij Arondeus zig liever leevendig liet van malkander scheuren dan iets tot laste van een eerlijk man te attesteeren 't geen bij hem nooit gezien was". Het zal de vraag zijn of hij deze woorden gestand wilde doen, maar op de 5de februari 1720 scheen het bijna werkelijkheid te worden. Op de avond van die dag was de schilder in het huis van juffrouw Stroom in het Zwaanshals en de kwestie was wederom ter sprake gekomen. Coenraed Casteleyn had hem van onoprechtheid beticht, waarop een vechtpartij ontstaan was, waarbij Arondeus op de grond geworpen was en Casteleyn hem de keel dicht geknepen had tot "dat hij van benaeutheyt paers en blaeuw wert". De schilder was tenslotte bevrijd, maar hij zal wel enkele benauwde ogenblikken doorgebracht hebben.
Uit het bovenstaande blijkt, dat er reeds personen waren, die schriftelijke verklaringen verzamelden. Deze personen wilden alles officieel doen vastleggen en op 19 en 22 oktober verschijnen verschillende mannelijke en vrouwelijke ingezetenen van Hillegersberg bij notaris Herbert van der Mey, die een protocol opmaakt van het hem meegedeelde. Bij deze personen bevindt zich ook kerkvoogd Adriaan van Ter Bregge.
440 ZEDENBEDERF
Sal gelet worden op de wijntaphuysen, geen herbergen sijnde, die soo seer vermenighvuldigen in de stadt ende bevindende eenige exorbitantiën, sullen sonder versuym de vergaderinge worden bekent gemaeckt en sal daer op nader acht worden genomen; sal yder predicant in sijn quartier daerop het ooge laeten gaen en soo daer onder de ledemaeten soodanige sijn, deselve bysonder aenteyckenen.
Resolutiën van de kerkeraad der publieke kerk
d.d. 11 Mei 1661
441 Drie Rotterdamse Watergeuzen
Bestudeert men de lijst van namen der bekend geworden Watergeuzen uit het tijdvak van 1568 tot de zomer van 1572 - na die tijd kan nauwelijks nog van Watergeuzen gesproken worden, wijl de Prins van Oranje in juli 1572 alle oude kaperbrieven introk en aan de geuzenvloot meer het karakter van een staatsvloot verleende -, dan valt het op, dat men daarop zo weinig Rotterdammers vermeld vindt, wellicht nog geen tien op een goede vijftienhonderd. Verbazing behoeft dit echter niet te wekken, want Rotterdam was in die tijd slechts een kleine vissersplaats met een luttel aantal inwoners
Van de Rotterdamse Watergeuzen nu was Jan van Troyen wel de meest op de voorgrond tredende. De drie Watergeuzen waren Jacob Ruymvel, Anthonis Claes zone Moelenaer en Cornelis Dirix zone Calffvel, wier namen voorkomen in het Rijksarchief te Brussel in een ontdekte interessante correspondentie tussen de Raad van Beroerten en de Magistraat van Rotterdam. Ook de brief van Rotterdams vroede vaderen aan de Raad van Beroerten geeft over het leven van deze mannen geen uitsluitsel. Slechts wordt daarin het vermoeden uitgesproken, dat Moelenaer en Calffvel op de kust van Groningen gesneuveld zouden zijn.
Meer bekend is er over Cornelis Dirixz. Calffvel. Uit verschillende bronnen stammende gegevens kan zijn levensloop als volgt geconstrueerd worden: Hij was de zoon van Dirck Cornelisz. Calffvel. In 1551 komt zijn naam te Rotterdam voor het eerst voor. Hij handelde waarschijnlijk in vee, huiden of vlees. In 1553 komt zijn naam voor in het kohier van de tiende penning op de huizen als "Calffsvel, pauper", hij woonde in het stadsdeel gelegen tussen Hoofdsteeg en Rijstuin. Hij werd niet aangeslagen, maar in een ander kohier wel, namelijk voor V11 ponden Vlaams. Hij had drie zoons en ging later in Dordrecht wonen. Op welke datum Calffvel precies bij de Watergeuzen kwam, is niet bekend. Vast staat daarentegen, dat hij in november 1570 diende op het Geuzenschip van de beroemde Nicolaes Ruychaver en in die tijd op de Zeeuwse stromen het marktschip van 's-Hertogenbos plunderde. Vermoedelijk diende hij verder nog onder Dirck Duyvel en Jan Claesz. Spiegel. Op 31 maart 1572 werd hij door Alva verbannen en op 16 april 1572 volgde de afkondiging van het vonnis. Later is zijn naam niet meer genoemd.
Tenslotte moet er nog iets gezegd worden over Johan Gysbrechtsz. Coninck, die, zoals bleek, de drie Rotterdamse Watergeuzen aan de Raad van Beroerten verried. Coninck was de vader van een bekende Watergeus uit Dordrecht. Deze Gijsbrecht Jansz. Coninck , was in het najaar van 1570 bij de aanslag op de Prins van Oranje op Dordrecht tussenpersoon. In het geheim onderhandelde hij met de burgers van Dordrecht in het huis van zijn vader en oom. De aanslag lekte echter uit, Coninck Jr. wist te ontsnappen, maar zijn vader werd gegrepen. Later te Brussel verhoord, maakte deze de namen van Ruymvel, Moelenaer en Calffvel bekend. Veel hebben hem zijn bekentenissen echter niet mogen baten. De brandstapel moest hij toch beklimmen.
BRIEF VAN DE REGEERING VAN ROTTERDAM AAN DE RAAD VAN BEROERTEN.
Rotterdam, 2 maart 1572.
Hooghe Edele en Vermoeghende Heeren. Wij hebben upten XXVJen der voorleden maendt ontfangen van Zijne Excellentie zeeckere missive van date des XVJen der selver maendt, bij de welcke ons geordineert werdt te procederen tot apprehensie oft bij faulte vandyen tot personele dachvaerdinghe, van Jacob Ruymvel, Anthonis Claes zone Moelenaer ende Cornelis Dirix zone Calffvel schippers alhier, beroerende welcken wij Uwer E. adverteren mits desen dat naerdyen de vorseiden personen overmits heurlieden absentie ende meer andere quade suspitien voor ons in persone gedachvaert waeren, tegens d'selve overmits heurlieder non comparitie zoe verre geprocedeert es datter alreede eenige deffaulten tegens hemluyden gedecerneert sijn, ende souden oick alle gebannen geweest hebben dan alsoe wij genouch zeeckerlick onderrecht sijn dat d'voorscreven Calffvel ende Moelenaer omtrent die stadt Groeningen in zee onder de piraten wesende geslaghen zijn, zoe hebben wij mittet voirscreven bannissement gesupersedeert gehadt. Ende voor zoe veel als aengaet de voorscreven Ruymvel, zoe wij verstaen dat de zelve noch in levende lijffve es, zal eerst sdachs tegens den selven geprocedeert werden tot bannissemente. Voorts beroerende heurlieden goeden en connen wij nyet vernemen dat zijlieden eenige hebben, anders hadden wij daer van pertinente annotatie over lange tijt gedaen gehadt.
Hooge Edele ende vermogende heeren, ingevalle Uwer E. nyet jegenstaende tvoorscreven proceduren yet anders jeghens dvoorscreven personen begeert gedaen te hebben sullen wij tallen tijden bereyt wesen tselve te volcomen. Hooge Eedele Heeren Godt almachtich gelieve U.E. te sparen lange in gesontheeyt. Uuyt Rotterdam den 1Jen Martii anno XVc twee ende tseventich stilo communi.
Wes wij vermogen Uwer E. dienaers
Baelliu Burgemeesters ende Schepenen der stede van Rotterdamme.
Adres: Hooge Eedele vermogende Heeren mijne Heeren vanden
Raede van de Coninglijcke Majesteit wesende beneffens
die Excellentie van de hertoge van Alva Gouverneur.
Tot Brussele.
Recepta le X111Je de mars 1572 stil de Rome.
442 Hoge graanprijzen in 1789
De graanprijzen waren in 1789 ongehoord gestegen, zonder blijkbare oorzaak. In de provincie Holland besloot men van overheidswege de prijs van een last graan en die van het brood te bepalen; wat de bakkers voor een last graan meer moesten betalen werd hun uit de stedelijke kas vergoed; zo werd de schade verdeeld onder het publiek, dat het brood duurder moest betalen; de bakkers, die in die verhoogde prijs hun onkosten toch niet goed maakten, en de stedelijke kas, die een gedeelte van de hoge prijs der granen droeg. Het vaststellen en ten uitvoer leggen van deze maatregel gaf Gijsbert Karel van Hogendorp veel te doen. Van Hogendorp doet over het geval een uitvoerige mededeling, welke besloten wordt met : "J'ai exposé" enz. Dan komen twaalf regels Franse tekst, waarvan de inhoud is: de mensen zijn tevreden over Gijsbert Karel, deze over zichzelf, en dat hij niet meer de roem wil najagen.
In het begin van 1789 begon zich in Spanje en Frankrijk een schaarste aan granen te vertonen, hetgeen wegens de strenge winter, die goede verbindingen uitsloot, niet van directe invloed was. Toen de vaart weer vrijkwam, begon de uitvoer, waardoor de prijzen opliepen. Dit verontrustte niet, want straks zouden de Oostzeelanden voldoende afleveren. In mei was de belemmering voor de Oostzeevaart opgeheven, maar men zag een menigte ladingen met granen uit de grote en kleine Oost onze kusten voorbij en rechtstreeks naar Frankrijk en Spanje varen, zodat de Republiek het vierde part niet ontvangen heeft van hetgeen andere landen hebben getrokken.
Deze mededelingen worden enigermate bevestigd door de cijfers van de graaninvoer in de Maashavens, welke de tarwe-invoer zagen dalen van ruim 3000 last in 1788 tot 1015 in 1789 en de rogge-invoer van ruim 12.500 last tot ruim 5200 last, terwijl de uitvoer in beduidende mate toenam. De prijzen liepen op. Ter illustratie: in het laatst van 1788 stond de tarwe op 180 goudgulden het last, in de zomer van 1789 op 370 goudgulden. Deze enorme stijging deed de voorraden snel slinken. Natuurlijk trok het verschijnsel de aandacht, vooral omdat algemeen misgewas niet als oorzaak aan te merken was. Het werd voor geen gering gedeelte toegeschreven aan een plan om Frankrijk in de deerlijkste verlegenheid te storten, door gebrek aan de behoefte des levens, hetwelk zich in dat Rijk reeds onder een schrikbarende gedaante deed zien.
Hoe stond men in Rotterdam tegenover de bemoeiingen van hoger hand? "Bij ons", aldus verhaalt de pensionaris, "was Van der Heim niet ongenegen tot een bepaald verbod van uitvoer" (van granen; daar was namelijk van Zeeuwse zijde over gesproken). "Naderhand was hij zelfs voor een verbod der inlandse granen, en zou hij de laatste deliberaties hier gaarne doorgedreven hebben, dat wy geproponeerd hadden om de Gedeputeerden der Generaliteit te autoriseren, de verdere bondgenoten te onder-tasten, en, was het mogelijk, zulk een verbod te bewerken. Hy vreest, dat de regeering door het volk zoude kunnen gedwongen worden, tot hetgeen zij nu nog met houding kan doen".
Intussen had de regering van Amsterdam aan de bakkers toegezegd, dat hetgeen zij boven de 265 goudguldens per last tarwe moesten betalen, uit de stedelijke kas zou worden bijgepast. Dit was niet naar smaak van de raadpensionaris, die van de Amsterdamse maatregel niet in kennis gesteld werd en hem van derden had moeten vernemen. Gijsbert Karel noteert echter, dat Van de Spiegel meer de lage prijs afkeurde dan de maatregel zelf, omdat "de goeddoening ontzachlijk hoog zou komen te staan". De raadpensionaris, die niet anders kon, dan het Amsterdamse voorbeeld volgen, wilde regeringsvoorraden voor de winter reserveren en de prijs van de tarwe op 290 goudguldens fixeren en het brood op 282, welke schade de bakkerij best kon dragen. Hij slaagde er in Van der Heim tot zijn inzicht over te halen. Aldus vertelt Gijsbert Karel het: "Toen op eenen ogtend met Van der Heim by hem zittende, deedt hy deezen de goeddoening op den gemelden voet aanneemen, hoezeer dezelve tegen de kosten opzag, en, op dat oogenblik, voor eene tegemoetkoming aan de onvermogene ingezetenen alleen scheen te zijn". Gemakkelijk gaf Van der Heim zich niet gewonnen, want Gijsbert Karel noteert nog: "In zyne antichambre sprak Van der Heim met my af, hoe de zaak by ons aan te leggen en zuggte nog verscheidene reizen over de zwaare kosten, die er aan gedaan zouden worden". Dat Van der Heim bij zijn pensionaris weinig steun gevonden zal hebben voor een uitvoerverbod, ligt voor de hand. Te Rotterdam ging de zaak door. In de tweede helft van juni 1789 werd de prijs gefixeerd met terugwerkende kracht van 16 juni af. Ook kocht in de loop van de zomer het stedelijk bestuur, mede op advies van Van de Spiegel, graan in. Tussen Gijsbert Karels papieren bevindt zich nog een notitie omtrent de hoeveelheden stadsgraan, welke op 3 september 1789 voorradig waren.
Op 8 juli begon de zitting van de Staten van Holland en aanstonds kwam de zaak ter sprake. Bij de autoriteiten scheen geen eenstemmigheid te bestaan. Van de Spiegel wilde de prijs fixeren op 290 en adviseerde: "den voorraad te bewaaren en eene goeddoening aan de bakkers te geeven". Een week later evenwel (ik citeer Gijsbert Karel) "in een besogne over deeze zaak, hoorden wij de Gec. Raaden geheel anders praeadviseeren. Zy wilden tegen den by ons bepaalden prys (hieruit schijnt te volgen, dat Rotterdam toen nog alleen stond) graanen uit 's lands voorraad afleveren, en repten van geen goeddoening. Wij bleeven by onze gedagten, of veelmeer by die van den Raadpensionaris in het besogne met Van der Heim en my. Veele Leden vielen ons toe, maar wilden de goeddoening uit 's lands kas voor de steden mede bedingen. Daar kwam de Raadpensionaris tegen op, en droeg voor, dat de stemmende steden voor zig zelven en Gec. Raaden voor het platteland zouden zorgen. Wy ondersteunden die voordragt, Amsterdam sprak ze niet tegen, maar de onvermogende steden schreeuwden hard". Tenslotte kwam op 28 juli een provisionele resolutie tot stand, geldend tot 1 oktober, "volgens welke de voorraad zou bewaard en de goeddoening door G. R. van beide Quartieren ten platten lande, door de regeeringen der steden aan haare bakkers verstrekt worden". Daarna gingen de Staten uiteen.
Eind augustus echter trad op de Amsterdamse graanmarkt een "schielyke daaling" in: de Poolse tarwe of baktarwe kwam er op 255 à 270 goudguldens en de rode tarwe, welke onder de Poolse gemengd werd, op 240 à 255 gg. het last. Deze daling had generlei invloed op de prijzen te Rotterdam en Dordt. Voor de stad Rotterdam was de situatie niet prettig: Amsterdam was van de goeddoening bevrijd (alleen de lagere prijzen "voor arme lieden" bleven), Rotterdam moest voortgaan met vijftig goudguldens per last bij te passen.
443
444
445
446
447
448
449
450
Weer zeer gewaardeerde bijdragen van Gerrie van der Laan
Heb je een vraag of opmerking voor Gerrie van der Laan, stuur dan Aad, de webmaster, een email: aad@engelfriet.net
Op onze site kun je nog meer verhalen vinden van haar, gebruik daarvoor onze zoekmachine:
OF klik op deze link naar de index met alle titels van de verhalen #1 - #436 van Gerrie van der Laan:
Voor iets zoeken op alleen deze pagina, maak dan gebruik van CTRL-F